U-boot

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Opengewerkt model van de U-47, een U-boot uit de Tweede Wereldoorlog

U-boot (Duits: U-Boot) is een Duitse marineterm en de afkorting van Unterseeboot. De Duitse onderzeeboten vormden tijdens zowel de Eerste Wereldoorlog (Kaiserliche Marine) als de Tweede Wereldoorlog (Kriegsmarine) een geducht wapen, dat vooral ook door de onbeperkte duikbotenoorlog een enorme bedreiging vormde voor de geallieerde koopvaardij.

Eerste Wereldoorlog[bewerken]

In beslag genomen U-155 in 1919 te Londen

De term U-boot werd voor het eerst gebruikt in 1914 toen de opperbevelhebber van de Kaiserliche Marine (Keizerlijke marine), Alfred von Tirpitz, zijn plannen voor een onderzeebootwapen voorlegde aan keizer Wilhelm II. Admiraal Tirpitz was op zijn plan gekomen nadat hij in geschiedenisboeken had gelezen hoe de Amerikanen tijdens de Amerikaanse Onafhankelijkheidsoorlog in 1775 voor het eerst een houten eenmansonderzeeboot, de Turtle, hadden gebouwd. Ook hadden Zuidelijke troepen tijdens de Amerikaanse Burgeroorlog een onderzeeboot gebouwd: de Hunley, de eerste bruikbare onderzeeboot.

Von Tirpitz kreeg toestemming van de keizer en begon te experimenteren met prototypes. Tijdens deze experimenten werd gebruikgemaakt van drie belangrijke technologische vernieuwingen. Alle drie zijn van grote invloed geweest op de ontwikkeling van het onderzeebootwapen:

  1. Men maakte gebruik van een elektromotor, zodat ook onder water op motorkracht kon worden gevaren. Tot dan moest de bemanning gedurende een duik de scheepsschroef altijd met spierkracht laten draaien.
  2. Men construeerde een torpedo die door een motor werd aangedreven. De torpedo werd op afstand gelanceerd en ontplofte wanneer hij tegen de romp van het vijandige schip botste. Voorheen moest men tot vlak bij het schip varen om een explosief te bevestigen aan de romp.
  3. Een dieselmotor werd gebruikt voor de voortstuwing boven water. Deze motor nam veel minder ruimte in beslag dan stoomaandrijving. Maar omdat een dieselmotor destijds duur was voeren toch nog veel U-boten tijdens de Eerste Wereldoorlog op stoom.
Duitse onderzeeër U-9 (1910)

Met gebruikmaking van deze drie technologische vernieuwingen begonnen de Duitsers in 1915 aan de bouw van onderzeeboten. Duitsland werd het eerste land dat de onderzeeër als serieus te nemen oorlogswapen op grote schaal ging gebruiken.

De mogelijkheden van de onderzeeboot zijn tijdens de Eerste Wereldoorlog nog niet volledig benut, vooral doordat de U-boten maar weinig batterijen en zuurstof mee konden nemen, zodat ze niet lang onder water konden varen. De hele techniek stond eigenlijk nog in de kinderschoenen. Ook was er geen radioverbinding zodat de onderzeeërs altijd solitair op zoek moesten naar aanvalsdoelen. Een U-boot voer meestal niet te ver uit de kust en hield zich meer bezig met nevenactiviteiten, zoals het leggen van mijnen, dan met het torpederen van schepen. Veel U-bootkapiteins voeren trouwens het liefst boven water, de boten kwam dan ook vaker boven - dan onder water in actie.

Toch werd er in de Eerste Wereldoorlog al veel resultaat geboekt met de onderzeeër, omdat de Britse marine aanvankelijk geen enkele manier had om handelsschepen tegen aanvallen te beschermen. Veel scheepskonvooien werden slachtoffer van de U-boten. Het torpederen van deze schepen werd daarom door Karl Dönitz, de bekendste U-bootcommandant uit WOI, beschreven als ongestraft prijsschieten. Pas tegen het einde van de oorlog kregen de geallieerde marines de beschikking over dieptebommen, een wapen dat in de Tweede Wereldoorlog een ernstige bedreiging voor de U-boten zou gaan vormen.

