Karl Dönitz

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Karl Dönitz
Karl Dönitz
Bijnaam "Der Löwe" (De leeuw)
Geboren 16 september 1891
Berlin-Grünau, Duitse Keizerrijk
Overleden 24 december 1980
Aumühle, West-Duitsland
Rustplaats Waldfriedhof-begraafplaats, Aumühle, Kreis Hertogdom Lauenburg, Sleeswijk-Holstein, Duitsland[1]: veld L 5[2]
Religie Evangelische Kerk in Duitsland
Land/zijde Vlag van Duitse Keizerrijk Duitse Rijk
Vlag van Duitsland tijdens de Weimarrepubliek Weimarrepubliek
Vlag van nazi-Duitsland nazi-Duitsland
Vlag van Duitsland tijdens de geallieerde bezetting Duitsland
Vlag van de Bondsrepubliek Duitsland West-Duitsland
Onderdeel Flag of German Empire (jack 1903).svg Kaiserliche Marine
Flag of Weimar Republic (jack).svg Reichsmarine
War ensign of Germany (1938-1945).svg Kriegsmarine
Dienstjaren 1910 - 1918
1920 - 1945
Rang Kriegsmarine-Großadmiral.png Deutsche Marine epaulette Grossadmiral.svg Kriegsmarine OF10-Grossadmiral 1945.svg
Großadmiral
Eenheid Großen Kreuzer SMS Hertha
(april 1910 – maart 1911)
II. Seebataillon
(april 1911 –
september 1912)
SMS Württemberg (1878)
Schiffsartillerieschule
SMS Breslau
(oktober 1912 –
september 1916)
SMS Goeben
Bevel SM UC 25
(februari – september 1918)
SM UB 68
(september – oktober 1918)
Torpedoboot
Emden (kruiser)
(september 1934 –
september 1935)
1. Unterseebootsflottille
(september 1935 –
oktober 1936)
Führer der U-Boote
(januari 1936 –
oktober 1939)
Befehlshaber der U-Boote
(oktober 1939 –
januari 1943)
Oberkommando der Kriegsmarine
(januari 1943 –
april 1945)
Opperbevelhebber der Kriegsmarine
(23 januari 1943 –
31 mei 1945)
Opperbevelhebber der Wehrmacht
(april – mei 1945)
Reichspräsident
(30 april 1945 –
23 mei 1945)
Slagen/oorlogen Eerste Wereldoorlog

Tweede Wereldoorlog

Onderscheidingen Zie decoraties
Ander werk Time Magazine-omslag: 2 februari 1942, 10 mei 1943

Karl Dönitz (Grünau, 16 september 1891Aumühle, 24 december 1980) was een Duits marineofficier en veroordeelde oorlogsmisdadiger. Tijdens de Tweede Wereldoorlog was hij bevelhebber van de U-boten en later opperbevelhebber van de hele Duitse marine. Helemaal op het einde van de oorlog was hij korte tijd als opvolger van Hitler staatshoofd van nazi-Duitland.

Loopbaan tot en met de Eerste Wereldoorlog[bewerken | brontekst bewerken]

Dönitz trad in 1910 toe tot de Duitse Kaiserliche Marine.

Bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog was hij officier op de SMS Breslau, een lichte kruiser die in de Middellandse Zee voer.

Meteen na het uitbreken van de oorlog wisten de Breslau en een ander Duits schip, de slagkruiser Goeben, aan een Britse achtervolging te ontsnappen naar Constantinopel, waar ze door Duitsland aan het Ottomaanse Rijk werd verkocht. Dönitz voer daarop formeel voor de Ottomaanse marine op de Breslau (omgedoopt tot Midilli), bij aanvallen tegen de Russische vloot in de Zwarte Zee.

In 1916 keerde hij op eigen verzoek naar Duitsland terug om overgeplaatst te worden naar de onderzeeërs. In februari 1918 kreeg hij voor het eerst het bevel over een U-boot.

Op 4 oktober 1918 voer hij met een U-boot in de Middellandse Zee toen hij wegens technische problemen zich verplicht zag zijn onderzeeër te verlaten en tot zinken te brengen. Daarop werd Dönitz door de Britten gevangengenomen.

Terwijl hij in een krijgsgevangenenkamp in Engeland zat, formuleerde hij zijn zogenaamde 'roedeltactiek', d.w.z. het belagen van een in konvooi varend schip door meerdere duikboten tegelijk. Hij kwam in 1919 vrij.

Interbellum[bewerken | brontekst bewerken]

Onder de Weimarrepubliek kon Dönitz blijven werken voor de zeer ingekrompen Duitse marine, onder meer als commandant van een torpedoboten (het was Duitsland toen verboden om over onderzeeërs te beschikken).

