Hendrik Chabot

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Hendrik Chabot
Zittend boertje (ca. 1936), Almelo
Zittend boertje (ca. 1936), Almelo
Persoonsgegevens
Geboren 2 augustus 1894
Overleden 2 mei 1949
Geboorteland Nederland
Beroep(en) Schilder, beeldhouwer
RKD-profiel
Portaal  Portaalicoon   Kunst & Cultuur

Hendrikus[1] "Henk" Chabot (Sprang, 2 augustus 1894Rotterdam, 2 mei 1949) was een Nederlandse kunstschilder en beeldhouwer.[2]

Jeugd en opleiding[bewerken]

Chabot werd geboren in Sprang, in Noord-Brabant, en was de oudste zoon van Willem Chabot en Johanna Aantje van den Hoven; zijn vader was er schoenmaker. Het gezin verhuisde in 1906 naar Rotterdam, waar hij als elfjarige jongen een baantje vond bij huis- en decoratieschilder P. van Hemert; hij verdiende er 15 stuiver per week, waarmee hij het gezin hielp te overleven. Zijn patroon merkte dat hij goed met verf en kwast overweg kon en hoorde dat Chabot in zijn vrije tijd veel aan schetsen en schilderen was; hij liet hem een klein stilleven maken en besloot daarop zijn ouders voor te stellen om hem lessen te laten volgen aan de Academie - en de kosten op zich te nemen. September 1908 werd Chabot, veertien jaar oud, ingeschreven als leerling aan de Rotterdamse 'Academie van Beeldende Kunsten en Technische Wetenschappen' (later de Willem de Kooning Academie geheten);[3] hij volgde de avondcursus; belangrijke leraren voor hem waren Alexander van Maasdijk en Antoon Derkzen van Angeren (etsen). Tot zijn klasgenoten behoorden Alex de Haas, en de etser André Schotel. Met Adriaan van der Plas en Jan Kamman sloot hij in zijn studiejaren een hechte vriendschap, waarmee een artistiek driemanschap ontstond.[3]

Leven en werk[bewerken]

Bij antiquair H.M. Heijman aan de Delftsevaart had hij zich het restaureren van oude schilderijen eigen gemaakt. Hij ontpopte zich als een geboren restaurateur, wat bepalend werd voor zijn latere artistieke leven. Feitelijk heeft Chabot met zijn restauratiewerk vele jaren zijn kost verdiend, met daarnaast voldoende armslag om zich aan zijn vrije werk te kunnen wijden; daarnaast nam hij verantwoordelijkheid als oudste zoon om zijn ouders financieel te blijven ondersteunen.[3]

Vanaf 1915 werkte hij als zelfstandig restaurateur; vanaf 1916 in zijn eigen atelier op de Zuidblaak, kort daarna in de Wijnstraat te Rotterdam. Vanaf circa 1920 maakte hij reizen naar Duitsland en Oostenrijk en bezocht de musea van onder andere Dresden, München en Wenen. Kort daarop maakte hij zijn eerste sculpturen. In de laatste twee jaar van haar bestaan deed hij mee met De Branding (opgericht in 1917, opgeheven in 1926) waaraan onder anderen ook verbonden waren: Laurens van Kuik, G. Ladage, T. Gits, B. Canter, J. Tielens, G. Rober, H. Bieling, M. en Bernard Richters, P. Begeer en Leendert Bolle.

Vanaf circa 1921 vond Chabot zijn weg als zelfstandig scheppend artiest. Hij tekende, etste, maakte houtsneden, doch maakte nauwelijks schilderijen. Hij had veel boeken over beeldende kunst bestudeerd, hetgeen hem vertrouwd had gemaakt met het werk en leven van de grote oude meesters. Vooral Pieter Bruegel de Oude boeide hem sterk. Omdat in het Kunsthistorisch Museum te Wenen van hem zoveel werk was te zien, maakte hij c. 1922 met Adri van der Plas een reis naar Wenen, waar hij werken van Brueghel en Dürer bestudeerde.
Circa 1924 volgde zijn overgang naar het kubisme, met schilderijen in grote formaten die later zijn werk zouden kenmerken. Over een abstract beeld was de beeldhouwer Leen Bolle zo enthousiast, dat het op zijn aandrang op de Nederlandse inzending naar de Wereldtentoonstelling te Parijs in 1925 werd geplaatst. De jury kende hem een 'medaille d'or' toe. Op de Bloemententoonstelling te Heemstede verwierf hij met zijn beeldje 'Bloemengeur' de eerste prijs. Slechts enkele jaren duurde zijn kubistische periode; ondanks zijn overtuiging dat het kubisme voor zijn ontwikkeling veel had betekend, zag hij er geen mogelijkheid meer in tot echte groei.[3]