De bekendste oorlogsactie van een U-boot is de torpedering van het Britse passagiersschip Lusitania door de U 20 op 7 mei 1915. Bij de ondergang van dit schip, voor de kust van Ierland, kwamen 1198 mensen om het leven. Hoewel de directe aanleiding het Zimmermanntelegram was, speelde ook deze actie een factor in de Amerikaanse beslissing tot deelname aan de oorlog. Door de Amerikaanse deelname zou Duitsland uiteindelijk de nederlaag lijden.

Na de Eerste Wereldoorlog mocht Duitsland, volgens de bepalingen van het Verdrag van Versailles, geen marine meer hebben en lag dus ook verdere technische innovatie van de U-boot in Duitsland zelf stil maar er werd niettemin gezocht naar manieren om toch de draad weer op te pakken. In die periode werd er vooral in Nederland en het Verenigd Koninkrijk grote vooruitgang geboekt op het gebied van de onderzeeboottechniek. Om deze vooruitgang niet te missen stichtte de firma Krupp, met medeweten en financiële ondersteuning van de regering in Berlijn, in 1922 het Nederlandse Ingenieurskantoor voor Scheepsbouw (IVS). Hier werkten 40 Duitse ingenieurs aan nieuwe typen onderzeeboten. De eerste onderzeeboot werd in 1927 aan Turkije geleverd. Daarna richtte IVS zich op de productie van 'demonteerbare' onderzeeërs. De onderdelen hiervan – accu's, periscopen, dieselmotoren – werden van Nederland naar Duitsland gesmokkeld en daar in geheime opslagplaatsen bewaard. Nadat nazi-Duitsland in juni 1935 een vlootverdrag met het Verenigd Koninkrijk had gesloten, dat aan Duitse zijde het aantal oppervlakteschepen van de marine aan strikte limieten bond, maar pariteit toestond voor wat betreft onderzeeërs, kon de Kriegsmarine aan de montage van de onderzeeërs beginnen. Al een half jaar na ingang van het vlootverdrag beschikte Duitsland over veertien inzetklare onderzeeërs.

Tweede Wereldoorlog[bewerken]

Karl Dönitz was in de Eerste Wereldoorlog de bekendste Duitse onderzeebootkapitein en in de Tweede Wereldoorlog de commandant van alle Duitse onderzeeërs

Hitler besefte al snel dat hij de oorlog alleen zou kunnen winnen wanneer hij een land als het Verenigd Koninkrijk economisch kon ondermijnen. Als de bevoorradingslijnen van een land konden worden afgesneden, zou daardoor de economie ontwricht raken. Zo'n land kwam dan zonder voldoende grondstoffen, wapens, munitie, voeding en brandstoffen te zitten en zou de oorlog uiteindelijk niet vol kunnen houden. Daarom moesten Duitse oorlogsschepen zo veel mogelijk vijandelijke koopvaardijschepen uitschakelen. Dit hadden de Duitsers overigens zelf ook ondervonden in de Eerste Wereldoorlog: de toenmalige blokkade van de Duitse havens door de geallieerde tegenstanders was zeer effectief en de resulterende tekorten aan voedsel en grondstoffen waren een belangrijke factor in het Duitse verlies van deze oorlog.

