Francis Poulenc
| Francis Poulenc | ||||
|---|---|---|---|---|
Francis Poulenc met Wanda Landowska | ||||
| Algemene informatie | ||||
| Volledige naam | Francis Jean Marcel Poulenc | |||
| Geboortedatum | 7 januari 1899 | |||
| Geboorteplaats | Parijs[1][2][3] | |||
| Overlijdensdatum | 30 januari 1963 | |||
| Overlijdensplaats | Parijs | |||
| Land | ||||
| Opleiding gevolgd aan | Lycée Condorcet | |||
| Werk | ||||
| Genre(s) | klassiek | |||
| Beroep(en) | componist | |||
| Instrument(en) | piano | |||
| Werken in collectie | Stedelijk Museum Amsterdam | |||
| (en) AllMusic-profiel (en) Discogs-profiel (en) IMDb-profiel (en) Last.fm-profiel (en) MusicBrainz-profiel | ||||
| ||||
Francis Jean Marcel Poulenc (Parijs, 7 januari 1899 – Parijs, 30 januari 1963) was een Franse componist.
Levensloop
[bewerken | brontekst bewerken]Francis Poulenc werd geboren als zoon van de grootindustrieel Émile Poulenc (1855-1917) en de amateurpianiste Jenny Royer (1864-1915). Zijn vader was een van de stichters van het farmaciebedrijf Rhône-Poulenc. Reeds jong kreeg Francis pianoles van zijn moeder. Toen hij 15 à 16 jaar oud was, kreeg hij lessen van de pianist Ricardo Viñes, een vriend van Claude Debussy en Maurice Ravel. In Parijs raakte hij bevriend met avant-gardeschrijvers als Guillaume Apollinaire, Jean Cocteau en Paul Éluard, van wie hij veel poëzie op muziek zou zetten.
Als componist was Poulenc vrijwel autodidact; zijn eerste composities maakte hij rond zijn 18e wereldkundig zonder dat hij compositie-onderricht had genoten. Daarbij zijn de nog steeds veel gespeelde solopianostukken Trois mouvements perpétuels (1919) en de liederencyclus Le Bestiaire (1918) op tekst van Apollinaire. Rond die tijd sloot hij zich aan bij de Groupe des Six, zes jonge Franse componisten die zich verzetten tegen de zware romantiek en de invloed van Richard Wagner. Als mentors van deze groep, die bestond uit Georges Auric, Louis Durey, Arthur Honegger, Darius Milhaud en Germaine Tailleferre, gelden Jean Cocteau en de iets oudere, dadaïstische componist Eric Satie. Ofschoon de groep al spoedig uiteenviel, en vooral Honegger en Milhaud in hun tijd bekend zijn geworden, is 'Groupe des Six' nog altijd het etiket dat op de muziek van Poulenc geplakt wordt: lichtvoetig, melodieus, gemakkelijk en humoristisch.
Van 1921-1925 genoot hij gedurende enkele jaren compositie-aanwijzingen van Charles Koechlin, een leerling van Gabriel Fauré. In deze periode valt zijn ballet Les Biches, dat in 1924 in première ging bij de Ballets Russes van Serge Diaghilev. In 1926 leerde hij de bariton Pierre Bernac kennen, voor wie hij meer dan 90 liederen zou schrijven en met wie hij als pianist talloze recitals zou geven, in de jaren 1935-1959.
In 1927 kocht Poulenc een landhuis in Noizay (Indre-et-Loire), Le Grand Coteau, waar hij de gelegenheid had rustig te componeren.[4] In deze periode had hij voor het eerst een vaste relatie, met de schilder Richard Chanlaire, aan wie hij zijn Concert champêtre (1928) voor klavecimbel en orkest opdroeg.
Van Poulenc wordt gezegd dat hij nieuwe melodieën wist te maken in een tijd waarin men van mening was dat er op dat terrein weinig nieuws meer te ontwikkelen was. Zijn composities zijn inderdaad sterk op de melodie gericht. Zijn muziek kan op de luisteraar daardoor overkomen als een opeenvolging van vele grotere en kleinere thema's, zonder dat die diepgaand worden uitgewerkt. Hij hield daarbij vast aan de tonaliteit. Poulenc schreef werken in allerlei muzikale genres.