In 1928 trouwde hij met Antonia Tolenaars, die hij al jaren kende. Het paar betrok een woning aan de Lage Oostzeedijk, maar hij bleef zelf werken op zijn atelier aan de Wijnstraat. Op dat atelier was zijn broer Wim eveneens als restaurateur aan het werk; de broers hadden een vrij strak werkschema: om half negen werd begonnen, om één uur was het schafttijd, daarna werd gerestaureerd tot halfvier en dan pas kwam het vrije, het ware werk aan de beurt. Chabot maakte in deze jaren grote schilderijen met voorstellingen die waren gebaseerd op het leven in de stad; ze getuigden van een sociale bewogenheid. Door bemiddeling van mr. F.J. Brevet - bewonderaar en regelmatig koper van zijn werk - kreeg hij zijn eerste belangrijke opdracht, voor een muurschildering in het nieuwe AMJV-gebouw te Amsterdam. Chabot was nu midden in de dertig en werkte ontzaglijk hard. In augustus 1929 maakte hij met Leen Bolle, Dick Elffers en de journalist Chris Seyffert een inspirerende kunstreis naar Bretagne.[3]

Vanaf circa 1930 kreeg het schilderen de overhand op het beeldhouwen; zijn onderwerpen hiervoor ontleende hij aan het Rotterdamse stads- en havenleven. Na deelneming aan enkele tentoonstellingen, waaronder die in het in 1931 geopende warenhuis De Bijenkorf van Rotterdam, kreeg hij in het voorjaar van 1933 zijn allereerste expositie in de 'Kunstzaal Van Lier' van Carel van Lier, te Amsterdam. Ook besloot hij een aantal maanden door te brengen in het stille dorpje Vrouwenpolder op Walcheren; van april tot november verbleef hij daar met zijn vrouw in twee optrekjes. Daar vond hij een helderder licht boven het weidse landschap met zijn mensen en dieren - dat alles sprak hem sterk aan en verfriste zijn kijk. Hij maakte daar ook kennis met de kunst-criticus A.M. Hammacher; deze bracht hem in contact met de schilderes Charley Toorop, met wie hij sterk bevriend raakte. Op Walcheren schilderde hij en hakte er in steen; hij leerde er intensiever naar de dieren en mensen kijken. Een van de schilderijen die hij er maakte was 'Zeeuwse Boerin'[4]; in dit werk wilde hij het wezen van het in de loop van de eeuwen gevormde type Walcherse vrouwen weergeven. In de late herfst keerde hij met zijn vrouw terug naar Rotterdam.[3]

Chabot sloot zich in 1934 aan bij de progressieve kunstenaarsgroep R 33 (opgeheven in 1940); hij werd geen actieve organisatie-man, want hij wilde slechts schilderen en hakken.. Zijn nieuwe onderwerpen werden na zijn verblijf in Vrouwenpolder de zee, de boeren, paarden en koeien, zoals 'Slapende Boer'[5]. In 1934 verliet hij ook het centrum van Rotterdam en vestigde zich aan de Rotte in Bergschenhoek, buiten de stad waar hij nu ook zijn nieuwe atelier had. Het meeste werk van hem stond nog steeds opgeslagen in de bergruimte van het atelier aan de Wijnstraat, waar zijn broer Wim bleef doorwerken. Toen Wim in 1936 z'n atelier naar de Wijnhaven verhuisde, verhuisde het opgeslagen werk van Henk mee. In 1937 werd 'De Voetballer'[6] onthuld, een groot beeld in beton. voor het (Feijenoordstadion). Chabot kreeg ook een opdracht voor een schilderij voor in de kapiteinshut van de Nieuw Amsterdam van de Holland-Amerika Lijn; hij huurde hiervoor tijdelijk een ruimer atelier, om een groot landschap te kunnen schilderen.[3]

groeiende erkenning en waardering[bewerken]

