Geallieerde bezettingszones in Oostenrijk

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Allied Besatzungszonen in Österreich
 Nazi-Duitsland 1945 – 1955 Oostenrijk 
Vlag van Oostenrijk Austria Bundesadler.svg
Kaart
1945
1945
Algemene gegevens
Hoofdstad Wenen
Oppervlakte 83.871
Talen Duits
Munteenheid Schilling
Regering
Regeringsvorm Federale republiek
Oostenrijk in de geschiedenis

Avaarse Mark (791-843)
Marcha Orientalis (843–907)
Marcha Austriae (976-1156)
Hertogdom Oostenrijk (1156–1453)
Aartshertogdom Oostenrijk (1453–1804)

Oostenrijkse Kreits (1512–1806)
Habsburgse Monarchie (1526–1804)

Keizerrijk Oostenrijk (1804–1867)
Ausgleich (1867)
Oostenrijk-Hongarije (1867–1918)
Republiek Duits-Oostenrijk (1918–1919)
Eerste Oostenrijkse Republiek (1919–1938)


Anschluss (1938)
Groot-Duitse Rijk (1938–1945)
Geallieerde bezettingszones (1945–1955)


Tweede Oostenrijkse Republiek (1955-heden)


Portaal  Portaalicoon  Geschiedenis

Oostenrijk, de Donau- und Alpengaue van het Derde Rijk, werd na de Tweede Wereldoorlog van 1945 tot 1955 bezet door de vier geallieerde mogendheden. Het land werd opgedeeld in vier bezettingszones.

Bezettingszones in Oostenrijk[bewerken | brontekst bewerken]

De bezettingszones en het gemeenschappelijk bestuur van de stad Wenen werden op 4 juli 1945 vastgesteld in de eerste geallieerde controleovereenkomst. De globale verdeling had echter al eerder, bij het Verdrag van Moskou van 30 oktober 1943, plaatsgevonden. Op dit verdrag werden enkele wijzigingen aangebracht, toen Frankrijk als vierde bezettingsmacht werd toegevoegd. Waarschijnlijk was de geplande verdeling van Oostenrijk bij de Wehrmacht en de SS al bekend aangezien al in januari 1945 talrijke nazi's zich vestigden in de later door de Amerikanen bezette Salzkammergut.

De bezettingszones bestonden, met uitzondering van Wenen, uit:

Om van de ene zone naar de andere te reizen had men een geallieerde identiteitskaart nodig. Deze was moeilijk te krijgen en moest voorzien zijn van elf verschillende stempels. In juli 1954 werden deze controles opgeheven.

Bezettingszones in Wenen[bewerken | brontekst bewerken]

Wenen werd oorspronkelijk, net als Berlijn, door de Sovjet-Unie bezet. Pas na de Conferentie van Potsdam in augustus 1945 kwamen ook andere geallieerde troepen naar de hoofdstad. Hierbij werd de stad verdeeld in vier zones. De hoofdkwartieren van de verschillende bezettingsmachten waren gevestigd in Schloss Schönbrunn (Britten), de Oostenrijkse nationale bank (Amerikanen), hotel Kummer (Fransen) en in Baden bei Wien, net buiten Wenen (Sovjet-Unie).

De bezettingszones in Wenen

De zonegrenzen waren weliswaar duidelijk aangegeven, maar reizen tussen de verschillende zones was wel mogelijk. De saamhorigheid van de vier machten moest in de politie tot uitdrukking komen, waar van iedere bezetter één soldaat bij een patrouille hoorde. Dit mislukte echter, wat tot gevolg had dat Wenen het centrum van de spionage tussen de vier landen werd. Geïnspireerd door dit thema werden de speelfilms De derde man en Die Vier im Jeep gemaakt.

