Latijnse klassen

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Met Latijnse klassen wordt een indeling van Latijnse substantieven (zelfstandige naamwoorden) en adjectieven (bijvoeglijke naamwoorden) bedoeld, die vooral bij het aanleren van Latijn op de middelbare school wordt gebruikt. Deze wijkt af van de onderverdeling in declinaties (zie: Algemene Latijnse vervoegingen en verbuigingen).

Naamvallen[bewerken | brontekst bewerken]

Het klassiek Latijn kent zes naamvallen. Een naamval is een middel waarmee de grammaticale functie van een naamwoord of voornaamwoord in het grotere verband van de zin wordt aangegeven.

Gebruik[bewerken | brontekst bewerken]

Naamval Gebruik Beknopt gebruik / Afkorting Voorbeeld
Nominatief

(nom.)

Onderwerp Ond. Avus dormit.
Grootvader slaapt.
Naamwoordelijk deel van het gezegde bij het werkwoord esse of predicaatsnomen NWD Avus senex est.
Grootvader is een oude man.

BVG (bepaling van gesteldheid)

Vocatief

(voc.)

Aangesproken persoon Vale, ave!
Tot ziens, grootvader!
Accusatief

(acc.)

Lijdend voorwerp LV Avum video.
Ik zie grootvader.
Subjectsaccusativus, dus onderwerp Ond. in inf.zin. Gaudeo avum hic esse.
Ik ben blij dat grootvader hier is.
Bijwoordelijke bepaling na bepaalde voorzetsels[1] BWB na bep. voorzetsels Apud avum sumus.
We zijn bij grootvader.
Bijwoordelijke bepaling van richting of duur Acc. van richting Avus Romam it.
Grootvader gaat naar Rome.
Bij sommige voorzetsels die als prefix in een werkwoord vervat zijn Prefixacc. Avus aviam fluminem traduxit.
Grootvader brengt grootmoeder over de rivier.
Genitief

(gen.)

Van-bepaling of bezittelijke bepaling Bezitsgen. Hic est liber avi.
Dit is het boek van grootvader.
Bepaling bij een substantief dat van een werkwoord is afgeleid, waarbij de genitief het voorwerp zou zijn. Ook worden enkele adjectieven en werkwoorden gevolgd door een voorwerpsgenitief[2] Voorwerpsgen. Avus spem vitae post mortem habet.
Grootvader koestert hoop op leven na de dood.
Grootvader hoopt op leven na de doodop leven na de dood is voorwerp bij hoopt
Bepaling bij een substantief dat van een werkwoord is afgeleid, waarbij de genitief het onderwerp zou zijn Onderwerpsgen. Avus canit victoriam Graecorum.
Grootvader bezingt de overwinning van de Grieken.
De Grieken overwinnende Grieken is onderwerp bij overwinnen
Bij woorden die een deel uitdrukken[3] Partitieve gen. of gen. van het geheel Avus partem panis edit.
Grootvader eet een deel van het brood.
De genitief van eigennamen van steden en kleine eilanden van de eerste klasse, die voorkomen in het enkelvoud, kan de plaats uitdrukken Gen. van plaats Avus Romae est.
Grootvader is in Rome.
Maar niet: Avus Athenarum est.
Zie: ablatief → BWB van plaats
Datief

(dat.)

Meewerkend voorwerp (aan of voor) MV Piscem avo dono.
Ik geef een vis aan grootvader.
Bij sommige werkwoorden en adjectieven[4] Voorwerpsdat.
  • Avus pecuniae parcit.
    Grootvader spaart geld.
  • Avus iratus tibi est.
    Grootvader is woedend op jou.
Om bezit uit te drukken in combinatie met het werkwoord esse Bezitsdat. Avo duo liberi sunt.
Grootvader heeft twee kinderen.
Letterlijk: Aan grootvader zijn twee kinderen.
Handelend persoon bij een gerundivum HP Nunc vina avo bibendum est.
Nu moet grootvader de wijn drinken.
Letterlijk (bij benadering): Nu is het aan grootvader de wijn te drinken.
Om aan te duiden of een persoon of zaak voor- of nadeel ondervindt bij de handeling Dat. van voordeel/nadeel Avus nepotibus vivit.
Grootvader leeft voor zijn kleinkinderen.
Bij sommige voorzetsels die als prefix in een werkwoord vervat zijn[5] Prefixdat. Avus nepotibus adest.
Grootvader staat zijn kleinkinderen bij.
Om het doel van een bepaalde actie weer te geven. Dat. van doel Avus aviae auxilio venit.
Grootvader komt grootmoeder te hulp.
Ablatief

(abl.)