Voor de oorlog exposeerde Chabot regelmatig bij in de 'Kunstzaal Van Lier' in Amsterdam. Veelzeggend was dat het Rotterdamsch Nieuwsblad in 1938 uitvoerig zijn tentoonstelling bij Van Lier besprak, omdat het blad Chabot nu zag als één van de belangrijkste Rotterdamse schilders. Er stond te lezen: 'Wanneer iemand hem [Chabot] op de eerste plaats zou willen plaatsen, ware het moeilijk een ander aan te wijzen, die op deze plaats onbetwistbaar aanspraak zou kunnen maken'. Ook de museumdirecteuren toonden bij Van Lier meer en meer aandacht voor zijn werken, evenals de particuliere verzamelaars, zoals de bekende Leeuwarder chirurg dr. H.L. Straat. In 1939 kocht de Amerikaanse zakenman en koper van moderne kunst, Thomas A. Watson via Van Lier werk van Charley Toorop en van Chabot. In april 1940 opende het maandblad Kroniek van Kunst en Kultuur met een recensie van Antony Bosman, die aldus begon: 'Indien men mij zou vragen wie de belangrijkste schilder in Nederland is, zou ik geen ogenblik aarzelen om de naam "Hendrik Chabot" te noemen'. Ook in een recensie van Abas in de N.R.C. van 20 april 1940 over de net geopende Chabot-expositie bij Van Lier stond over zijn werk te lezen: '..een geconcentreerde kracht als weinig in onze schilderkunst van deze eeuw aan te wijzen is geweest'. Chabot werd als een zeer belangrijke schilder in Nederland gezien; ondanks dat hij pas in 1940 kon ophouden met het restaureren van schilderijen, noodzakelijk voor zijn levensonderhoud.[3]

de oorlogsjaren 1940-45[bewerken]

Het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog heeft diep ingegrepen op leven en werk van Chabot. Vanuit zijn dijkhuis en atelier aan de Rotte heeft hij zijn brandende stad Rotterdam in mei 1940 intensief beleefd en aanschouwd. Ook werden tijdens het bombardement veel van zijn oudere doeken vernietigd; die waren opgeslagen in een atelier aan de Wijnhaven, waar zijn broer Wim was blijven doorwerken; van zijn broer viel ook veel werk weg.[3]
In de zomermaanden die daarop volgden schilderde hij een tweetal monumentale zomerlandschappen met dreigende rode luchten. Een daarvan is de historie ingegaan als zijn bekende werk 'Brand van Rotterdam'[7].
Na een periode van ruim anderhalf jaar waarin hij nauwelijks tot werken kwam, ontstond in 1943 een indrukwekkende serie werken in een donker palet geschilderd, waarin hij de mens en het oorlogsleed verbeeldde; vluchtelingen, onderduikers, gevangenen - zowel in enkele portretten als in beeldvullende figuurstukken. Chabot heeft zelf de wens uitgesproken dat deze serie werken bijeen zou blijven. Merkwaardig genoeg diende eind april 1944 iemand zich aan in de persoon van Dick Tol, die met zijn vrouw Cornelia Breugem te Hillegersberg een goed lopende slagerij dreef. Tol had gehoord van de 'schilder bij de Rotte' en kwam vragen, of hij iets van het werk mocht zien. Al snel ontpopte Tol zich als een fervent bewonderaar van Chabot en kocht hij direct het schilderij 'Inundatie', uit de oorlogsreeks. Tol wist met veel inzicht en doorzettingsvermogen in 1947 en 1948 veel stukken uit het oorlogswerk te verwerven en aldus bij elkaar te houden.[3] De latere kerncollectie van 26 schilderijen uit de oorlogsjaren is c. 1990-92 aangekocht door de initiatiefnemers Rob en Christien Grootveld-Parrée; ter gelegenheid van het 25-jarig jubileum in 2018 is de collectie door hen officieel als schenking ondergebracht bij het Chabot Museum.[8]

jaren na de bevrijding, mei 1945[bewerken]

In de jaren na de oorlog werd zijn palet in snel tempo lichter. Zijn nieuwe thema' waren onder meer; dubbele en afzonderlijke koppen (fysionomie van de lach) en in 1948 variaties op het motief 'Moeder met kind'. Ondanks zijn wankele gezondheid voltooide hij nog tientallen schilderijen in de geliefkoosde grote formaten. In in mei 1948 maakten de Chabots met de genoemde familie Tol een autotocht, die resulteerde in enkele indrukwekkende doeken 'Hollandse Lente' en 'Betuwse Lente'. In de laatste winter zette hij plotseling nieuw werk op; hij had nog nooit een bijbels onderwerp gekozen, maar nu wilde hij de 'Intocht van Christus op Palmzondag' uitbeelden. Omtrent het waarom van deze keus was hij zwijgzaam, maar kort voordat hij naar het ziekenhuis moest ,vertelde Chabot aan een neef: 'De mensen die hier "Hosanna!" roepen, zijn precies dezelfden die over enkele dagen zullen schreeuwen: "Kruisig hem!" En dat heb ik met dit schilderij willen weergeven' [3]

laatste jaar[bewerken]

Ernstige benauwdheden dwongen hem ertoe zich te laten opnemen in het ziekenhuis Eudokia, in maart 1949. Nog steeds leefde er een zwakke hoop op herstel, maar eigenlijk geheel onverwacht ging hij heen, terwijl zijn vrouw in het atelier bezig was, met het oog op een komende tentoonstelling, alle schilderijen voor hem te noteren. In de ochtend van 2 mei 1949 overleed hij in Rotterdam.