Poulenc leefde het grootste deel van zijn leven in zijn geboortestad Parijs. Hij overleed er in 1963 aan een hartaanval en werd begraven op het beroemde Parijse kerkhof Père-Lachaise.
Composities (selectie)
[bewerken | brontekst bewerken]Orkestwerken
[bewerken | brontekst bewerken]- 1921: Les mariés de la Tour Eiffel, voor orkest
- 1928: Concert champêtre, voor klavecimbel en orkest
- Allegro molto
- Andante (Mouvement de Sicilienne)
- Finale
- 1929: Aubade, een "Choreografisch gedicht" voor piano en 18 instrumenten
- 1932: Concert in d mineur, voor 2 piano's en orkest (1932)
- Allegro ma non troppo
- Larghetto
- Finale: Allegro molto
- 1935: Suite française d'après Claude Gervaise, voor orkest
- Bransle de Bourgogne
- Pavane
- Petite marche militaire
- Complainte
- Bransle de Champagne
- Sicilienne
- Carillon
- 1937: Deux Marches et un intermède (kamerorkest: fluit, hobo, klarinet, fagot, trompet en strijkers)
- Marche 1889
- Intermède champêtre
- Marche 1937
- 1938: Concert voor orgel, strijkers en pauken
- 1939: Deux Préludes posthumes et une gnossienne, orkestratie van drie pianostukken van Erik Satie
- 1947: Sinfonietta (compositie voor orkest, opgedragen aan Georges Auric)
- Allegro con fuocco
- Molto vivace
- Andante cantabile
- Final
- 1949: Concerto pour piano et orchestre
- Allegretto
- Andante
- Rondeau à la française
- 1952: Matelot provençale, vijfde deel uit La Guirlande de Campra, een serie variaties en meditaties op een thema uit de 18e-eeuwse opera Camille van André Campra uit 1717
- 1956: Bucolique, voor orkest, zevende deel uit Variations sur le nom de Marguerite Long
Muziektheater
[bewerken | brontekst bewerken]Opera's
[bewerken | brontekst bewerken]| Voltooid in | titel | aktes | première | libretto |
|---|---|---|---|---|
| 1920 | Le Gendarme incompris | 1 akte | 24 mei 1921, Parijs, Théâtre Michel | Jean Cocteau en Raymond Radiguet naar Stéphane Mallarmé |
| 1944 | Les mamelles de Tirésias | proloog en 2 aktes | 1e versie met groot orkest: 3 juni 1947, Parijs, Opéra-Comique; 2e versie met kamerorkest: 5 maart 1963, Milaan, Piccola Scala |
Guillaume Apollinaire |
| 1945 | L'Histoire de Babar, le petit éléphant; georkestreerd in 1962 door Jean Françaix |
Jean de Brunhoff | ||
| 1953-1955 | Dialogues des Carmélites, op. 159 | 3 aktes, 12 taferelen | 26 januari 1957, Milaan, Teatro alla Scala | Georges Bernanos, Albert Béguin en Philippe Agostini naar Gertrud von Le Fort novel "Die Letzte am Schafott" |
| 1958 | La Voix humaine | 1 akte | 6 februari 1959, Parijs, Opéra-Comique | Jean Cocteau |
| 1961 | La Dame de Monte-Carlo, op. 180 | 1 scène | november 1961, Monte Carlo | Jean Cocteau |
Balletten
[bewerken | brontekst bewerken]| Voltooid in | titel | aktes | première | libretto | choreografie |
|---|---|---|---|---|---|
| 1922-1923 | Les biches, op. 36 | 1 akte | 1924 | Bronislava Nijinska | |
