Zoek dit woord op in WikiWoordenboek

Onderwijzer

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Onderwijzeres met leerling in de VS (basisschool of speciaal onderwijs), 2006
Onderwijzer met klas in Laos, 2007.
Onderwijzer en leerling in bevrijd Guinea-Bissau, 1974.

Een onderwijzer/onderwijzeres, leraar/lerares of docent/docente draagt kennis en technische bekwaamheid over aan respectievelijk scholieren, leerlingen of studenten. Sekseneutrale termen zijn leerkracht en onderwijsgevende.

In bepaalde sporten wordt ook over een leraar gesproken, zoals bij een vechtsport. Ook in bepaalde religies hanteert men de leraar, zoals in het jodendom en katholicisme, zo is de bisschop, de 1e leraar, herder en bestuurder van zijn bisdom.

Nederland[bewerken | brontekst bewerken]

Om in Nederland onderwijs te mogen geven moet een pedagogische hoger beroepsonderwijs (hbo-)opleiding worden doorlopen, de zogenoemde pedagogische academie voor het basisonderwijs (pabo), of een lerarenopleiding voortgezet onderwijs (lvo) aan een Hogeschool. Zowel pabo als lvo duurt drie of vier jaar en leidt op tot "Bachelor of Education".

In het Nederlands voortgezet onderwijs bestaan twee graden bevoegdheden:

  1. Met een eerstegraads bevoegdheid kan men alle klassen van het voortgezet onderwijs of het beroepsonderwijs en volwassenenonderwijs lesgeven.
  2. Met een tweedegraads bevoegdheid kan men lesgeven in het vmbo-onderwijs en de onderbouw (klas 1 tot en met 3) van havo en vwo en aan cursisten in het beroepsonderwijs en het volwassenenonderwijs.

De eerstegraads bevoegdheid is te behalen via een universitaire lerarenopleiding (ulo) of bij een (hbo-)lerarenopleiding, nadat de tweedegraads bevoegdheid behaald is.

Voor universitair docenten en hoogleraren is een onderwijsbevoegdheid niet verplicht. Wel kent bijvoorbeeld de Universiteit Utrecht de verplichte basis- en seniorkwalificaties onderwijs voor haar docenten.

Aanspreekvorm[bewerken | brontekst bewerken]

Tot 1957 was het in Nederland verboden voor een getrouwde vrouw om als ambtenaar (waaronder ook als onderwijzeres) werkzaam te zijn, waardoor een lesgevende vrouw altijd juffrouw was. Tot heden is het gebruikelijk dat een onderwijzeres met "juffrouw" (of "juf") wordt aangesproken, zelfs als ze getrouwd is - dus niet met de in andere situaties gangbare vorm "mevrouw".

Mannelijke worden vanouds aangesproken met "meester" en soms ook wel als "meneer". Sedert het einde van de 20e eeuw komt daarna vaak de voornaam ("meneer Wim" en "juf Anneke"), terwijl de onderwijzers vanouds alleen met de achternaam bekend waren.

Op Aruba wordt de mannelijke onderwijzer "meneer" genoemd en de vrouwelijke onderwijzer wordt "juffrouw", "juf" of "juffie" genoemd. Sommige leerlingen noemen de vrouwelijke onderwijzer een "jufferd".

Vlaanderen[bewerken | brontekst bewerken]

In Vlaanderen wordt men onderwijzer(es) in het lager onderwijs na een driejarige opleiding "Bachelor in onderwijs: lager onderwijs". Om aan deze opleiding te beginnen, moet men in het bezit zijn van het diploma secundair onderwijs. De vroegere onderwijsopleiding ("normaalschool") werd bij de schaalvergroting in het hoger onderwijs ondergebracht bij de grotere hogescholen.
Onderwijzer is de aanduiding voor een leraar op een basisschool of lagere school. De onderwijzer wordt door de leerlingen over het algemeen meester of juf(frouw) genoemd. De leiding van een basisschool is in handen van de hoofdonderwijzer, nu meestal aangesproken met de titel directeur.

Leraren of leraressen in het secundair onderwijs worden over het algemeen aangesproken met "meneer" of "mevrouw". Men kan leraar worden na een driejarige opleiding "bachelor in onderwijs: secundair onderwijs". Men kan ook lesgeven indien men boven op een opleiding (bachelor, master of secundair onderwijs met nuttige ervaring) een "bewijs van pedagogische bekwaamheid (BPB)" behaalt. Dit kan onder andere door het volgen van een GPB-opleiding (getuigschrift Pedagogische Bekwaamheid)

Tijdsbesteding[bewerken | brontekst bewerken]

Bij een docent is niet meer te spreken van een 36- of 40-urige werkweek. Bij een aanstelling van 1,0 fte heeft de docent in Nederland een normjaartaak van 1659 uur. Deze normjaartaak levert verdeeld over 40 werkweken een werktijd van 41,5 uur per week op.

Globaal is de verdeling in Nederland als volgt:

  • 930 contacturen (daadwerkelijk voor de klas staan)
  • 314 groepsgebonden taken (lesvoorbereiding, nakijken, spreekuur)
  • 249 uur niet-groepsgebonden taken (MR, OR, vergaderingen enz.)
  • 166 deskundigheidsbevordering (cursus, beursbezoek, vakverdieping)

In onderstaande tabel het aantal contacturen in de verschillende onderwijstypen in verschillende landen/regio's.

Basisonderwijs Vo (onderbouw) Vo (bovenbouw)
Nederland 930 868 843
Vlaanderen 840 698 833
Duitsland 783 709 695

Bekende onderwijzers en onderwijzeressen[bewerken | brontekst bewerken]

Zie ook[bewerken | brontekst bewerken]

Zie de categorie Onderwijs van Wikimedia Commons voor mediabestanden over dit onderwerp.
Wikibooks heeft meer over dit onderwerp: Onderwijzer.