Henk Chabot wordt gezien als een van de belangrijkste vertegenwoordigers van het expressionisme in Nederland. Zijn bekendste werk is waarschijnlijk De brand van Rotterdam.

Periodisering landschappen[bewerken]

  • 1926-30: De eerste landschappen dateren van na Chabots strakke, wel als kubistisch betitelde periode in de jaren 1924-25. Ze ontstaan gelijktijdig met de gladde, sensuele sculpturen en schilderijen uit deze tijd, maar lijken daar door hun forse opzet toch van te verschillen. Overigens kunnen we ons alleen uit de achtergrond van het schilderij ‘huiswaarts kerende boeren’ uit 1926 een indruk van deze landschappen vormen. Vermoedelijk zijn de werken die we van de reproducties kennen vernietigd bij het bombardement van Rotterdam.
  • 1931-32: Uit deze jaren zij twee winterlandschappen in een grove, schetsmatige trant bewaard gebleven, maar tevens een subtiel tekenachtig werk, ‘Honingerdijk’, in krijt en zeer dun opgebrachte tempera-verf, dat wel de techniek en de vlekkerige, ronde vormen betreft aansluit bij figuurstukken uit dezelfde periode.
  • 1933-34: Het verblijf in Zeeland brengt een ingrijpende verandering in werkwijze met zich mee. In de landschappen, overwegend zeeën trouwens, worden de grillige patronen van de voorgaande jaren gecombineerd met een extreem pasteuze schildertechniek, waardoor een uniek soort materieschilderkunst ontstaat. Aardekleuren, ultramarijn, schuimend wit.
  • 1935-37: Chabot werkt nu aan de Rotte. De eerste schilderijen van tuinders ontstaan. Opnieuw een transformatie in het werk. De vormen verstrakken, de verf wordt karig en betrekkelijk egaal aangewend, het palet verschraalt tot zwart- en grijstonen, geel en geelgroen. Polders. Voor het eerst verschijnt de hoekige structuur die typerend blijft voor het hele vervolg. De horizon snijdt als een mes door het landschap. Harde winters, de barste en grimmigste van Chabots hand. Daarnaast zomers, het grote landschap, in opdracht geschilderd voor het schip de Nieuw Amsterdam (Holland Amerika Lijn), waarin een warm geel overheerst en de wolkenketens een zelfstandig landschap vormen.
  • 1938: De kleuren worden rijker, de toets zwaarder. De zomers vertonen een scala van gelen, rozes en blauwen. De gedaanten van de wolken worden gecompliceerd en spookachtig, de lucht verdubbelt zich tot twee verdiepingen, een tapijt van in elkaar grijpende figuren. Het wit wordt weer belangrijk. Bovendien een serie zeeën in kleiner formaat.
  • 1939-40: Kouder licht – zwavelgeel, wit – dringt op; tekenachtiger, definiërende manier.
  • 1940-41: Twee zomers met grote menie-rode luchten.
  • 1942-43: De kleur verduistert maar handhaaft zich in een sobere tonaliteit van donkerblond, oker, groen en ossenbloed. De luchten, geheel door wolken bezet, concentreren zich in compacte formaties die uitgehouwen of gesabeld aandoen. De op het Brabantse landschap geïnspireerde zomers en herfsten tonen een ongelijker terrein dan gewoonlijk in de landschappen. Het ruige verfoppervlak lijkt op oud leer. In 1943 ontstaan magistrale winter, zeer vuil van kleur. Dit is het jaar van de vluchtelingen.
  • 1944-45: De inundaties. De kleur licht op, van nu af zal dit telkens weer en steeds intenser gebeuren. Rozeroden in het grote landschap uit 1945.
  • 1946-47: Maanlandschappen. De nacht als fond en kader van het licht. In 1946 een radicale facettering van de verfspiegel: wat acht jaar eerder gebeurde in het patroon van het schilderij, vindt nu plaats in het reliëf.
  • 1948-49: De lentes, lichter dan ooit, fluorescerend, rood, wit. Vereenvoudigde structuur, vlijmend hoekig, tot aan houtsnede-effecten in de winters. De nacht verdwijnt achter een rag van licht, een glacis van onverdunde verf die het doek maar nauwelijks heeft geraakt. De illusie compleet.

Foto's van werken[bewerken]

Publieke collecties[bewerken]

Werken van Hendrik Chabot zijn in de openbare collecties van:

Zie ook[bewerken]

Externe links[bewerken]