Deze manier van oorlog voeren was niet nieuw. Al sinds de 16e eeuw overvielen oorlogs- en kaperschepen met permissie (kaperbrief) van hun overheid koopvaardijschepen van de tegenstander. Het feit dat Hitler deze oorlogstaak volledig toewees aan een onderzeebootmarine was wel nieuw. Als geen ander besefte hij de mogelijkheden van de onderzeeboot. De Duitse Kriegsmarine kreeg gedurende de Tweede Wereldoorlog bijna 1200 onderzeeboten ter beschikking. Al deze boten waren primair bedoeld voor de jacht op transportschepen. De U-boten waren enkele jaren heer en meester op met name de Atlantische Oceaan. Ze brachten vele vijandelijke schepen tot zinken, en berokkenden de geallieerde oorlogsinspanning daardoor veel schade. Niet eerder was de onderzeeboot zo'n belangrijk wapen.

Aanvalstactieken[bewerken]

In het begin van de Tweede Wereldoorlog paste de Kriegsmarine een oude aanvalstactiek toe die nog stamde uit de Eerste Wereldoorlog. Een U-boot patrouilleerde op zee. Als een vrachtboot werd waargenomen voer de U-boot naar het schip toe en kwam boven water. Met een kanon dat op het dek stond vuurde de U-boot een waarschuwingsschot af voor de boeg. Met lichtsignalen gaf de U-bootkapitein opdracht aan de bemanning van het vrachtschip om in de reddingsloepen te gaan. Nadat iedereen van boord was vuurde de U-boot een torpedo af op de vrachtvaarder om die tot zinken te brengen. De bemanning van het schip werd niet als vijandelijk gezien en altijd zo veel mogelijk gespaard. Soms nam de U-boot haar zelfs mee en zette ze over op een passerend schip van een neutraal land.

De oude tactiek werd alleen in de eerste maanden van de oorlog toegepast. Na januari 1940 voeren vrachtschepen zelden meer alleen. Ze voeren in grote konvooien die bewaakt werden door oorlogsschepen. De koopvaardijschepen waren vaak zelf ook bewapend. De Kriegsmarine besloot daarom tot de zogeheten Rudeltaktik (Engels: Wolfpack). U-boten zochten hierbij individueel naar konvooien. Als een konvooi was gevonden, werd contact opgenomen met andere U-boten in de buurt en werd het konvooi omsingeld. 's Nachts kwamen de U-boten dan boven water en voeren razendsnel op het konvooi af. Door zo'n gecoördineerde aanval kon een heel konvooi tot zinken worden gebracht. In de eerste helft van 1942 werd deze methode ook toegepast in Operatie Paukenschlag waarmee de Duitsers de Amerikaanse kustvaart troffen.

De onderzeebootoorlog werd hierdoor steeds grimmiger. Bemanningen van vrachtschepen overleefden een aanval vaak niet, en het optreden tegen U-boten werd ook steeds harder. De Rudeltaktik was zo vernietigend voor de bevoorrading, dat de geallieerde oorlogsvoering in grote moeilijkheden kwam. Er waren maanden dat er nauwelijks nog een geallieerd bevoorradingsschip op zee te bekennen was.

U-bootbases[bewerken]

U-bootbasis in Saint-Nazaire

De U-boten werden ondergebracht in nieuwe onderzeebootbunkers. Het was Fritz Todt, minister van bewapening, die in 1941 de opdracht gaf tot de bouw ervan. Deze bunkers waren nodig om de luchtaanvallen van de RAF te kunnen overleven. Om deze gigantische structuren te bouwen gebruikten de Duitsers zo'n 300.000 dwangarbeiders en gevangenen die aangevoerd werden vanuit heel Europa. Sommige van deze bouwwerken staan er nu nog steeds, omdat het simpelweg te veel kost om ze af te breken.

Er waren bases in:

Prestaties van de U-boten[bewerken]

Tijdens de oorlog brachten de U-boten in totaal zo'n 3000 geallieerde schepen tot zinken. Ruim 95% van alle slachtoffers van U-boten waren koopvaardijschepen. De rest waren kleinere en grote oorlogsschepen: torpedobootjagers, kruisers en geallieerde onderzeeboten. Naar schatting kwamen zo'n 35.000 zeelieden om door toedoen van U-boten.