| 1940-1941 | Les animaux modèles | 1 akte | 1942 | Serge Lifar |
Koorwerken
[bewerken | brontekst bewerken]- 1922, rev. 1945: Chanson à boire, lied voor mannenkoor, geschreven voor de Harvard Glee Club, op een 17e-eeuws anoniem gedicht
- 1936: Sept chansons, liederen voor gemengd koor op gedichten van Appolinaire, Eluard en Legrand
- 1936: Litanies à la Vierge Noire, voor vrouwen- of kinderkoor en orgel
- 1936: Petites voix, voor vrouwenkoor (SSA) a capella
- 1937: Mis in g-groot, voor gemengd koor a capella
- 1937: Sécheresses, cantate voor gemengd koor en orkest
- 1939: Quatre Motets pour un temps de pénitence, motetten voor gemengd koor a capella
- 1939: Exultate Deo, motet voor gemengd koor a capella
- 1941: Salve Regina, gemengd koor a capella
- 1943, rev. 1959: Figure humaine, cantate voor gemengd dubbelkoor a capella
- 1945: Un soir de neige, kamercantate voor 6 gemengde stemmen of kamerkoor, op teksten van Paul Eluard
- 1945-1946: Chansons françaises, liederen voor gemengd koor a capella op traditionele Franse teksten
- 1948: Quatre Petites prières de Saint-François d'Assise, gebedsliederen voor mannenkoor a capella
- 1950: Stabat Mater, koorwerk met orkestbegeleiding voor sopraan, gemengd koor en klein orkest
- 1951-1952: Quatre Motets pour un temps de Noël, motetten voor gemengd koor a capella
- 1952: Ave verum corpus, voor vrouwenkoor a capella
- 1957-1959: Laudes de Saint Antoine de Padoue, voor mannenkoor a capella
- 1959: Gloria, voor sopraan, gemengd koor en orkest
- 1961: -1962 Sept Répons des Ténèbres, voor jongenssopraan, gemengd mannenkoor en orkest
Kamermuziek
[bewerken | brontekst bewerken](De werken met twee jaartallen zijn later gereviseerd door Poulenc zelf.)
- 1918, rev. 1945: Sonate, voor twee klarinetten (op. 7)
- 1918: Sonate, voor viool en piano (op. 12)
- 1918? rev. 1946 Trois mouvements perpétuels, voor 9 instrumenten ( op. 14)
- 1922, rev. 1945: Sonate, voor klarinet en fagot (op. 32)
- 1922, rev. 1945: Sonata, voor hoorn, trompet en trombone (op. 33)
- 1926: Trio, voor hobo, fagot en piano (op. 43)
- 1932: Bagatelle in d klein, voor viool en piano (op.60.III)
- 1932, rev. 1939: Sextuor (sextet) voor piano en blaaskwintet (op. 100)
- 1934: Villanelle, voor pijp en piano (op. 74)
- 1935: Suite française voor 2 hobo's, 2 fagotten, 2 trompetten, 3 trombones, slagwerk en klavecimbel (op. 80)
- 1940, rev. 1948: Sonate voor cello en piano (op. 143)
- 1942, rev. 1949: Sonate voor viool en piano (op. 119)
- Allegro con fuoco
- Intermezzo
- Presto tragico
- 1942: Un joueur de flûte berce les ruines voor fluit solo
- 1956-1957: Sonate voor fluit en piano (op. 164)
- Allegretto malincolico
- Cantilena: Assez lent
- Presto giocoso
- 1957: Elegie voor hoorn en piano (op. 168, ter nagedachtenis aan Dennis Brain)