Bij de afbakening van de sectorgrenzen werd uitgegaan van de Weense gemeentegrenzen uit 1937, vóór de oprichting van het zogenaamde Groot-Wenen. De districten werden als volgt verdeeld:

  • Internationale zone (elke maand afwisselend door de vier machten): 1e district (binnenstad van Wenen);
  • Verenigde Staten: districten 7, 8, 9, 17, 18 en 19;
  • Groot-Brittannië: districten 3, 5, 11, 12 en 13;
  • Frankrijk: districten 6, 14, 15 en 16;
  • Sovjet-Unie: districten 2, 4, 10, 20, 21 en 22.

Verhouding tot de bezetters[bewerken | brontekst bewerken]

Waar de geallieerden in eerste instantie als bevrijders werden onthaald, ontstonden later spanningen tussen de bevolking en de bezettingsmachten. Reden hiervoor was het hevige nationaalsocialisme onder de Oostenrijkse bevolking ten tijde van de Anschluss en de oorlog, wat kwaad bloed zette bij de geallieerden. Een andere reden was de propaganda onder het Duitse Rijk, dat de angst voor de vijand flink had opgewekt. De hoofdreden was echter de onzekere toekomst voor de bevolking met daarbij de angst voor een communistische overheersing.

In de Russische zone werden nazi's en SS'ers naar Siberië verbannen. Vaak werden nabestaanden hierover in het ongewisse gelaten. Onder andere hierdoor steeg het aantal zelfmoorden enorm. Omdat de wederopbouw voorrang moest krijgen en primaire levensbehoeften als voedsel, water, nutsvoorzieningen en transport veiliggesteld moesten worden, werden zogenoemde minderbelasten hiervoor ingezet. Hierdoor ontstond de situatie dat ambtenaren en officieren die eerder het naziregime hadden ondersteund, plaats kregen in de nieuwe overheidsinstellingen.

De spanning onder de bevolking steeg ten tijde van de Blokkade van Berlijn. Een luchtbrug van de geallieerden, zoals in Berlijn, was in Wenen onmogelijk. De beide luchthavens van de stad lagen immers in sovjetgebied. Daarom werden kleine start- en landingsbanen in Heiligenstadt en voor Paleis Schönbrunn aangelegd. Hier konden kleine vliegtuigen landen. Een volledige luchtbrug voor aanvoer van alle levensbehoeften zou echter niet mogelijk zijn geweest.

De relatie met de bezetters was niet alleen maar slecht, want van de Verenigde Staten kreeg heel Oostenrijk, dus ook de delen van de Sovjet-Unie, Marshallhulp. Hierdoor ging het met Oostenrijk economisch steeds beter, het eerste jaar steeg het nationaal inkomen zelfs met 14%.[1]

Bestuur[bewerken | brontekst bewerken]

