Flensburgregering

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

De Flensburgregering, zo genoemd naar de regeringszetel in Flensburg, in het Noord-Duitse Sleeswijk-Holstein, was de laatste regering van het Derde Rijk. Ze stond onder leiding van een door Adolf Hitler aangewezen president, Karl Dönitz, en heeft ongeveer drie weken (van 1 mei tot 23 mei 1945) bestaan. Haar belangrijkste daad was het ondertekenen van de capitulatieovereenkomst.

Opvolging van Hitler[bewerken]

Op 1 mei 1945 kreeg grootadmiraal Dönitz via een versleuteld telegram te horen dat hij door Adolf Hitler tot rijkspresident en opperbevelhebber van de Duitse strijdkrachten was benoemd. Hitler, die de dag ervoor in zijn bunker in het belegerde Berlijn zelfmoord had gepleegd, had in zijn testament bepaald dat hij als staatshoofd en opperbevelhebber zou worden opgevolgd door Dönitz en als rijkskanselier door Joseph Goebbels. Hitler zelf had als Führer beide functies in zich verenigd.

Hitler had nog een officier met een exemplaar van zijn testament naar Dönitz gezonden. Dat was echter een onmogelijke opdracht en het document bereikte Dönitz nooit. Het hele bewind van Dönitz was gegrondvest op dat ene radiobericht.

Dönitz nam de regering op zich, na zich ervan te hebben vergewist dat hij door de Wehrmacht en de SS als nieuw staatshoofd werd erkend.

De keuze voor Dönitz was opmerkelijk en verbaasde ook Dönitz zelf. Het had meer voor de hand gelegen dat Hermann Göring, op papier de officiële opvolger van Hitler, verkozen zou worden. Echter, zowel Göring als Himmler was in ongenade gevallen. Met uitzondering van Goebbels hadden vrijwel alle hoge partijleden in de ogen van Hitler afgedaan, terwijl het leger al helemaal niet meer vertrouwd werd wegens het complot van 20 juli 1944. Hitler waardeerde echter Dönitz om zijn fanatieke nazimentaliteit en werd omgekeerd door deze bewonderd. Ook waren de U-boten het enige krijgsmachtonderdeel dat naar verhouding redelijk bleef presteren.

Vorming van de regering-Dönitz[bewerken]

De tot dan toe bestaande rijksregering bevond zich al sinds 20 april 1945 in Sleeswijk-Holstein, nabij het stadje Plön, waar grootadmiraal Dönitz belast was met de verdediging van de "Noordvesting". Na ontvangst van het telegram dat hem zijn benoeming meedeelde, begaf de kersverse president zich samen met zijn staf naar het iets noordelijker gelegen Flensburg, bij de Deense grens, waar hij zijn intrek nam in de marineschool in het stadsdeel Mürwik. Dit werd het nieuwe hoofdkwartier van het OKW (opperbevel) en tevens de regeringszetel.

De regering die Hitler in zijn testament had bevolen, werd echter niet gevormd. Het door Dönitz ontvangen, door Goebbels ondertekende, telegram had vermeld dat Goebbels tot rijkskanselier was benoemd, Bormann tot "partijminister" (een functie die niet eerder bestond) en Seyss-Inquart tot minister van Buitenlandse Zaken. Geen van hen was echter in Flensburg aanwezig. Goebbels en Bormann zouden kort daarna in Berlijn zelfmoord plegen, al wist Dönitz dat niet. Hij kende evenmin de namen van Hitlers andere benoemingen. Die waren in Hitlers testament vermeld, waarvan een exemplaar naar Dönitz zou worden gezonden. De daartoe aangestelde koerier slaagde er echter niet in dit exemplaar te bezorgen en Dönitz heeft het gedurende zijn korte regering nooit gezien.

Dönitz gaf daarom opdracht aan rijksminister van Financiën Lutz Schwerin von Krosigk om een ander kabinet te vormen. Deze stelde daarop een regering van hoofdzakelijk nazibestuurders samen. De nieuwe president vroeg ondertussen dossiers en landkaarten op om de uiterst precaire militaire situatie te bestuderen. Hij had ook een ontmoeting met Himmler, maar wilde niet met hem samenwerken, waarop Himmler verdween.

Capitulatiebesprekingen[bewerken]

Kolonel-generaal Alfred Jodl ondertekent de capitulatie te Reims.