- 1962: Sonate voor klarinet en piano (op. 184)
- Allegro tristamente (Allegretto - Très calme - Tempo allegretto)
- Romanza (Très calme)
- Allegro con fuoco (Très animé)
- 1962: Sonate voor hobo en piano (op. 185, ter nagedachtenis aan Sergej Prokofjev, Poulencs laatste werk)
- Elégie (Paisiblement, Sans Presser)
- Scherzo (Très animé)
- Déploration (Très calme)
Pianowerken
[bewerken | brontekst bewerken]- 1918: Sonate pour piano à quatre mains, voor piano vier-handig
- Prélude
- Rustique
- Final
- 1918: Trois Mouvements perpétuels
- Asséz modéré
- Très modéré
- Alerte
- 1918-1928: Trois pièces pour piano
- Pastorale
- Toccata
- Hymne
- 1919: Valse (vijfde deel uit het Album des Six)
- 1920: Cinq Impromptus (herzien in 1939)
- 1920: Suite en ut, in C majeur, opgedragen aan Ricardo Viñes
- Presto
- Andante
- Vif
- 1924: Promenade (herzien in 1952, opgedragen aan Arthur Rubinstein)
- A pied
- En auto
- A cheval
- En bateau
- En avion
- En autobus
- En voiture
- En chemin de fer
- A bicyclette
- En diligence
- 1925: Napoli, een suite in drie delen
- Barcarolle
- Nocturne
- Caprice italien
- 1927: -1928 Deux Novelettes(herzien in 1939)
- 1929: Pièce brève sur le nom d'Albert Roussel (het derde deel uit Hommage à Albert Roussel, geschreven ter ere van Roussels 60e verjaardag)
- 1929-1938: Huit Nocturnes
- 1932: Valse-improvisation sur le nom de Bach (derde deel uit Hommage à J.S. Bach, opgedragen aan Vladimir Horowitz)
- 1932: Improvisations
- 1932: Intermezzo in d mineur
- 1933: Feuillets d'album
- 1933: Villageoises voor kinderen
- 1934: Intermezzo in Des majeur
- 1934: Intermezzo in C majeur
- 1934: Presto, Badinage et Humoresque (opgedragen aan Horowitz)
- 1936: Les Soirées de Nazelles (gestart in 1930, later afgemaakt)
- 1937: Bourrée au Pavillion d'Auvergne (vijfde deel uit A l'exposition)
- 1940: Mélancolie (première in 1941 in Salle Gaveau in Parijs)
- 1951: L'embarquement pour Cythère, een valse-musette voor twee piano's, onderdeel van Poulencs filmmuziek voor Le voyage en Amérique
- 1951: Thème varié, thema met 11 variaties
- 1952: Capriccio (d'après le Bal masqué), voor 2 piano's
- 1952-1953: Sonate voor 2 piano's
- Prologue
- Allegro molto
- Andante Lyrico
- Epilogue
- 1959: Novellette en mis-mineur sur un thème de Manuel de Falla
- 1960: Élégie (en accords alternés) pour deux pianos , elegie voor 2 piano's ter nagedachtenis aan Marie-Blanche de Polignac
Opnames van Poulencs werken
[bewerken | brontekst bewerken]- Lijst met verschillende opnames (Officiële website)
- Francis Poulenc - Stabat Mater. Stabat Mater en Sept Répons des Ténèbres door Cappella Amsterdam, Estonian Philharmonic Chamber Choir, Estonian National Symphony Orchestra o.l.v. Daniel Reuss (harmonia mundi 2013)
Externe link
[bewerken | brontekst bewerken]- Emmanuel Chabrier (Emmanuel Chabrier, engl.), London: Dobson, 1981. 104 S.
