Gehenna

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Dal van Hinnom, waar Gehenna van is afgeleid.

Gehenna (Hebreeuws: גהנום, גהנם, Grieks γέεννα, Aramees גִהַנָא) is afgeleid van de naam van het smalle, rotsachtige Dal van Hinnom (Hebreeuws: Gej Hinnom, een afkorting van גיא בן הינום, Gej Ben-Hinnom, het dal van de zonen van Hinnom), ten zuiden van Jeruzalem. In oudere Nederlandse bijbelvertalingen wordt Gehenna vaak vertaald met 'hel'.

Tijdens het koningschap van Salomo werd in de vallei Moloch vereerd met het brengen van kinderoffers.[1] Het betrof hier eerstgeboren kinderen die levend in het vuur werden geworpen. In de Bijbel werd dit een gruwel genoemd en werd gezegd dat God woedend werd op Salomo en hem vervloekte. De details werden echter niet opgeschreven, maar zijn bekend van de geschiedschrijving van de Ammonieten.

Sommigen zijn van menig dat het om die reden later de plaats werd waar vuilnis werd verbrand.[bron?] Afval, vuil en lijken van dieren en verachte misdadigers werden geworpen in het vuur van gehenna, ofwel het Dal van Hinnom. Gewoonlijk werd al wat in dit dal werd geworpen door vuur vernietigd, volledig opgebrand. Het vuur werd dag en nacht brandend gehouden met behulp van fosfor en de geur was van verre te ruiken.

Vermeldingen in de Tenach[bewerken | brontekst bewerken]

De plaats wordt op dertien verschillende plekken in de Tenach genoemd. In 2 Kronieken wordt vermeld dat de latere koningen Achaz en zijn kleinzoon Manasse daar hun zonen hadden geofferd.[2][3] Tijdens het bewind van koning Josia, de zoon van koning Manasse, werd de verering van Moloch verboden en liet hij de offerplaats Tofet in het Dal van Hinnom ontwijden.[4]

De plaatsnaam komt ook voor in het bijbelboek Jeremia. In Jeremia 7 vers 32 staat beschreven dat de HEER zegt dat het Dal van Hinnom op een dag Moorddal genoemd zal worden. In Jeremia 19 staat beschreven hoe Jeremia tegen het volk preekt in verband met de afgodendienst, de hoogten van de Baäl, de kinderoffers. Jeremia maakt duidelijk dat God nooit geboden, nooit gezegd en nooit gewild had wat daar had plaatsgevonden.[5][6][7]

In Jeremia 31 vers 40 wordt niet expliciet gesproken over het dal van Hinnom, maar wordt de plaats ‘het dal met de dode lichamen’ genoemd.

Vermeldingen in de tijd tussen Tenach en Nieuwe Testament[bewerken | brontekst bewerken]

Ook in het Eerste boek van Henoch wordt het Dal van Hinnom genoemd.

Vermeldingen in het Nieuwe Testament[bewerken | brontekst bewerken]

In de evangeliën gebruikt Jezus elf keer het woord gehenna. De Amerikaanse Rob Bell oppert in zijn boek En de meeste van deze is... liefde dat Jezus met het woord gehenna naar de vuilnisbelt buiten Jeruzalem verwees, een dal waarin de Joden hun afval wierpen.[8] Francis Chan en Preston Sprinkle bekritiseren dat, met Matteüs 5 vers 22 als voorbeeld: Wie 'Dwaas!' zegt, zal voor het vuur van de gehenna komen te staan. In dit vers kun je volgens hen gehenna niet vervangen door vuilnishoop, omdat men de bron van het idee dan zou verwarren met het idee zelf.[9]

Vermeldingen in de islam[bewerken | brontekst bewerken]

Het woord wordt ook in de Koran gebruikt als de plaats waar zondaars worden gekweld.[10]

Gehenna in de huidige tijd[bewerken | brontekst bewerken]

Tegenwoordig is het dal een park en onderdeel van een voorstad van Jeruzalem. Het woord gênant is mogelijk afgeleid van het woord Gehenna.[11]

Externe link[bewerken | brontekst bewerken]