Bijwoordelijke bepaling van middel BWB van middel Avus stilo scribit.
Grootvader schrijft met een schrijfstift.
Bijwoordelijke bepaling van oorzaak BWB van oorzaak Avus metu fugit.
Grootvader vlucht uit angst.
Bijwoordelijke bepaling van wijze BWB van wijze Avus magnā curā litteras scribit.
Grootvader schrijft met grote zorg een brief.
Bijwoordelijke bepaling van tijd BWB van tijd Avus aestate iter facit.
's Zomers maakt grootvader een reis.
Bijwoordelijke bepaling van plaats; ook bij namen van steden en kleine eilanden van de tweede of derde klasse, of van de eerste klasse die in het meervoud voorkomen.

Meestal wordt voor de bepaling van plaats echter geen losse ablativus gebruikt, maar het voorzetsel in + ablativus.

BWB van plaats
  • Avus lapide sedet.
    Grootvader zit op een steen.
  • Avus Athenis est.
    Grootvader is in Athene.
    • Maar niet: Avus Romā est.
      Zie: genitief → gen. van plaats
Bijwoordelijke bepaling na bepaalde voorzetsels BWB na vz. Avus in horto est.
Grootvader is in de tuin.
Handelend voorwerp HV Lapis primus ab avo ponitur.
De eerste steen wordt door grootvader gelegd.
Tweede lid van een vergelijking, dus na een comparatief 2e lid vgl. Avus non melior aviā est.
Grootvader is niet beter dan grootmoeder.
Bij werkwoorden en adjectieven die een verwijdering, een scheiding, een gemis, een weggaan, een beroving of een bevrijding uitdrukken[6] heeft de ablatief van scheiding de functie van voorzetselvoorwerp Abl. van scheiding Avia nepotibus suis caret.
Grootmoeder mist haar kleinkinderen.
De losse ablatief of ablativus absolutus wordt ook uitgedrukt in de ablatief LA Aviā dormiente[7], avus in horto laborat.
Terwijl grootmoeder slaapt, werkt grootvader in de tuin.
Enkele deponente werkwoorden worden gevolgd door een voorwerpsablatief[8], met de functie van lijdend voorwerp of voorzetselvoorwerp Voorwerpsabl. Avus vitā fruitur.
Grootvader geniet van het leven.

Alle naamvallen worden ook gebruikt als bijstelling of bepaling van gesteldheid.

De substantieven[bewerken | brontekst bewerken]

In het Latijn zijn alle substantieven onderverdeeld in declinaties, naargelang hun verbuiging. Zoals de inleiding zegt kan men de substantieven ook onderverdelen in klassen, woordgroepen dus.

Net zoals het Frans en het Nederlands kent het Latijn geslachten. Deze zijn mannelijk, vrouwelijk en onzijdig. (Het Frans onderscheidt enkel mannelijk en vrouwelijk. Het Nederlands heeft in principe drie geslachten).

Eerste klasse van de substantieven[bewerken | brontekst bewerken]

Elke klasse heeft haar paradigma's. Dit zijn de voorbeeldwoorden van de klasse en geslacht waaraan je kan zien hoe gelijkaardige woorden verbogen worden.

Substantieven
klasse I
Enkelvoud Meervoud
mannelijk vrouwelijk onzijdig mannelijk vrouwelijk onzijdig
Nominatief Av-us
(grootvader)
Ros-a
(roos)
Don-um
(geschenk)
Av-i
(grootvaders)
Ros-ae
(rozen)
Don-a
(geschenken)
Vocatief Av-e Ros-a Don-um Av-i Ros-ae Don-a
Accusatief Av-um Ros-am Don-um Av-os Ros-as Don-a
Genitief Av-i
(van grootvader)
Ros-ae Don-i Av-orum Ros-arum Don-orum
Datief Av-o
(aan/voor grootvader)
Ros-ae Don-o Av-is Ros-is Don-is
Ablatief Av-o
( met/door grootvader)
Ros-ā Don-o Av-is Ros-is Don-is

In de tweede klasse van de substantieven worden mannelijke en vrouwelijke substantieven op dezelfde manier verbogen.