- Journal de mes melodies, London: Gollancz, 1985. 160 S. (translation by Winifred Radford)
Bibliografie
- Erik Fokke: Francis Poulenc, Monnik en kwajongen, Amsterdam (Boom), 1999; rev. Amsterdam (Sun), 2007, ISBN 978-90-8506-4916
- Jean-Noël von der Weid: La musique du xxe siècle, Paris: Hachette Littératures, 2005, 720 p., ISBN 978-2-01-235948-2
- Mário Moreau: O Teatro de S. Carlos: Dos Séculos de História, Vol. II, Lisboa: Hugin Editores, 1999, 1440 p., ISBN 972-8534-20-5, ISBN 972-8534-21-3
- Alain Lacombe, François Porcile: Les musiques du cinéma français, Paris: Bordas, 1995, 328 p., ISBN 978-2-04-019792-6
- Francis Claudon: Dictionnaire de l'opéra-comique français, Paris: Peter Lang, 1995, 531 p., ISBN 3-906753-42-5, ISBN 978-3-906753-42-3
- Jean Roy: Le groupe des six, Solfèges, Le Seuil, 1994, 222 p., ISBN 2-02-013701-1
- Jacques-Emmanuel Fousnaquer, Claude Glayman, Christian Leble: Musiciens de notre temps depuis 1945, Paris: Editions Plume, 1992, 542 p., ISBN 978-2-7021-2083-5
- Martine Cadieu: A l'écoute des compositeurs (Entretiens, 1961-1974), Minerve, 1992, 284 p., ISBN 978-2-86931-057-5
- Maurice Fleuret: Chroniques pour la musique d'aujour'hui, Arles (Bouches-du-Rhône), B. Coutaz, 1992, 275 p., ISBN 2-87712-049-X
- David Poultney: Dictionary of western church music, Chicago: American Library Association, 1991, 234 p., ISBN 0-8389-0569-2
- Hanno Ehrler: Untersuchungen zur Klaviermusik von Francis Poulenc, Arthur Honegger und Darius Milhaud, Tutzing: Hans Schneider Verlag, 1990, 287 p., ISBN 978-3-7952-0653-6
- J. Perry White: Twentieth-century choral music - An annotated bibliography of music suitable for use by high school choirs, Second edition, Metuchen, N.J.: Scarecrow Press, 1990, 214 p., ISBN 978-0-8108-2394-5
- Mary Ann Stringer: Diversity as style in Poulenc's chamber works with piano, Oklahoma (Norman). 1986. dissertatie
- J. N. Cox: Dadaist, cubist and surrealist influences in settings by Francis Poulenc of contemporary French poets, Oxford. 1986. dissertatie
- Richard Arnold Berry: Francis Poulenc's settings of poems of Paul Éluard for solo voice and piano - A reflection of French artistic moods from 1920 to 1960, Missouri (Kansas City). 1985. dissertatie
- Michel Poupet: Francis Poulenc: Georges Bernanos "Dialogues des Carmelites" souvenirs et quelques reflexions, L'Education Musicale. 40 (1983), No. 299/300, S. 3-10.
- Pamela Lee Poulin: Three stylistic traits in Poulenc's chamberworks for wind instruments, Eastman School of Music (Rochester, N.Y.). 1983. dissertatie
- Annelies Langner: Programmusik Jean de Brunhoff: Francis Poulenc: "Die Geschichte von Babar, dem kleinen Elefanten", Musik und Bildung. 14 (1982), S. 101-105.
- Keith William Daniel: Francis Poulenc: His Artistic Development and Musical Style, Ann Arbor: UMI Research Press, 1982, 390 p.
- Keith William Daniel: Francis Poulenc: His Artistic Development and Musical Style, Buffalo, N.Y. 1980. dissertatie
- Gisela Glagla: "Ich bin ein Melancholiker, der zu lachen liebt". Zwischen Belle Epoque und Moderne - Der französische Komponist Francis Poulenc, Musik und Medizin. 1981, H. 20, S. 71-74 u. 77.
- Karen L. Keltner: A conductor's analysis for performance of the two a capella cantatas of Poulenc, with a survey of his secular choral works, Indiana (Bloomington). 1980. dissertatie
Referenties
- ↑ Gemeinsame Normdatei; geraadpleegd op: 11 december 2014.
- ↑ Grote Sovjetencyclopedie (1969–1978); geraadpleegd op: 28 september 2015; paragraaf of sectie: Пуленк Франсис.
- ↑ Archivio Storico Ricordi; geraadpleegd op: 3 december 2020; Archivio Storico Ricordi-identificatiecode voor persoon: 896.
- ↑ (fr) Le compositeur et pianiste Francis Poulenc (1899-1963) à Noizay. Archives d'Indre-et-Loire. Geraadpleegd op 5 mei 2025.