Kamerontbinding

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Met kamerontbinding of ontbinding van het parlement wordt de ontbinding bedoeld van (een deel van) het parlement, met nieuwe (vaak vervroegde) verkiezingen tot gevolg.

België[bewerken]

In België wordt met kamerontbinding de ontbinding van de Kamer van volksvertegenwoordigers en/of de Senaat bedoeld. De parlementen van de deelstaten, zoals het Vlaams Parlement, zijn zogenaamde legislatuurparlementen; deze kunnen niet ontbonden worden.

Sinds de Eerste Wereldoorlog is het parlement steeds ontbonden geweest, ofwel door een herzieningsverklaring van de Grondwet ofwel door een ontbindingsbesluit, met uitzondering van 1929 (de laatste keer dat er vanuit grondwettelijk oogpunt op een reguliere wijze verkiezingen kwamen).

Na ontbinding worden verkiezingen binnen 40 dagen gehouden en komen de kamers opnieuw bijeen binnen de drie maanden (twee maanden van 1831 tot 2014).

Beide kamers van rechtswege ontbonden[bewerken]

Er zijn twee gevallen waarin beide Kamers van rechtswege ontbonden worden:

  • De troon is onbezet: dit heeft zich nog nooit voorgedaan sinds het ontstaan van België.
  • Een herzieningsverklaring van de Grondwet (Art. 195 Gw.): vóór 1954 is dit slechts twee keer voorgekomen, namelijk in 1892 voor de invoering van het algemeen stemrecht, en in 1919. Vanaf 1954 kwamen grondwetsherzieningen regelmatig voor, vanwege voornamelijk de staatshervormingen. In recente jaren is een herzieningsverklaring de gebruikelijke manier om verkiezingen uit te schrijven, zowel aan het gewone einde van de legislatuur als bij een val van de regering. Vanaf 1954 zijn alle verkiezingen voorafgegaan door een herzieningsverklaring behalve 1961, 1971, 1974, 1977 en 1985.

Ontbindingsbesluit[bewerken]

Daarnaast heeft de koning de bevoegdheid de Kamer(s) te ontbinden bij koninklijk besluit. Zoals elk KB moet het ontbindingsbesluit mede-ondertekend worden door een minister. Terwijl er vroeger wel al eens conflicten waren over hoeveel beslissingsmacht aan de Koning dan wel de regering toekomt, is dit heden[wanneer?] in de praktijk volledig een regeringsbevoegdheid.

Een ontbindingsbesluit kon aanvankelijk de Kamer, de Senaat of beide Kamers tezamen ontbinden. Dit gebeurde voor de Kamer al in de allereerste zittingsperiode, bij besluit van 28 april 1833. In de 19de eeuw kwam het vaker voor dat enkel de Kamer of Senaat werd ontbonden, maar later werden ze steeds samen ontbonden. Bij de hervorming van 1993 werd de Grondwet (namelijk Art. 71, voortaan Art. 46) ook aan deze praktijk aangepast: de koning kon voortaan de Kamer ontbinden, wat van rechtswege de ontbinding van de Senaat met zich meebracht. Er kwamen ook voorwaarden die de mogelijkheid om de Kamers te ontbinden beperkten. Sinds de hervorming van 2014 heeft de ontbinding van de Kamer niet meer de ontbinding van de Senaat tot gevolg; deze wordt dan ook niet meer rechtstreeks verkozen.

Sinds 1921 kon de koning bij ontbinding van de Senaat ook de provincieraden ontbinden, aangezien er sindsdien senatoren voor de provincieraden werden aangeduid. Deze bepaling (Art. 56quater) werd weggehaald in 1993, toen de provinciesenatoren werden afgeschaft en de provincieraden aan de gemeenteraden werden gekoppeld in plaats van aan het nationale niveau.

Frankrijk[bewerken]

In de huidige Vijfde Republiek kan de president van Frankrijk onder Art. 12 van de Grondwet, na overleg met de eerste minister en de parlementsvoorzitters, overgaan tot ontbinding (dissolution) van de Assemblée nationale. De Senaat kan niet ontbonden worden.

Onder de Vijfde Republiek (1958-heden) is dit dusver vijfmaal voorgekomen:

Nederland[bewerken]

Procedure[bewerken]

In Nederland wordt met kamerontbinding de ontbinding van de Tweede Kamer of Eerste Kamer bedoeld. Beide kamers kunnen door de regering worden ontbonden:

Artikel 64 lid 1 Grondwet: Elk der kamers kan bij Koninklijk Besluit worden ontbonden.

Men moet onderscheid maken tussen het besluit tot kamerontbinding en de kamerontbinding zelf. Het besluit tot kamerontbinding leidt tot nieuwe verkiezingen. De kamerontbinding zelf gaat pas in op de dag dat de nieuwe kamer bijeenkomt (artikel 64 lid 3 Grondwet).