Er werden ook zeven zeer grote schepen tot zinken gebracht. In 1939 werd het slagschip HMS Royal Oak tot zinken gebracht door de U-47 van Günther Prien. In 1941 vernietigde de U-331 het slagschip HMS Barham. Verder werden vijf vliegdekschepen vernietigd, waaronder de HMS Ark Royal, het grootste schip van de Royal Navy.

Vanwege hun successen werden veel onderzeebootkapiteins beschouwd als helden. Ze werden hoofdrolspelers in groots opgezette propagandacampagnes en waren zeer populair onder de Duitse bevolking.

De volgende lijst geeft een indruk van de successen van de Duitse U-bootkapiteins en hun bemanningen aan de hand van het aantal tot zinken gebrachte schepen.

Verder zijn er nog Albrecht Brandi en Joachim Schepke, twee U-bootcommandanten die tijdens de oorlog om hun tactisch inzicht bekend werden.

Nieuwe ontwikkelingen[bewerken]

Tegenslag[bewerken]

Nieuwe radartechnieken, het breken van de Duitse Enigmacodes (zie ook Enigma en de U-bootoorlog) en verbeterde luchtverkenningsmogelijkheden maakten ten slotte een eind aan de grote successen. De Duitsers zochten daarom verwoed naar alternatieven. Tegen de luchtmacht konden ze niet veel méér beginnen met hun eigen radartechnieken. De U-boten waren al zwaar bewapend. Ze dachten de geallieerden te kunnen bestrijden met een andere manier van onderzeebootoorlog voeren met geheel vernieuwde en betere uitgeruste onderzeeërs.

Snorkel[bewerken]

Er werden ook eindelijk proefnemingen gedaan met de Schnorchel (snorkel), waarvan men nu de waarde inzag. Na de inval in Nederland in mei 1940 hadden de Duitsers ontdekt dat de Nederlandse onderzeeërs uitgerust waren met dit apparaat. Ze hadden er echter weinig aandacht aan geschonken. Nu de strijd in hun nadeel verliep begonnen ze geforceerd snel dit soort verbeteringen toe te passen. Met behulp van de snorkel kon een onderzeeboot onder water lucht aanzuigen voor de dieselmotoren. Zodoende kon de toren onder water blijven en een snorkel van 11 meter lengte uitlaten tot net boven het wateroppervlak. Hierdoor konden de batterijen ook onder water worden opgeladen, wat voordien onmogelijk was. Dankzij de snorkel bleef het schip tijdens het laden onzichtbaar voor de vijandelijke radar.

Akoestische torpedo[bewerken]

Admiraal Dönitz verwachtte dat de doeltreffendheid van zijn onderzeebootwapen aanzienlijk verbeterd kon worden door de ingebruikneming van de nieuwe akoestische torpedo. Noch de contactontsteking, noch de magnetische ontsteking was onder gevechtsomstandigheden ideaal gebleken, omdat de faalkans te groot bleef. De akoestische torpedo's, die reageerden op het geluid van scheepsmachines van de vijandelijke schepen, moesten daarom in 1943 versneld in gebruik genomen worden.

Walter-aandrijving[bewerken]

Dönitz zette door de nood gedwongen haast achter de nieuwe Walter-ontwerpen, met name de nieuwe U-boot die waterstofperoxide als brandstof gebruikte. Dat model lag op de tekentafel maar bij zo'n geheel nieuwe uitvinding namen ontwikkeling en beproeving uiteraard veel tijd in beslag. Omdat het niet te verwachten was dat voor 1945 de Walter-U-boten operationeel zouden kunnen zijn werd nog een nieuw type met een klassieke maar sterk verbeterde diesel-elektrische aandrijving ontwikkeld: het Type XXI.

