Hendrik Jut

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Hendrik Jut

Hendrik Jacobus Jut (Den Haag, 19 juli 1851Leeuwarden, 12 juni 1878) was een kelner uit Den Haag, wiens hoofd (de kop-van-jut) spreekwoordelijk is geworden door een dubbele moord die hij pleegde op 13 december 1872.

De moord[bewerken]

Jut werd geboren in Den Haag als buitenechtelijk kind van Maria Geertruida Jut. Na wegens "lichaamsgebreken" uit militaire dienst te zijn ontslagen, ging hij omstreeks 1870 in Scheveningen als kelner werken. Daar kreeg hij een relatie met Christina Goedvolk (1847-1926), die als ongehuwde moeder in Delft al twee vroeg gestorven kinderen had gehad. Zij werkte in 1872 korte tijd als dienstbode bij de rijke weduwe Maximiliana Theodora van der Kouwen-ten Cate, die in 1862 een zesde van het vermogen van haar zus Geertruida Löschen-Ten Cate (eerder weduwe van de zeer welgestelde reder Jan Bonn) had geërfd ter waarde van ƒ 39.771,20½.[1] Dit vertegenwoordigde in 2009 ongeveer € 356.900.[2]

Christina werd in 1872 zwanger van Jut en het paar kreeg geldproblemen omdat hij zijn baan was kwijtgeraakt. Ze dachten aan de rijke weduwe, die de gewoonte had aan allerlei mensen, ook haar dienstbode, openlijk haar juwelen en andere bezittingen te laten zien en besloten haar te beroven. Jut leende van zijn moeder tien gulden om zich twee pistolen en een dolk aan te schaffen. Het zou gebeuren op sinterklaasavond, maar omdat de nieuwe dienstbode Leentje Beeloo argwaan kreeg, ging het niet door. Op 13 december 1872 toog hij opnieuw met Christina naar het huis van Van der Kouwen aan de Haagse Bogt van Guinea.[3] Terwijl Christina op de bovenverdieping de weduwe afleidde stak hij eerst Leentje Beeloo dood. Daarna riep hij de oude dame naar beneden met de woorden "Mevrouw, Leentje is van d'r zelven gevallen" en doodde ook haar, nadat ze er eerst nog in geslaagd was hem te verwonden. Jut en Goedvolk gingen ervandoor met kostbaarheden, effecten en geld.

Dagenlang was Den Haag in rep en roer. Een verdachte werd gearresteerd en de volkswoede richtte zich op hem. Hij probeerde zich in zijn cel op te hangen. Daarna werden nog twee personen opgepakt, maar eind 1873 moest de politie hen alle drie laten gaan.

Vlucht[bewerken]

Jut en Goedvolk trouwden op 19 februari 1873. Ze vertrokken naar New York, verkochten de sieraden voor 320 dollar en verzilverden de effecten voor ruim tienduizend dollar. Ze keerden al na twee maanden terug naar Nederland en gingen wonen in Vught, waar op 2 juli 1873 hun dochter Angelica Arabella Cassandra Christina werd geboren. Het paar kende echter geen rust. In februari 1874 vertrokken de Juts naar Zuid-Afrika maar in de herfst van dat jaar keerden ze opnieuw terug naar Nederland.[4] Ze vestigden zich in Rotterdam, waar Hendrik een koffiehuis kocht. Zij kregen op 7 april 1875 een tweede dochter die slechts een dag geleefd heeft.

In diezelfde maand praatte Jut zijn mond voorbij tegen een zekere Jan Roelfs, die zich had afgevraagd hoe het kwam dat hij zo rijk was. Al snel werden Jut en zijn vrouw gearresteerd. Bij huiszoeking werd als onomstotelijk bewijs een brief gevonden die de vermoorde weduwe bewaard had van wijlen haar echtgenoot. De publieke aandacht was enorm en Jut werd in de kranten gepresenteerd als de grootste, meest gewetenloze moordenaar uit de geschiedenis. In alle Haagse etalages konden de portretten van de "monsterlijke daders" worden aangetroffen en in de boekhandels waren verschillende brochures over de zaak verkrijgbaar. De dubbele roofmoord trok niet alleen aandacht door de gruwelijkheid er van, maar ook door het gevoel van onveiligheid die ze veroorzaakte: het had 2½ jaar geduurd voordat de daders gevonden waren.

Veroordeling[bewerken]

Uitspraak in het moordproces werd gedaan op 6 mei 1876. Jut werd bijgestaan door de advocaat Pieter Cort van der Linden, de latere minister-president. Hij kreeg levenslang voor dubbele moord. Veel mensen vonden dat niet genoeg. Zij wensten voor Jut de doodstraf, maar die was in 1870 afgeschaft. Uit angst voor een lynchpartij werd hij overgebracht naar de strafgevangenis van Leeuwarden, waar hij twee jaar later op 26-jarige leeftijd overleed.

Christina werd wegens diefstal veroordeeld tot twaalf jaar tuchthuis. Zij kwam in 1888 vrij, maar werd in 1890 opnieuw tot twee jaar cel veroordeeld omdat ze twee paraplu's en twee stukken zeep had gestolen. Zij vestigde zich in 1892 in Haarlem en hertrouwde op 4 maart 1896 met een Duitser, de smid Albert Münnemann. Haar dochter kreeg per Koninklijk Besluit van 14 juni 1898 – zij was toen 25 jaar en al getrouwd met een zekere Sonneville – ook de achternaam Münnemann, in plaats van de beruchte naam Jut.

Nadat Münnemann in 1907 overleed, had Christina het niet makkelijk. In sommige kranten van 14 juli 1908 verscheen het onjuiste bericht dat zij vermoord zou zijn aangetroffen in een volkslogement in Oudewater.[5] Toen zij als 70-jarige "weduwe Munnema" in aanmerking wilde komen voor een Haarlemse hofjeswoning werd die haar geweigerd op grond van haar liederlijke levenswandel, haar verhouding met een 27-jarige tuindersknecht en drankmisbruik. Op 17 september 1920 verkreeg zij onderkomen in het stadsarmenhuis in Haarlem.[6] Ze stierf in 1926 op 79-jarige leeftijd.

Kop van Jut[bewerken]

Een kermisuitbater maakte de volkswoede te gelde door een attractie waarop mensen met mokerslagen hun woede konden afreageren kop-van-jut te noemen. Daardoor ontstond de uitdrukking: "de kop van Jut zijn", het moeten ontgelden, de zondebok zijn.[7]

Gipsen afgietsel van het hoofd van Hendrik Jut in het Universiteitsmuseum te Groningen

Het echte hoofd van Jut werd na zijn dood op sterk water gezet en is jarenlang te zien geweest in het anatomisch museum (het "Kabinet van Camper") van de Rijksuniversiteit Groningen. De fles waarin zijn hoofd werd bewaard was niet goed afgesloten, daardoor verdampte het conserveermiddel en is het hoofd verloren gegaan. Wat nog rest is een gipsen afgietsel van het hoofd in het Universiteitsmuseum.

Plaats delict[bewerken]

De straat waar de moord had plaatsgevonden, de Bogt van Guinea, werd na deze affaire op verzoek van de bewoners in 1873 omgedoopt tot Huijgenspark. Pas op 13 februari 1996 besloten Burgemeester en Wethouders van Den Haag de oude naam in ere te herstellen. De "nieuwe" Bocht van Guinea[3] ligt tussen het Huijgenspark, het Zieken en het Groenewegje.