Toen Duitsland - dat zich onder Hitler opnieuw fors bewapende - in 1935 door een akkoord met de Britten opnieuw het recht verkreeg onderzeeërs te hebben, kreeg Dönitz de opdracht het onderzeebootwapen uit te bouwen. Hij kweet zich enthousiast van zijn taak, maar de nieuwe Kriegsmarine was geen prioriteit voor het naziregime en bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog beschikte Dönitz slechts over 57 duikboten, veel minder dan hij gepland had.

Tweede Wereldoorlog[bewerken | brontekst bewerken]

Aan het begin van de Tweede Wereldoorlog kreeg Dönitz het bevel over de onderzeeboten van de Duitse marine. Dönitz wist deze onderafdeling uit te bouwen tot het effectiefste wapen van de marine. Hij gold als een groot strateeg, die met zijn U-boten de geallieerden in de Tweede Wereldoorlog grote verliezen wist toe te brengen.

Nadat grootadmiraal Erich Raeder zijn ontslag had aangeboden als opperbevelhebber van de Kriegsmarine, benoemde Hitler op 30 januari 1943 Karl Dönitz tot nieuwe opperbevelhebber en bevorderde hem tegelijk tot grootadmiraal. Dönitz had nu de handen vrij om de Kriegsmarine nog meer te richten op het U-bootwapen, dat had bewezen effectiever te zijn dan de kostbare kruisers en slagschepen van Raeder.

Niettemin hadden ook de U-boten hun beste tijd bijna achter de rug. In mei 1943 hadden de geallieerden hun U-bootbestrijding dermate verbeterd, dat de Duitse verliezen drastisch stegen en de duikboten tijdelijk teruggetrokken moesten worden van de Atlantische Oceaan. In deze zelfde maand sneuvelde Dönitz' jongste zoon, een jaar later ook zijn overgebleven zoon. Ondanks verhoogde duikbotenproductie en een kamikaze-achtige oorlogsvoering, werd het Duitse zee-overwicht niet meer herwonnen.

Dönitz begroet Hitler in de Führerbunker in Berlijn, voorjaar 1945, vlak voor zijn benoeming tot Hitlers opvolger

Opvolger van Hitler[bewerken | brontekst bewerken]

Toen het Derde Rijk ineenstortte begaf Dönitz zich op 22 april 1945 naar Plön in Sleeswijk-Holstein. Daar moest hij van Hitler de strijdkrachten in het noorden van Duitsland organiseren voor een verdere strijd.

Nadat Hitler beslist had zelfmoord te plegen, stelde hij op 29 april 1945 in zijn Führerbunker in Berlijn een 'politiek testament' op waarin hij Dönitz benoemde tot Rijkspresident, opperbevelhebber van de Wehrmacht en minister van Oorlog. Hitler had zelf de titel van Führer gedragen maar Reichspräsident was de benaming voor het staatshoofd in de - toen formeel nog steeds geldende - grondwet van de Weimarrepubliek.

Dat Hitlers keuze op de grootadmiraal viel, was een totale verrassing. Hermann Göring was al sinds het begin van de oorlog de aangewezen opvolger van Hitler, maar hij viel kort voor Hitlers dood in ongenade, net als Heinrich Himmler, die als chef van de politie en de SS in feite de machtigste nazi was na Hitler.

Toen Hitler zich op 30 april het leven benam, werd zijn dood niet meteen bekendgemaakt. In de avond liet zijn secretaris Martin Bormann in een radiobericht aan Dönitz weten dat de Führer hem tot zijn opvolger had benoemd, maar zonder erbij te zeggen dat Hitler dood was. Pas de dag daarop - 1 mei - kreeg hij via een ander radiobericht uit de Führerbunker, afkomstig van Goebbels, te horen dat Hitler gestorven was en hijzelf in diens testament tot Rijkspresident was benoemd.

Een speciale koerier moest proberen een exemplaar van het testament uit het belegerde Berlijn naar Dönitz te brengen, maar dat lukte hem niet. Dönitz kreeg het testament nooit in handen. Wel heeft hij via hetzelfde radiobericht vernomen dat Goebbels tot nieuwe rijkskanselier was benoemd, maar Goebbels pleegde kort daarna ook zelfmoord, zonder dat Dönitz dat wist.

Dönitz maakte diezelfde avond het nieuws van Hitlers dood wereldkundig. Hij hield een radiotoespraak, waarin hij verklaarde dat hij de Duitse bevolking wilde redden van de bolsjewistische vijand (de Sovjet-Unie) en dat daarom de oorlog voortgezet werd.

De dag daarop, 2 mei, stelde hij in Plön een nieuwe regering aan, waar enkele van de meest omstreden nazi's uit werden verwijderd. Voor Himmler, die nog altijd veel macht had - Dönitz hield een pistool verborgen toen hij Himmler in Pön ontmoette - was er in de regering geen plaats meer. Op 3 mei week Dönitz met zijn regering en de militaire leiding uit naar Flensburg in het uiterste noorden van Duitsland (vandaar 'Flensburgregering'), omdat de geallieerden snel oprukten.