Dönitz verwachtte veel van het Type XXI, dat een waterverplaatsing had van 1600 ton, een oppervlaktesnelheid van 15,5 knopen en, bij een onderwatersnelheid van 10 knopen, een actieradius van 110 mijl. Wat nog belangrijker was: bij onderwater-aanvallen zou de boot gedurende korte perioden van maximaal een uur een snelheid van 17,5 knopen kunnen ontwikkelen. Dat was - vergeleken bij de 5 à 6 knopen van zijn voorgangers - een aanzienlijke verbetering. Een kleinere versie van 232 ton, het type XXIII met een onderwatersnelheid van 12,5 knopen, werd ontworpen voor gebruik in de kustwateren.

Hitler, die zich ernstig bezorgd maakte over de ontwikkelingen aan het U-boot-front, gaf opdracht voor een versneld bouwprogramma van 22 Type-XXI-boten en 10 Type-XXIII-boten per maand. Eind 1943 werd met de bouw ervan begonnen op werven in Hamburg, Bremen en Dantzig. De boten werden in acht secties gebouwd en later samengevoegd.

Het leven aan boord van een U-boot[bewerken]

De U-36

Terwijl de U-bootcommandanten werden gemythologiseerd en geromantiseerd als helden, was het leven aan boord van een U-boot verre van romantisch. Volgens sommige historici behoorde de Unterwasser Marine tot de zwaarste en gevaarlijkste onderdelen van de Duitse strijdkrachten.

De 45-koppige bemanning van een onderzeeër zat maandenlang opgesloten in een donkere, vochtige en smerige ruimte van niet langer dan 50 meter en niet breder dan 3 meter. Er was vrijwel altijd lawaai van de diesel- of elektromotoren en doordat de warmte van deze motoren niet kon ontsnappen liepen de temperaturen soms op tot boven de 50 graden Celsius. De lucht was doordrongen van de geur van zweet, olie, beschimmelde kleren en uitlaatgassen. Het plafond hing vol met voedsel. Er was in de U-boot geen stromend water en maar 1 toilet voor 45 man. De bemanningsleden konden zich zelden wassen of scheren.

Het voedsel beschimmelde, door de combinatie van hitte en vocht, razendsnel: vers fruit ging 2 weken mee en bruinbrood was na 3 weken zo beschimmeld dat het door de bemanning een wit konijn werd genoemd. Vlees ging, dankzij de hoeveelheid pekel, iets langer mee. Tegen het einde van een reis leefde de bemanning op ingeblikte vis en bier.

Het grootste probleem was de krappe ruimte: iedere centimeter werd benut. Bemanningsleden moesten hun bed delen met twee andere personen: ze werkten in ploegendiensten; als de een sliep was de ander aan het werk. Privacy aan boord van een U-boot bestond niet. Ook de torpedoruimte vooraan was krap bemeten voor de torpedobedieners die er moesten werken, leven en slapen. Als de torpedo's verschoten waren, hadden de torpedisten wat meer ruimte en bewegingsvrijheid.

De combinatie van een gebrek aan daglicht, krappe ruimte, slechte hygiëne en gebrek aan privacy leidde ertoe dat bemanningsleden soms psychisch volledig van slag raakten.

Het gevaar[bewerken]

De ondergang van de U-175

De zware leefomstandigheden op een onderzeeër gedurende een gevechtsmissie vielen echter in het niet bij het gevaar dat dikwijls op de loer lag. Een U-boot kon zelden overdag varen omdat ze dan opgemerkt kon worden door vijandige vliegtuigen. Ook torpedobootjagers patrouilleerden continu en hadden uitstekende sonar-apparatuur waarmee ze de U-boten konden opsporen.

Het gevaarlijkste moment was wanneer een U-boot werd bestookt met dieptebommen. De bemanning kon dan niet veel anders doen dan afwachten of de boot wel of niet geraakt zou worden. Als een U-boot geraakt werd was het in 90% van de gevallen fataal: alle bemanningsleden kwamen dan om het leven. Slechts zelden kon een beschadigde boot met overlevenden nog boven water komen.

