Instituut Noorthey

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Instituut Noorthey was een kostschool voor jongens die door de onderwijzer en pedagoog Petrus de Raadt (1796-1862) werd opgericht op 24 juni 1820. Het instituut was van 1820 tot 1882 gevestigd in Veur (thans Leidschendam) en van 1888 tot 1907 in Voorschoten.

Geschiedenis[bewerken]

De Raadt had in 1820 de buitenplaats Schakenbosch te Veur gekocht van de Rotterdamse familie Noorthey. Aan de naam van deze familie, die sinds 1738 de eigenaar was geweest, ontleende hij de naam "Noorthey" voor het instituut dat hij er vestigde. Zijn vader Philippus de Raadt (1763-1830), die zelf in Rotterdam een kostschool had geleid, assisteerde hem. Het instituut was al snel een succes. Reeds in 1823 was het lesgeld vastgesteld op fl 1.200 per jaar, in die tijd een aanzienlijk bedrag, ook voor welgestelde ouders. In 1825 waren er 32 leerlingen.

Het instituut, met een protestants-christelijke signatuur, was zijn tijd ver vooruit. Het was een model voor ontwikkelingen die in bredere kring pas veel later zouden volgen. Tucht, kennis en sport stonden hoog in het vaandel. De Raadt had een hooggestemde kijk op zijn pupillen: "In iedere leerling zien wij de lieveling der moeder, de hoop des vaders, de verwachting der familie en de toekomstige verzorger der zijnen". In 1830 had elke leerling de zorg voor een eigen stukje tuin. Omstreeks 1850 werden reeds lessen gymnastiek en schermen ingevoerd, destijds een noviteit. Als docent voor de moderne vreemde talen werden native speakers aangesteld. Door Britse leraren op Noorthey werd het cricketspel in Nederland geïntroduceerd.

In 1849 droeg Petrus de Raadt de dagelijkse leiding over aan zijn assistent J.H. Kramers (1823-1896), die twee jaar later definitief directeur werd. In 1860 werd het schoolgeld vastgesteld op fl 1.400 per jaar. Dit was alleen mogelijk doordat het instituut werd gesubsidieerd door het Genootschap Noorthey, dat De Raadt in 1851 had opgericht. Toen hij in 1862 stierf, erfde het genootschap zijn hele vermogen. Het werd beheerd door J.P. Treub, burgemeester van Voorschoten, die tot 1873 optrad als rentmeester van het genootschap.

Tot de komst van de Hoogere Burgerschool, vanaf 1864, was Noorthey een zeer gerenommeerd instituut. Daarna waren de gloriejaren voorbij, omdat men alles bij het oude liet. Het instituut werd in kwaliteit gepasseerd door de HBS en het gymnasium. Hoewel er nog een tijdlang genoeg leerlingen waren (de lijst van 1880 bevat 31 namen, waaronder vele uit de adel en het patriciaat), teerde Noorthey op oude glorie. In 1882 werd het instituut gesloten. Kramers bleef werkzaam in het onderwijs als arrondissements-schoolopziener te Rotterdam.

Onder leiding van de nieuwe directeur, de pedagoog dr. A.H. Raabe (1834-1899), werd Noorthey in 1888 heropend. Het was niet meer gevestigd in Veur, maar in Groot-Stadwijk te Voorschoten naast de Sint-Laurentiuskerk. Dit gebouw had De Raadt al in 1841 aangekocht. De classicus dr. J.W. Lely (1852-1923) was vanaf 1893 de laatste directeur. In 1907 werd het instituut definitief opgeheven.

Thans[bewerken]

Het Genootschap Noorthey bestaat nog steeds en verstrekt onder meer beurzen en leningen aan talentvolle studenten, "zo veel mogelijk in de geest van wijlen de Heer P. de Raadt", zoals geformuleerd in de statuten. De leden behoren tot het nageslacht van oudleerlingen van het Instituut Noorthey.

In het Baljuwhuis in de Voorstraat in het centrum van Voorschoten bevindt zich de Noorthey Kamer, een stijlkamer met portretten van Petrus de Raadt en zijn echtgenote, in 1865 geschilderd door J. Poels.

Bekende docenten[bewerken]

Bekende leerlingen[bewerken]

Externe link[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties