Hendrik II van Nassau

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Hendrik II "de Rijke"
Nassau wapen.svg Graaf van Nassau
Regeerperiode 11981247
Co-regent Rupert IV (11981230)
Voorganger Walram I
Opvolger Walram II
Otto I
Militaire informatie
Slagen/oorlogen Zesde Kruistocht
Dernbacher Vete
Huis Nassau
Vader Walram I
Moeder Kunigunde
Geboren ca. 1180
Gestorven 26 april 1247, 1248, 1249 of 1250
Partner Machteld van Gelre
Religie Rooms-Katholiek
Wapenschild
Wapen van de graven van Nassau

Hendrik II van Nassau bijgenaamd "de Rijke" (ca. 1180[1][2]26 april 1247/48/49/50, vóór 25 januari 1251)[3] was graaf van Nassau.

Biografie[bewerken]

Hendrik II was de oudste zoon van graaf Walram I van Nassau[1][2][4] en een zekere Kunigunde, mogelijk een dochter van een graaf van Spanheim of een dochter van graaf Poppo II van Ziegenhain.[1]

Hendrik wordt voor het eerst vermeld in een oorkonde gedateerd 20 maart 1198, samen met zijn moeder en zijn broer Rupert IV.[1] Deze vermelding betekent dat hij en zijn broer toen de leeftijd van 12 jaar hadden bereikt.

Hendrik II wordt van 1198–1247 vermeld als graaf van Nassau.[1] Hij regeerde samen met zijn broer Rupert IV.[1][2][4]

Rijkspolitiek[bewerken]

In de politiek van het Heilige Roomse Rijk was Hendrik over het algemeen een loyale aanhanger van de Hohenstaufen. Maar tussen 1209 en 1211 steunde hij de rivaal Otto IV van Brunswijk als keizer, voordat hij overging naar de kant van keizer Frederik II. Tussen 1212 en 1214 hield hij Frederiks (en zijn eigen) tegenstander, Diederik II van Wied, de aartsbisschop van Trier, gevangen.

Hendrik nam in 1228 deel aan de Zesde Kruistocht van keizer Frederik II.[5] In 1231 woonde Hendrik de Rijksdag van Worms bij en in 1232 was hij bij de keizerlijke vergadering van Frederik II in Ravenna.[1]

In 1247 steunde hij de verkiezing van tegenkoning Willem II van Holland, die alle keizerlijke bezittingen van Hendrik bevestigde en hem het recht gaf om munten te slaan.

Lokale politiek[bewerken]

Kasteel Sonnenberg
Burcht Ginsburg

Hendriks vader, Walram I, had de Koningshof Wiesbaden van keizer Frederik I Barbarossa in leen ontvangen.[6] De Nassause bezittingen in dit gebied werden rond 1214 uitgebreid toen Hendrik de rijksvoogdij (Reichsvogtei) over Wiesbaden en de omliggende Königssondergau ontving, die hij als leen hield.

Rond 1200 begonnen Hendrik en zijn broer Rupert met de bouw van Kasteel Sonnenberg op een uitloper van de Taunus ten noorden van Wiesbaden. Dit was bedoeld als bescherming tegen de aartsbisschop van Mainz en zijn vazallen, de heren van Eppstein, die de landen grenzend aan Wiesbaden bezaten. Maar het kapittel van de Sint-Maarten in Mainz claimde Sonnenberg als hun bezit. Om dit conflict op te lossen betaalde Nassau in 1221 30 mark aan het kapittel om het land van Kasteel Sonnenberg te verkrijgen. Ze werden gedwongen om de soevereiniteit van de aartsbisschop van Mainz over Sonnenberg te erkennen en hielden het kasteel als leen van Mainz.

Tegen het einde van de 12e eeuw was Walram I in staat geweest om zijn macht aan de Niederlahn te versterken. Als onderdeel van de nalatenschap van de graven van Arnstein volgde hij hen op als voogd van het aartsbisdom Trier in Koblenz, Pfaffendorf (nu een deel van Koblenz), Niederlahnstein en Humbach (Montabaur). De aartsbisschop had rond 1217 Montabaur versterkt om zijn bezittingen op de rechteroever van de Rijn tegen Nassau te beschermen. Rond 1230 was de invloed van Trier bij de Rijn en de Lahn voldoende versterkt om Nassau te verdrijven uit de meerderheid van de voogdijen van de aartsbisschop.