Soms was de natuur een grotere vijand dan de geallieerde marine. Bij hevige storm kon een U-boot kapseizen, en de golven sloegen soms zo over het schip dat het levensgevaarlijk was om op de commandotoren te staan. De U-boten hadden ook last van technische mankementen. Tijdens een oefening in 1938 kwam de hele bemanning om het leven toen de poorten van de ballasttanks het begaven. De tanks stroomden vol water en de U-boot zakte naar een diepte van 300 meter waar ze door de druk vernietigd werd.

Ook de eigen torpedo's konden een gevaar vormen voor een U-boot bemanning. Bij de roedeltactiek kwam het soms voor dat een U-boot door een verdwaalde torpedo van een andere U-boot werd getroffen. Veel torpedo's waren technisch niet in orde, soms stopte de aandrijfmotor al na een paar meter, andere hadden een defecte gyroscoop waardoor ze van hun koers afweken. En soms raakte een torpedo wel haar doel maar ontplofte niet. Af en toe ontplofte een torpedo veel te vroeg waardoor de locatie van de U-boot verraden werd. Naar schatting is bij 60% van alle torpedo's die gedurende de oorlog zijn afgevuurd, iets misgegaan.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog, zijn meer dan 700 U-boten met ruim 30.000 bemanningsleden vergaan[bron?]. De bemanningsleden waren zelden ouder dan 20 jaar en hadden een gemiddelde leeftijd van 17 jaar. De gemiddelde leeftijd van kapiteins lag rond de 30. Slechts een handvol bemanningsleden kan zeggen dat ze een U-bootramp hebben overleefd. Meestal verging het schip met de gehele bemanning.

De Duitse journalist Lothar-Günther Buchheim maakte tijdens de oorlog een reis met een U-boot mee. Later schreef hij over de reis het boek Das Boot. In de verfilming uit 1981 (Das Boot) worden de gevaren en de moeilijke omstandigheden op beklemmende wijze verbeeld.

De kracht van de U-bootmarine[bewerken]

Het voorgaande zou de indruk kunnen wekken dat de U-boot een volstrekte mislukking was. Niets is echter minder waar: de U-boot was een van de effectiefste wapens uit de gehele oorlog. Dit kwam vooral door de perfecte coördinatie: Karl Dönitz, opperbevelhebber van de U-bootvloot en zelf een onderzeebootveteraan uit de Eerste Wereldoorlog, bouwde een uitgestrekt netwerk van onderzeeboten over de gehele oceaan.

Een tweede reden van het succes was de uitstekende communicatie: de U-boten hadden radio-apparatuur waarmee ze snel en over een grote afstand met elkaar konden communiceren. Al deze radioberichten werden in Enigma-code verzonden, die de geallieerden aanvankelijk niet konden ontcijferen.

De ondergang van de U-bootmarine[bewerken]

Van 1939 tot 1941 ging alles naar wens met het U-bootwapen. Net toen de Britten zich enigszins hadden leren verweren tegen de U-boottactiek, gingen de Amerikanen deelnemen aan de oorlog (december 1941). Ook zij moesten op hun beurt veel leergeld betalen. In het voorjaar van 1943 ging het vrij plotseling bergafwaarts met de resultaten van de U-boten. Het aantal tot zinken gebrachte geallieerde schepen nam sterk af, en het aantal eigen verliezen nam even sterk toe. De daarop volgende twee jaar werd de U-bootmarine steeds verder uitgedund, en aan het einde van de oorlog bestond ze nauwelijks meer. Hoe heeft dit kunnen gebeuren?