Het grootste deel van Oostenrijk werd in april 1945 door het leger van de Sovjet-Unie bevrijd. Dit deel bleef tot het einde van augustus bezet door het leger van de Sovjet-Unie. Vanaf september 1945 wisselde de legers van de Verenigde Staten, Groot-Brittannië en Frankrijk met die van de Sovjet-Unie in de voor hen bestemde gebieden. Dus na september bezette ieder geallieerd land haar eigen bezettingszone, in plaats van dat de Sovjet-Unie dat in heel Oostenrijk deed.[2] Maar ze hadden de soevereiniteit over hun eigen bezettingszone al gekregen op 4 juli 1945 bij de eerste geallieerde controleovereenkomst. Hier richtten de geallieerden ook de geallieerde commissie op. De geallieerde commissie bestond uit de geallieerde raad. Deze raad bestond uit hoge militaire commissarissen van de bezettingsmachten en zij besloten over zaken die golden voor heel Oostenrijk. Een ander deel was het uitvoerend comité, dit bestond uit hoge militaire functionarissen en zij hielden toezicht op de uitvoer van de plannen van de geallieerde raad. Het laatste deel van de geallieerde commissie bestond uit Stäben (een soort ministeries), en al deze Stäben hadden een ander aandachtsgebied onder zich, bijvoorbeeld defensie, economie of arbeid, maar ook herstelbetalingen en krijgsgevangenen. Deze geallieerde commissie moest ervoor zorgen dat Oostenrijk zich hield aan de vredesvoorwaarden, niet weer bij Duitsland ging horen, een centrale administratie voor heel Oostenrijk oprichtten en dat er vrije verkiezingen kwamen voor een goede regering.[3] Op 9 juli 1945, vijf dagen na de eerste geallieerde controleovereenkomst, werd de zone-overeenkomst getekend door alle geallieerde bezetters, hierin werden de zones vastgelegd en werd er besloten de binnenstad van Wenen niet te verdelen, maar er een intergeallieerde zone van te maken (Bezirke 1).[4] Op 11 juli 1945, twee dagen na de zone-overeenkomst, was het memorandum van de geallieerde raad, dit was een verklaring waarin de geallieerde raad de voorlopige regering[5] van de eerste naoorlogse bondskanselier, Karl Renner,[6] erkende. Op 20 oktober 1945 werd ook het bestuur van Oostenrijk overgedragen van de geallieerde raad aan de regering van Renner. Maar door het memorandum van de geallieerde raad kende deze regering nog wel wat beperkingen, want het mocht alleen wetten aannemen als de geallieerde raad er unaniem mee zou instemmen. Ook moesten er eind 1945 vrije verkiezingen worden gehouden, zodat deze voorlopige regering van Renner dan vervangen zou worden door een gekozen regering.[5] Deze verkiezingen vonden op 25 november 1945 plaats, waarna een katholiek-socialistische regering werd gevormd, de bondskanselier werd Leopold Figl, die drie kabinetten heeft gehad tot 1953, daarna werd de bondskanselier Julius Raab,[7] hij bleef tot nadat het Oostenrijkse staatsverdrag op 27 juli 1955 was ingegaan[3] bondskanselier.[7]

Op 28 juni 1946 werd de tweede geallieerde controleovereenkomst getekend. Hierbij kreeg de Oostenrijkse regering meer macht, omdat gewone wetten binnen 31 dagen goedgekeurd moesten worden door maar een van de geallieerden binnen de geallieerde raad. Alleen grondwetten moesten nog unaniem worden goedgekeurd. Eigenlijk zou deze tweede geallieerde controleovereenkomst maar zes maanden van kracht zijn, maar het is werking geweest tot 27 juli 1955, de dag waarop Oostenrijks staatsverdrag in werking trad.[3]

Einde van de bezetting[bewerken | brontekst bewerken]

Al op 28 juni 1946 kreeg Oostenrijk al meer bevoegdheden door de tweede geallieerden controleovereenkomst,[3] maar afhankelijk waren ze ook hiermee nog lang niet.

Hervormingen in het bestuur van de geallieerden waren al in 1953 zichtbaar. Zo werden de grensovergangen over de Enns en bij de Semmeringpas geopend, zodat treinen hier niet meer hoefden te wachten. Een gemeenschappelijk Oostenrijks paspoort werd ingevoerd en de laatste bonkaarten werden afgeschaft.

In april 1955 nodigde de Sovjet-Unie Oostenrijk uit om te komen onderhandelen over het Oostenrijks Staatsverdrag en toen kwam de onafhankelijkheid van Oostenrijk opeens snel in zicht.[8] Op 15 mei 1955 werd het Oostenrijks Staatsverdrag ondertekend door de ministers van buitenlandse zaken van de geallieerde mogendheden en Oostenrijk, waarna op 19 oktober de laatste Russen en op 25 oktober de laatste Britten het land verlieten. De neutraliteit moest echter gehandhaafd blijven. Door het verdrag werd een permanente deling van Oostenrijk, zoals in Duitsland, afgewend. De neutraliteit werd in de grondwet van 26 oktober 1955 vastgelegd en tegenwoordig is 26 oktober een nationale feestdag.