Dönitz zond een aanbod voor gedeeltelijke capitulatie naar de Britse veldmaarschalk Montgomery, maar wilde tegelijk verder vechten tegen het Rode Leger. De geallieerden eisten echter een algemene, onvoorwaardelijke capitulatie. Dönitz zwichtte uiteindelijk. De capitulatie werd in de ochtend van 7 mei ondertekend en ging in tijdens de nacht van 8 op 9 mei.

Dönitz en zijn regering bleven nog een paar weken in Flensburg, zonder echte macht te kunnen uitoefenen. De geallieerden lieten hem voorlopig ongemoeid, zonder hem als staatshoofd te erkennen. Op 23 mei kwam daar een einde aan en werd hij met heel zijn gevolg gearresteerd.

Dönitz na zijn arrestatie

Berechting in Neurenberg[bewerken | brontekst bewerken]

Karl Dönitz stond terecht tijdens het Proces van Neurenberg. Hij werd aangeklaagd op drie punten: ten eerste, misdaden tegen de vrede; ten tweede, oorlogsmisdrijven; ten derde, misdaden tegen de menselijkheid.

De volgende feiten speelden hierin de hoofdrol:

  • De onbeperkte duikbootoorlog.
  • Het in functie blijven nadat Hitler, woedend over schade toegebracht door Britse commando's, het bevel had uitgevaardigd dat iedere geallieerde commando, aangetroffen in bezet gebied, moest worden gedood, ook wanneer hij in uniform was of zich overgaf. (Dönitz bracht hier tegenin dat dit niet de marine betrof en dat de marine zich ook nooit aan deze oorlogsmisdaden schuldig had gemaakt.)
  • Het feit dat 12.000 buitenlandse dwangarbeiders in de scheepswerven werkten en Dönitz hier niets tegen deed.

Enkele andere belastende feiten speelden een geringere rol in de uiteindelijke afweging:

  • Toen Hitler Dönitz vroeg of de Geneefse Conventie niet verworpen kon worden om zo geallieerde krijgsgevangenen te kunnen straffen en Duitse soldaten te weerhouden zich over te geven, tekende Dönitz geen principieel bezwaar aan. Omdat aan Hitlers suggestie ten slotte geen uitvoering werd gegeven en Dönitz zich zelf jegens krijgsgevangenen aan de Conventie hield, woog dit punt niet zwaar mee.
  • Het zogenaamde Laconia-bevel. In 1942 werd U-bootbemanningen opgedragen niet langer overlevenden van vernietigde schepen te redden, nadat eerder een U-boot bij een dergelijke reddingsactie was aangevallen (het Laconia-incident). Dit bevel werd niet meegewogen bij het rechterlijk oordeel, mede omdat de geallieerden ook geen overlevenden van hun aanvallen meer redden.

Dönitz werd ten slotte schuldig bevonden aan het plegen van misdaden tegen de vrede en het plegen van oorlogsmisdrijven en vrijgesproken van misdaden tegen de menselijkheid. Hij werd veroordeeld tot tien jaar opsluiting, welke straf hij tot 1 oktober 1956 in de Berlijnse Spandau-gevangenis uitzat. De veroordeling schiep een belangrijk precedent, omdat de gewezen admiraal door velen werd gezien als een 'soldaat die slechts zijn plicht deed', net als zijn geallieerde collega's. Dönitz meende zelf het slachtoffer te zijn van 'overwinnaarsjustitie', een begrip dat toentertijd algemeen was in Duitsland.

Beeldvorming en leven na vrijlating[bewerken | brontekst bewerken]

Na zijn ontslag uit de gevangenis trachtte Dönitz het beeld van de 'onpolitieke soldaat' uit te dragen, die voor de misdaden van het naziregime geen verantwoordelijkheid had. Hij zou onder andere niets hebben geweten van de massamoorden op de Joden en van de toestanden in de concentratiekampen. Toen Dönitz als kersverse president berichten ontving over misdaden in de kampen, wilde hij dat er onmiddellijk een onderzoek zou worden ingesteld - naar individuele overtreders, niet naar de organisatoren van de kampen. Ook trok hij het Nero-bevel in en schafte hij de Hitlergroet in het leger af.