  • De geallieerden kregen steeds betere radarinstallaties waardoor ze alle onderzeeboten die aan de oppervlakte voeren konden opsporen. Ook 's nachts waren U-boten zichtbaar op de radar.
  • De geallieerden patrouilleerden doorlopend met vliegtuigen, het was daardoor voor U-bootcommandanten bijna onmogelijk om overdag ongezien boven water te varen.
  • De geallieerden waren zeer innovatief bij het verbeteren van wapens en opsporingsapparatuur. De nieuwe ASDIC-sonar was een grote verbetering, en de dieptebommen werden steeds doeltreffender.
  • De belangrijkste reden voor de ondergang van de U-bootmarine was echter het kraken van de codeberichten, die versleuteld waren door middel van de Enigma codeermachine. De Duitsers wisten niet dat hun communicatie afgeluisterd en ontcijferd werd door de geallieerden.

Ook niet onbelangrijk was dat de Duitse marine lang niet zoveel schepen kon bouwen als de tegenstander. De grote scheepswerven hadden al in het begin van de oorlog zwaar te lijden van frequente bombardementen. In die eerste oorlogsjaren kon de oorlogsindustrie de verliezen nog wel vervangen, maar na 1942 werden de bombardementen steeds zwaarder. De scheepswerven vielen ten slotte vrijwel geheel uit. Ook werden de prioriteiten voor de Duitse wapenindustrie in de loop van de oorlogsjaren steeds meer verlegd ten gunste van de Heer, de landmacht. De Kriegsmarine had ten slotte slechts een paar honderd U-boten over die, wanneer ze eenmaal tot zinken gebracht waren, niet meer vervangen konden worden. De geallieerde schepen werden daarentegen allemaal gebouwd in het veilige Amerika. De geallieerden bouwden duizenden schepen volgens een soort lopendebandsysteem. Een voorbeeld hiervan is het beroemde liberty-schip, gebouwd met standaardonderdelen, dat binnen 10 dagen nadat de kiel gelegd was te water kon worden gelaten. Ondanks het torpederen door de Duitsers van vele geallieerde schepen bleef er zodoende voldoende scheepstonnage voorhanden.

Verschillende typen onderzeeboten[bewerken]

Gedurende de Tweede Wereldoorlog liet de Kriegsmarine verschillende typen U-boten bouwen. In de verschillende klassen is de technologische vooruitgang te zien. Type VII kwam verreweg het meest voor. Tussen 1939 en 1943 werden er bijna 500 van gebouwd. Er waren types voor verschillende doeleinden: de XIV werd bijvoorbeeld gebruikt voor de bevoorrading van andere U-boten, en de XXIII was speciaal gebouwd voor ondiep kustwater. Vrijwel alle types hadden dezelfde aandrijving: een dieselmotor voor boven water en een elektromotor voor onder water. De accu's van deze motor dienden met een dynamo opgeladen te worden. Deze dynamo werd aangedreven door een dieselmotor. De meeste U-boten moesten dus regelmatig op snorkeldiepte of boven water varen om de accu's op te laden.

  • Type I, ontworpen als oceaanwaardige boot.
  • Type II, voor gebruik in kustwateren.
  • Type VII, voor middellange afstand. Het meest geproduceerde type.
  • Type IX, voor lange afstand.
  • Type X, ontworpen als mijnenlegger, ook als bevoorradingsschip ingezet.
  • Type XIV, ontworpen als bevoorradingsschip.
  • Type XVII, de zogenoemde Walter-onderzoeksboten.
  • Type XVIII, de zogenoemde Walter-boten.
  • Type XXI, een groot type boot met zware diesel-elektrische aandrijving om lang onder water te kunnen blijven.
  • Type XXIII, een kleinere uitvoering met diesel-elektrische motoren.
  • Type Seehund, een kleine tweemans onderzeeër.
  • Type Biber, experimentele eenpersoonsonderzeeboot voor geheime operaties. Deze waren vaak niet langer dan 5 meter en waren bewapend met 2 torpedo's. In praktijk zijn ze nauwelijks gebruikt.

Zie ook[bewerken]

Externe link[bewerken]