In de volgende gevallen wordt besloten tot kamerontbinding:

  • 1. wanneer bij het overlijden van de Koning een opvolger ontbreekt (artikel 30 lid 2 Grondwet)
  • 2. na aanvaarding van een voorstel tot wijziging van de grondwet in eerste lezing (artikel 137 lid 3 Grondwet). Tot 1995 was ook de ontbinding van de Eerste Kamer in dit geval vereist.
  • 3. wanneer het kabinet niet langer het vertrouwen geniet van de Tweede Kamer en zijn ontslag indient bij de Koning en dit ontslag voorlopig wordt aanvaard (het ontslag wordt pas verleend bij installatie van een nieuwe regering)
  • 4. wanneer een conflict in de boezem van het kabinet (of binnen de coalitie als geheel) slechts kan worden beslecht door het kiezen van een nieuwe Tweede Kamer en het formeren van een nieuw kabinet op basis van de nieuw gekozen kamer.

De situaties 1 en 2 worden beschreven in de Grondwet. Situaties 3 en 4 zijn gebaseerd op ongeschreven recht en vloeien voort uit de vertrouwensregel. Met het besluit tot kamerontbinding ten behoeve van (grondwetswijziging) wordt tegenwoordig[wanneer?] gewacht tot de nieuwe verkiezingen aan het einde van een vierjarige zittingsperiode van de Kamer. Het besluit tot kamerontbinding vindt pas uitvoering op het moment dat de nieuwe kamer gekozen is. Binnen 40 dagen moet het besluit tot kamerontbinding dan ook gevolgd worden door het uitschrijven van nieuwe verkiezingen voor de betreffende Kamer.

Geschiedenis[bewerken]

Het recht tot kamerontbinding werd in de Grondwet van 1848 aan de regering gegeven. Het was bedoeld als een tegenwicht tegen de toen eveneens ingevoerde politieke ministeriële verantwoordelijkheid: enerzijds kon op die manier de Tweede Kamer de ministers ter verantwoording roepen, anderzijds konden de ministers bij een meningsverschil met de Tweede Kamer, besluiten de kamer te ontbinden en aldus de kiezers om een oordeel vragen.

Ontbinding van de Eerste Kamer[bewerken]

Tot 1995 bepaalde de grondwet dat de Eerste Kamer in geval van een grondwetsherziening net als de Tweede Kamer moest worden ontbonden. Door de invoering van de evenredige vertegenwoordiging en het feit dat alle leden van de Eerste Kamer sinds 1983 gelijktijdig verkozen worden door de Provinciale Staten (en sinds 2019 door de kiescolleges) heeft ontbinding van de Eerste Kamer doorgaans geen zin meer en is deze verplichting geschrapt. Doordat tussentijdse ontbinding van de Staten niet mogelijk is, zal ontbinding van de senaat namelijk in de regel niet een andere samenstelling tot gevolg hebben. Om dezelfde reden vindt geen conflictontbinding plaats. Als de Eerste Kamer toch ontbonden wordt, schrijft de grondwet voor dat de zittingsduur van de nieuwgekozen kamer eindigt op het tijdstip waarop de zittingsduur van de ontbonden kamer zou zijn geëindigd. Dit in verband met de koppeling van de Eerste Kamerverkiezingen aan die van de leden van de Provinciale Staten.[1] In 1986 leidde dit ertoe dat de (in verband met een grondwetsherziening) nieuwgekozen Eerste Kamer slechts een jaar zou zitten.[2]

De Eerste Kamer is met uitzondering van ontbindingen in het kader van een grondwetsherziening drie keer ontbonden: tweemaal, in 1850 en 1983, als gevolg van een verandering in het kiessysteem, en slechts eenmaal, in 1904, om politieke redenen.[3] De ontbinding in 1904 hield verband met de verwerping door de overwegend linkse Eerste Kamer van een wetsvoorstel van het rechtse kabinet-Kuyper tot wijziging van de Hoger Onderwijswet, en leidde door het toen nog geldende kiessysteem (de samenstelling van Provinciale Staten was intussen veranderd) wel tot een andere samenstelling van de senaat, waarna het wetsvoorstel alsnog aanvaard werd.[4]

Referenties[bewerken]

  1. P.P.T. Bovend'Eert, commentaar op artikel 64 Grondwet, aant. 4, in: Tekst & Commentaar Grondwet, Deventer: Wolters Kluwer 2018 (boek en online).
  2. P.P.T. Bovend'Eert & H.R.B.M. Kummeling, Het Nederlandse parlement, Deventer: Wolters Kluwer 2017, p. 97.
  3. P.P.T. Bovend'Eert & H.R.B.M. Kummeling, Het Nederlandse parlement, Deventer: Wolters Kluwer 2017, p. 462.
  4. J.Th.J. van den Berg & J.J. Vis, De eerste honderdvijftig jaar. Parlementaire geschiedenis van Nederland 1796-1946, Amsterdam: Bert Bakker 2013, p. 517-518; P.P.T. Bovend'Eert & H.R.B.M. Kummeling, Het Nederlandse parlement, Deventer: Wolters Kluwer 2017, p. 462.