In 1968 publiceerde hij zijn autobiografie Mein wechselvolles Leben. Daarin beschrijft hij zichzelf als een beroepsmilitair die zich van het nationaalsocialisme distantieerde. Hij zou tegen de Amerikaanse psychiater Leon Goldensohn verklaren dat Hitler iedereen opdroeg zich met zijn eigen zaken te bemoeien, en dat zijn zaken de U-boten waren. Met andere woorden: van wat de anderen deden zou hij hoegenaamd niets geweten hebben. Hij zou nou juist na de bestiale verschrikkingen van de oorlog zijn uiterste best hebben gedaan om er op een waardige en beschaafde manier een eind aan de maken, daarbij roeiend met de riemen die hij had. Die 10 jaar gevangenisstraf die hij volledig moest uitzitten tot 1956 vond hij zelf te zwaar en een teken van ´overwinnaarsjustitie´, een wraakneming van de geallieerden die hij het met zijn U-boten zo moeilijk had gemaakt.

Gedocumenteerde antisemitische uitlatingen en lofprijzingen op Hitler, door Dönitz gedaan tijdens de oorlog, spreken dit door hem geconstrueerde beeld echter tegen. Daarbij was Dönitz ook antimarxist. Er waren echter indicaties dat hij wel degelijk van de Jodenvervolgingen en concentratiekampen op de hoogte was. Zo was hij aanwezig bij de Poznańtoespraken, zij het dat niet is aangetoond dat hij de meest controversiële toespraken van Himmler heeft bijgewoond. Dönitz was daarbij sinds 1 februari 1944 lid van de NSDAP, niet slechts uit pragmatisme maar ook uit overtuiging. Later dat jaar ontving hij het Gouden Ereteken van de NSDAP voor zijn loyaliteit aan de partij. Hij droeg sterk bij tot de verspreiding van de nazi-ideologie in de Duitse marine, en mede hierdoor nam geen enkele marineofficier deel aan de samenzwering van 20 juli 1944 tegen Hitler. Na zijn laatste toespraak voor de Hitlerjugend stond Dönitz bekend als ´Hitlerbube´ (´Hitlerjongetje´).[3] Het was juist mede vanwege deze nazi-mentaliteit en zijn vasthoudende geloof aan de mogelijkheid van een Duitse eindoverwinning tot het laatst toe, dat Dönitz door Hitler tot zijn opvolger werd gemaakt.

Ook zouden er in de dagen tussen 1 en 8 mei 1945, toen Dönitz staatshoofd was en nog gezag uitoefende en dus verantwoordelijk was, misstanden hebben plaatsgevonden. Zo rekte hij het moment van de capitulatie waarbij hij aan de ene kant burgers en troepen de kans gaf naar het westen te trekken maar aan de andere kant ook dagelijks nog duizenden aan het Oostfront sneuvelden. Deserteurs maar ook soldaten die per ongeluk van hun eenheid waren gescheiden of de fout begingen na de capitulatie van 4 mei naar huis te gaan in de veronderstelling dat de oorlog over was, werden opgepakt, berecht en geëxecuteerd door ´vliegende krijgsraden´. Een grote groep concentratiekampgevangenen werd op schepen vastgezet zonder voedsel, waarna de RAF denkend dat het militaire transporten waren, deze in de grond boorde. Overlevenden die naar wal zwommen werden door SS'ers doodgeschoten. Er zijn aanwijzingen dat Dönitz dit had kunnen weten, maar zich hier opzettelijk van distantieerde.

Ook na zijn veroordeling bleef Dönitz een antisemiet: in 1953 zou hij tegen Speer hebben verklaard dat als de Amerikanen in plaats van de joden het voor het zeggen hadden, hij allang vrij zou zijn geweest.

Karl Dönitz overleed op 89-jarige leeftijd.

Militaire loopbaan[bewerken | brontekst bewerken]

Decoraties[bewerken | brontekst bewerken]

Publicaties van Dönitz[bewerken | brontekst bewerken]

  • Die Fahrten der "Breslau" im Schwarzen Meer (1917) ISBN 9783941555174
  • Die Kreuzerfahrten der Goeben und Breslau (samen met Theodor Krauss; 1933)
  • Die U-Bootswaffe (1939)
  • Feind im Fadenkreuz. U-Boot auf Jagd im Atlantik (door Werner Hartmann en Gerhart Weise met voorwoord van Dönitz, 1942)
  • Zehn Jahre und zwanzig Tage (1958) ISBN 9783763751860
  • Angriff, ran, versenken. Die U-Boot-Schlacht im Atlantik (door Karl Alman, met voorwoord van Dönitz, 1965) ISBN 978-3788116637
  • Mein wechselvolles Leben (1968)
  • Deutsche Strategie zur See im Zweiten Weltkrieg. Die Antworten des Großadmirals auf 40 Fragen (1970) ISBN 978-3763751006

Externe link[bewerken | brontekst bewerken]

Zie de categorie Karl Dönitz van Wikimedia Commons voor mediabestanden over dit onderwerp.
De Engelstalige Wikiquote heeft een of meer citaten van of over Karl Dönitz.