Tweede klasse van de substantieven[bewerken | brontekst bewerken]

Substantieven
klasse II
Enkelvoud Meervoud
m. v. o. m. v. o.
Nominatief Dux
(leider)
Mater
(moeder)
Corpus
(lichaam)
Duc-es Matr-es Corpor-a
Vocatief Dux Mater Corpus Duc-es Matr-es Corpor-a
Accusatief Duc-em Matr-em Corpus Duc-es Matr-es Corpor-a
Genitief Duc-is Matr-is Corpor-is Duc-um Matr-um Corpor-um
Datief Duc-i Matr-i Corpor-i Duc-ibus Matr-ibus Corpor-ibus
Ablatief Duc-e Matr-e Corpor-e Duc-ibus Matr-ibus Corpor-ibus

Derde klasse van de substantieven[bewerken | brontekst bewerken]

Substantieven
klasse III
Enkelvoud Meervoud
m. v. m. v.
Nominatief Fructu-s
(vrucht)
Die-s
(dag)
Fructu-s Die-s
Vocatief Fructu-s Die-s Fructu-s Die-s
Accusatief Fructu-m Die-m Fructu-s Die-s
Genitief Fructu-s Die-i Fructu-um Die-rum
Datief Fructu-i Die-i Fructi-bus Die-bus
Ablatief Fructu Die Fructi-bus Die-bus

Er bestaan in de derde klasse maar enkele onzijdige woorden zoals cornu (hoorn, legerflank) en genu (knie).

Ook is er een onregelmatige verbuiging van domus (huis), deze gaat gedeeltelijk volgens de eerste klasse.

Substantieven
klasse III bis
Enkelvoud Meervoud
v./o. v./o.
Nominatief Dom-us(huis)/
Cornu(hoorn, legerflank)
Dom-us/Cornu-a
Vocatief Dom-us / Cornu Dom-us/Cornu-a
Accusatief Dom-um / Cornu Dom-os/Cornu-a
Genitief Dom-us / Cornu-s Dom-orum/Cornu-um
Datief Dom-ui / Corn-i Dom-ibus/Corn-ibus
Ablatief Dom-o / Cornu Dom-ibus/Corn-ibus

Opmerkingen bij de substantieven[bewerken | brontekst bewerken]

  • Sommige naamwoorden (adjectieven en substantieven) van de eerste klasse eindigen in de nominatief mannelijk enkelvoud op -er of -r. In de stam kan dan de -e- wegvallen (ager = agri, puer = pueri).
  • Bij de meeste substantieven van de eerste klasse waarvan de stam eindigt op –i of –e, is de vocatief gelijk aan de stam. Bij diegenen waarvan de stam eindigt op -e, wordt de -e vervangen door een -i. Deze regel is niet van toepassing op deum, socium, liberum en virum.
  • Deus heeft een onregelmatige nominatief en vocatief meervoud, namelijk di. Maar ook de datief en ablatief meervoud is anders, namelijk dis. Dit is niet zo bij dea.
  • Sommige woorden worden als vrouwelijke Ie sub. verbogen maar zijn mannelijk (agricola en namen van rivieren).
  • Vroeger was de GEN v. enk. –as, zoals in pater familias.
  • In Latijnse poëzie is de uitgang van de ABL en DAT mv. van filia en dea soms –ābus, om verwarring met filius en filia te voorkomen
  • Sommige woorden worden als mannelijke Ie sub. verbogen maar zijn onzijdig/vrouwelijk (bomen, (ei)landen, steden enz).
    • Aegyptus, Populus (populier), Corinthus (Korinthe), humus (grond). Onzijdig is vulgus (gepeupel).
  • De meeste IIe sub. op –us en –men zijn meestal onzijdig, -o, -s en –x vrouwelijk, -er, -or en -os mannelijk.
  • Sommige woorden worden als mannelijke IIIe sub. verbogen maar zijn noch vrouwelijk noch onzijdig (v: manus (hand), o: enige woord: cornu). Ook domus is vrouwelijk en wordt deels als fructus verbogen en deels als avus.
  • Soms wordt van de locativus gesproken, dit is een onderdeel van de ABL en volledig zoals ABL verbogen (LOC = plaats).
  • Dies is het paradigma voor de vrouwelijke IIIe sub., maar zelf kan het ook mannelijk zijn als de dag onbekend is. Als een bepaalde dag wordt bedoeld is ze vrouwelijk (daarom is het dies ill-a).
  • De uitzonderingen van de laatste opmerking bij de adjectieven is soms van toepassing op de substantieven.

