Eohippus

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Eohippus
Fossiel voorkomen: Vroeg-Eoceen
Hyracotherium Eohippus hharder.jpg
Taxonomische indeling
Rijk:Animalia (Dieren)
Stam:Chordata (Chordadieren)
Klasse:Mammalia (Zoogdieren)
Infraklasse:Eutheria
Orde:Perissodactyla
Familie:Equidae
Geslacht
Eohippus
Othniel Charles Marsh, 1876
Afbeeldingen Eohippus op Wikimedia Commons Wikimedia Commons
Portaal  Portaalicoon   Biologie
Zoogdieren

Eohippus is een uitgestorven paard uit het Vroeg-Eoceen van Noord-Amerika. Lange tijd werd hij beschouwd als gelijk aan Hyracotherium, maar deze indeling is tegenwoordig verlaten. Er is één erkende soort, Eohippus angustidens.

Ontdekking[bewerken]

Eohippus werd in 1876 door Othniel Charles Marsh beschreven. In 1932 stelde Clive Forster Cooper het geslacht gelijk aan Hyracotherium (Owen, 1841), waarbij de oudste naam de voorkeur kreeg. Fossielen zijn met name gevonden in de San José-formatie in New Mexico en dateren uit het "Lysitean" (Wasatchian-6, circa 53 miljoen jaar geleden). Ook in Colorado (Huerfano-formatie) en Baja California (Las Tetas de Cabra-formatie) zijn vondsten van Eohippus gedaan.

Huidige inzichten[bewerken]

Inmiddels wordt Hyracotherium beschouwd als een parafyletisch taxon. Volgens nieuwe inzichten behoort alleen nog H. leporinum tot het geslacht. Bovendien is het geen paard, maar een soort uit de Palaeotheriidae, een familie van uitgestorven Europese dieren die verwant zijn aan de paarden.

Voor de oudste Amerikaanse paarden zijn inmiddels andere geslachtsnamen in gebruik. Eohippus werd in ere hersteld. De vroegste soorten behoren tot het geslacht Sifrhippus.

Kenmerken[bewerken]

Eohippus was 25 tot 45 cm hoog. Hij had een relatief korte kop en een gebogen rug. Het gebit omvatte 44 tanden en kiezen. De poten waren relatief lang ten opzichte van het lichaam en in vergelijking tot bij moderne paarden nog flexibel en roteerbaar. Aan de voorpoten zaten vijf tenen, waarvan vier met kleine proto-hoeven. De duim was los van de grond. Aan de achterpoten zaten eveneens vijf tenen, waarvan drie met hoeven. De eerste en de vijfde teen waren los van de grond. Door deze hoeven was Eohippus al aangepast aan het rennen. Hij was een herbivoor die zich voedde met zachte bladeren.