In 1224 kreeg Hendrik steun van de aartsbisschop van Keulen, Engelbert II, die Hendrik tot zijn maarschalk en schenk maakte. In ruil voor zijn bescherming tegen de aartsbisschoppen van Mainz en Trier moest Hendrik echter de helft van Siegen afstaan aan Keulen. Niet beïnvloed door deze verdeling van de heerschappij, behield Nassau echter zijn soevereine rechten in het Siegerland, waar de belangrijke hoge jurisdictie (hohe Gerichtsbarkeit) en het jachtrecht (Wildbann) uitdrukkelijk tot 1259 bleven bestaan. In het Siegerland bouwde Hendrik tijdens zijn regering de Burcht Ginsburg.[4][5]

Hendriks broer, Rupert was lid van de Duitse Orde sinds 1230. Bij zijn dood in 1239 liet Rupert zijn erfenis na aan de orde. Hendrik betwiste continue elke verdeling van zijn gebied met de Duitse Orde.

Hendrik was de eigenaar van de voogdij over het Sint-Georgeklooster in Limburg an der Lahn tijdens de bouw van de Dom van Limburg. In 1239 droeg hij, op verzoek van zijn leenman Frederik vom Hain, de inkomsten uit de parochie Netphen over aan het premonstratenzer Klooster Keppel bij Hilchenbach. Zijn nakomelingen namen het beschermheerschap over het klooster over.

De politiek van Hendrik in de Mark Herborn lokte conflicten uit met de lokale aristocratische families. Rond 1240 bouwde hij Kasteel Dillenburg[1] om zijn tegenstanders beter te kunnen onderwerpen. Tegen 1248 was de eeuwenlang durende Dernbacher Vete reeds begonnen, waarbij ook Hessen betrokken raakte als onderdeel van de Thüringse opvolgingsoorlog, vanwege een door Hendrik begonnen vete met Sofia van Thüringen en haar zoon Hendrik "het Kind" over de Mark Herborn, die de relatie tussen Nassau en Hessen na zijn dood eeuwenlang belastte.

Huwelijk en kinderen[bewerken]

Hendrik huwde vóór 11 december 1215[7] met Machteld van Gelre en Zutphen († 28 oktober, 1247 of later),[8] een dochter van graaf Otto I van Gelre en Zutphen en Richardis van Beieren.[1][9]
Met haar kreeg hij de volgende kinderen:[10]

  1. Rupert († 19 september vóór 1247),[1][2] werd door de aartsbisschop van Trier beleend met allodiaal goed in Diez en Ober-Lahnstein.[4][11] Ridder van de Duitse Orde.[1]
  2. Walram (ca. 1220 – 24 januari 1276), volgde zijn vader op als graaf van Nassau, is de stamvader van de Walramse linie van het Huis Nassau.
  3. Otto († tussen 3 mei 1289 en 19 maart 1290), volgde zijn vader op als graaf van Nassau, is de stamvader van de Ottoonse linie van het Huis Nassau.
  4. Hendrik († 28 mei na 1247),[2] was monnik in de Abdij van Arnstein.[1][2]
  5. Elisabeth (ca. 1225 – na 6 januari 1295), huwde met heer Gerhard III van Eppstein († 1252).[2]
  6. Gerhard († tussen 7 april 1312 en 20 september 1314), was geestelijke.[12]
  7. Jan († Deventer 13 juli 1309), was geestelijke, o.a. elect van het Sticht Utrecht.[1][2]
  8. Catharina († 27 april 1324), werd in 1249 abdis van Klooster Altenberg bij Wetzlar.[1]
  9. Jutta († 1313), huwde omstreeks 1260 met heer Jan I van Cuijk († 13 juli 1308).[2]
  10. ? Irmgard († 1 augustus 1297), was abdis van Val-Benoît.[2]

Hendriks zonen Walram en Otto verdeelden op 16 december 1255[13] de Nassause landen. Deze eerste verdeling van de Nassause landen staat bekend als de Prima divisio. Hiermee ontstonden de Walramse en Ottoonse linie van het Huis Nassau.