Adjectieven[bewerken | brontekst bewerken]

Eén vorm[bewerken | brontekst bewerken]

Bijwoord
Vorm voor het bijwoord, als het adj. terugvalt op het werkwoord.(goede opa = avus bonus, opa ziet goed = avus bene videt)

Eerste klasse van de adjectieven[bewerken | brontekst bewerken]

Adjectieven
klasse I
Enkelvoud Meervoud
mannelijk vrouwelijk onzijdig mannelijk vrouwelijk onzijdig
NOM Bon-us
(goed(e))
Bon-a Bon-um Bon-i Bon-ae Bon-a
VOC Bon-e Bon-a Bon-um Bon-i Bon-ae Bon-a
ACC Bon-um Bon –am Bon-um Bon-os Bon-as Bon-a
GEN Bon-i Bon-ae Bon-i Bon-orum Bon-arum Bon-orum
DAT Bon-o Bon-ae Bon-o Bon-is Bon-is Bon-is
ABL Bon-o Bon-ā Bon-o Bon-is Bon-is Bon-is
BIJW Ben-e (onr).: regelmatige vorming: stam+e (maxime,heel groot)

Tweede klasse van de adjectieven[bewerken | brontekst bewerken]

Adjectieven
klasse II
Enkelvoud Meervoud
m.+v. o. m.+v. o.
NOM Felix
(gelukkig(e)) / Fortis
Felix/Fort-e Felic-es/Fort-es Felic-ia/Fort-ia
VOC Felix/Fortis Felix/Fort-e Felic-es/Fort-es Felic-ia/Fort-ia
ACC Felic-em/Fort-em Felix/Fort-e Felic-es/Fort-es Felic-ia/Fort-ia
GEN Felic-is/Fort-is Felic-is/Fort-is Felic-ium/Fort-ium Felic-ium/Fort-ium
DAT Felic-i/Fort-i Felic-i/Fort-i Felic-ibus/Fort-ibus Felic-ibus/Fort-ibus
ABL Felic-i/Fort-i Felic-i/Fort-i Felic-ibus/Fort-ibus Felic-ibus/Fort-ibus
BIJW Normaal: -iter/eindigend op -ax: -ter/eindigend op -ns: -er
Adjectieven
klasse II bis
Enkelvoud Meervoud
m. v. o. m. v. o.
NOM Acer Acris Acre Acr-es Acr-es Acr-ia
VOC Acer Acris Acre Acr-es Acr-es Acr-ia
ACC Acr-em Acr-em Acre Acr-es Acr-es Acr-ia
GEN Acr-is Acr-is Acr-is Acr-ium Acr-ium Acr-ium
DAT Acr-i Acr-i Acr-i Acr-ibus Acr-ibus Acr-ibus
ABL Acr-i Acr-i Acr-i Acr-ibus Acr-ibus Acr-ibus
BIJW Normaal: -iter/eindigend op -ax: -ter/eindigend op -ns: -er

Bij de adjectieven bestaat er geen derde klasse of woordgroep.

Opmerkingen bij de adjectieven[bewerken | brontekst bewerken]

  • Bij sommige bijwoorden van de adjectieven van de Ie klasse zijn er uitzonderingen (bone → bene) en zijn er woorden die enkel in het bijwoord bestaan (cito, afgeleid van het p.p.p. citus van ciere).
  • Bij sommige bijwoorden van de adjectieven van de IIe klasse zijn er uitzonderingen (trist → triste / facil → facile).
  • Anders dan bij het substantief van de IIe klasse (bijvoorbeeld de nominativus enkelvoud), zijn er bij de adjectieven van de IIe klasse niet oneindig vele mogelijkheden. Men kan kiezen tussen 3 mogelijkheden: felix, fortis of acer.
    • acer lijkt in veel gevallen niet op felix, deze krijgt een andere tabel.
  • Bij de naamwoorden (adj. + sub.) van de IIe adj./sub. zijn er maar 3 uitgangen verschillend tussen sub. en adj.:
    de NOM/ACC/VOC O. MV. wordt de –a een –ia
    de ABL ENK. wordt de –e een –i
    de GEN MV. wordt de –um een –ium
    • Maar er zijn afwijkingen:
    I 3 adj. die worden verbogen als sub.: dives, pauper, vetus.
    II sub. die worden verbogen als adj.: onzijdig enkel meervoud en onzijdig met –e, -al of –ar.(bv. moen-ia) (* deze hebben meestal een ACC mv. op –is in plaats van -es.)
    III sub. met enkel GEN MV. op –ium: - gelijklettergrepige sub.(NOM en GEN hebben evenveel lettergrepen)(bv. avis)
    sub. met minstens 2 medeklinkers voor de uitgang. (bv. coll-is)

(* deze hebben meestal een ACC mv. op –is in plaats van -es.)

  • IV “de kleine familie” is wel normaal: pater, mater, parentes, frater, iuvenis, senex, canis, sedes.