Het eerste waarmee de nieuwe regering van het razendsnel krimpende rijk zich moest bezighouden, was de capitulatie. President Dönitz wilde echter aanvankelijk alleen voor de westerse geallieerden capituleren. Door tegen de Sovjet-Unie te blijven doorvechten hoopte hij de Duitse militairen die aan het Oostfront vochten de kans te geven zich terug te trekken naar de Amerikaanse en Britse linies, zodat zij niet in handen van de bolsjewieken zouden vallen.

Op 2 mei 1945 stuurde de nieuwe president en opperbevelhebber een delegatie onder leiding van admiraal Hans-Georg von Friedeburg (opperbevelhebber van de Kriegsmarine) naar de Lüneburger Heide om veldmaarschalk Montgomery een capitulatie aan te bieden. Die liet weten dat een overeenkomst over een Duitse algemene capitulatie niet mogelijk was als de Sovjet-Unie daar niet bij betrokken was. Wel wilde hij de capitulatie van de noordelijke legers aanvaarden.

Op 4 mei tekende Von Friedeburg ter overstaan van Montgomery de overgave van de Duitse strijdkrachten in Noord-Duitsland, Nederland, Denemarken en Noorwegen, die de dag daarop inging. Daarna werd de Duitse delegatie overgebracht naar het geallieerde hoofdkwartier in de Franse stad Reims waar besprekingen begonnen over een algemene capitulatie. Kolonel-generaal Alfred Jodl vervoegde zich een dag later bij de Duitse delegatie in een ultieme poging om enkel voor de westerse mogendheden te capituleren. Toen dat niet lukte en de geallieerden dreigden alle Duitsers tegen te houden die voor de Russen op de vlucht waren, gaf Dönitz via de radio toestemming om de geallieerde eis in te willigen. Daarop ondertekende Jodl in de ochtend van 7 mei in Reims een akkoord over de onvoorwaardelijke overgave van alle Duitse strijdkrachten, die de dag daarop zou ingaan. Omdat de Sovjet-Unie bezwaar maakte tegen enkele bepalingen van de overeenkomst, werd in de nacht van 8 op 9 mei in het hoofdkwartier van generaal Georgi Zjoekov in Berlijn, in aanwezigheid van Russen, Amerikanen, Britten en Fransen, een nieuw capitulatiedocument ondertekend door generaal-veldmaarschalk Keitel (OKW), kolonel-generaal Stumpff (Luftwaffe) en admiraal Von Friedeburg. De Duitse delegatie keerde meteen daarop naar Flensburg terug.

Marionettenregering[bewerken]

Hoewel Flensburg binnen de Britse bezettingszone in Duitsland lag, ondernamen de geallieerden geen stappen om de regering te arresteren. President Dönitz regeerde na de capitulatie dus onverdroten voort, zij het steeds meer als hoofd van een marionettenregering.[1] Kennelijk vanuit de gedachte "beter laat dan nooit" stelde de regering een onderzoek in naar de 'misstanden' in de concentratiekampen. Ongeveer een week na Hitlers zelfmoord in Berlijn werd de Hitlergroet in het leger afgeschaft. Tegelijk bleven Dönitz' militaire rechtbanken doodvonnissen uitspreken en uitvoeren.

Op 13 mei 1945 arresteerden de Britten veldmaarschalk Keitel wegens zijn betrokkenheid bij de executie van vijftig Britse (krijgsgevangen gemaakte) luchtmachtofficieren. Dönitz benoemde kolonel-generaal Jodl tot Keitels opvolger. Jodl werd aldus de laatste stafchef van het OKW.

Roemloos einde[bewerken]

Arrestatie van drie leden van de Flensburgregering: Alfred Jodl, Albert Speer en de president, Karl Dönitz.

Op 17 mei 1945 arriveerden de Russen in Flensburg. Zij drongen aan op de arrestatie van de regering. Op 23 mei werd de rijksregering gesommeerd om naar het Duitse stoomschip Patria te komen. Daar aangekomen werd de rijksregering gearresteerd. De afwezige kabinetsleden werden ten slotte in de militaire trainingsschool (het hoofdkwartier) opgepakt, terwijl het kabinet daar in vergadering bijeen was. Von Friedeburg pleegde op beproefde naziwijze zelfmoord door een cyaankalicapsule door te bijten.

De laatste regering van het Derde Rijk werd vervolgens tezamen met het opperbevel overgevlogen naar Bad Mondorf (Luxemburg), waar al eerder gearresteerde nazikopstukken, zoals Göring, waren samengebracht in een groot hotel. Een aantal leden van de regering zou moeten terechtstaan in het Proces van Neurenberg.

Literatuur[bewerken]

Externe link[bewerken]