Lijflandse Oorlog
| Lijflandse Oorlog | ||||
|---|---|---|---|---|
| Onderdeel van de Noordse Oorlogen, Russisch-Zweedse oorlogen, Pools-Russische oorlogen, Pools-Zweedse Oorlogen | ||||
De Russische belegering van Narva in 1558 | ||||
| Datum | 1558-1583 | |||
| Locatie | Estland, Lijfland, Ingermanland, Rusland | |||
| Resultaat | Deens-Noorse, Pools-Litouwse en Zweedse overwinning | |||
| Casus belli | Verdrag van Pozvol | |||
| Territoriale veranderingen |
Estland ging naar Zweden; Lijfland, Koerland en Semgallen gingen naar Polen-Litouwen; Ösel ging naar Denemarken-Noorwegen | |||
| Strijdende partijen | ||||
| ||||
| Leiders en commandanten | ||||
|
| ||||
De Lijflandse Oorlog van 1558 tot 1583, ook wel de Eerste Noordse Oorlog genoemd, was de eerste fase in een langdurig militair conflict tussen het tsaardom Rusland (Moskovië) en zijn westelijke buren – met name de Lijflandse Confederatie, het in 1569 gevormde Pools-Litouws Gemenebest, Denemarken en Zweden[2] – over de macht in de gebieden die nu Estland en Letland vormen. Terwijl tsaar Ivan de Verschrikkelijke dacht een snelle overwinning te behalen door het verzwakte Lijfland te bezetten, intervenieerden al snel andere grootmachten in de regio om de Moskovieten tegen te houden.[2]
Achtergrond
[bewerken | brontekst bewerken]Tegen 1550 was de Lijflandse Confederatie danig verzwakt door de Reformatie, aangezien de vele tot het lutheranisme bekeerde Lijflandse Ridders het gezag van de katholieke bisschoppen van Riga, Dorpat, Ösel-Wiek en Pilten niet meer erkenden.[2] Dat terwijl oosterbuur Rusland sterker was geworden na de vernietiging van de islamitische kanaten Kazan en Astrachan.[3] Daarom leek Lijfland een makkelijk doelwit voor Moskou.[2] De zelfverklaarde Russische tsaar Ivan IV de Verschrikkelijke eiste dat het prinsbisdom Dorpat een enorme som aan tribuut betaalde (40.000 taler). De onderhandelingen hiertoe, in 1554 en 1557, mislukten allebei, omdat Lijfland weigerde deze tribuut aan Moskovië te betalen.[4]
Toen de Lijflandse Confederatie bescherming zocht bij het Grootvorstendom Litouwen met het Verdrag van Pozvol (september 1557), beschouwde tsaar Ivan IV dit als casus belli tegen de Lijflandse Confederatie. Hij besloot over te gaan tot een invasie, met als doel toegang te krijgen tot de Oostzee. Waar hij echter veel te weinig rekening mee hield was de torenhoge militaire kosten die zijn recente oorlogen tegen Kazan, Astrakan en de Krim hem al mee hadden opgezadeld.[5] Daar kwamen nog de kosten van de bezettingstroepen aldaar bovenop, omdat de zojuist overwonnen volkeren nog steeds opstandig waren. Na de verovering van Kazan in 1552 voerde bevolking nog vier jaar lang (tot 1556) opstand tegen de Russen.[5] De kosten van transport en logistiek van troepen, materieel, proviand en dergelijken kwamen daar nog bij; al met al kon Moskovië deze militaire avonturen amper betalen.[5] Horace Dewey (1965) concludeerde dat "de problemen van het financieren van de laatste veldtochten tegen Kazan en Astrachan" hadden geleid tot "het faillissement van de schatkist van Moskou."[6] Mede daarom zocht Ivan naar nieuwe inkomstenbronnen en besloot hij te proberen de Lijflandse Confederatie te dwingen hem tribuut af te dragen.[5] Het besluit om Lijfland de oorlog te verklaren toen zij dit weigerden, is achteraf een catastrofale fout van Moskou gebleken, omdat dit nieuwe militaire avontuur de Russische staat alleen nog maar verder in de schulden stortte.[5]
Verloop
[bewerken | brontekst bewerken]Russische invasie van Lijfland (1558–1560)
[bewerken | brontekst bewerken]
Russische troepen vielen in januari 1558 de Lijflandse Confederatie binnen. De Russen bezetten in mei Dorpat en in juli Narva en belegerden vervolgens Reval (Tallinn). De Lijven heroverden met behulp van Duitse landsknechten en munitie Wesenberg (Rakvere). In 1559 vielen de Moskovieten opnieuw Lijfland binnen en bezetten nog meer gebieden. Tussen mei en november 1559 werd er voor de duur van een half jaar een wapenstilstand gesloten. De Lijflandse diplomaten probeerden in die tijd hulp te krijgen van keizer Ferdinand I, maar dat mislukte. Ze hadden echter succes bij Litouwen met het Verdrag van Vilnius van 31 augustus 1559, waarbij Lijfland een protectoraat werd van de Pools-Litouwse kroon. De Sejm van Polen weigerde het verdrag echter te ratificeren, omdat ze meenden dat dit slechts een aangelegenheid van Litouwen was en niet van Polen. In januari 1560 stuurde Sigismund II August ambassadeur Martin Volodkov naar Moskou om protest aan te tekenen tegen de verwoesting van het Lijflandse platteland door de Moskovitische cavalerie, maar Ivan luisterde er niet naar en bleef aanvallen. Op 2 augustus 1560 leden de Lijflandse ridders een gevoelige nederlaag bij Ērģeme (Ermes) op de huidige Ests-Letse grens. Dit betekende effectief het einde van de Lijflandse cavalerie en de Lijflandse Confederatie kon zich alleen nog maar richten op het verdedigen van forten. Het grondgebied van Lijfland werd grotendeels bezet door Moskovië.
Opsplitsing van Lijfland (1561)
[bewerken | brontekst bewerken]Met het tweede Verdrag van Vilnius op 28 november 1561 werd de zwakke Lijflandse Orde ontbonden. Het gebied werd geseculariseerd en gesplitst in het Hertogdom Lijfland (dat onderdeel werd van het Grootvorstendom Litouwen) en het Hertogdom Koerland en Semgallen (dat een vazalstaat van Polen werd, met de laatste grootmeester der Lijflandse Orde Godhard Kettler als hertog). Het Koninkrijk Zweden breidde zijn territorium in Estland uit en Denemarken-Noorwegen verkreeg het eiland Saaremaa.
Erik XIV van Zweden en Frederik II van Denemarken zonden troepen om hun nieuwe gebieden te beschermen. In 1561 gaf de stadsraad van Reval in Estland zich over aan Zweden. De noordelijke steden zochten de bescherming van Stockholm tegen Moskou.[2] Reval werd een bruggenhoofd voor de verdere Zweedse uitbreiding in de gebieden ten oosten van de Oostzee.
Vastgelopen front (1562–1564)
[bewerken | brontekst bewerken]
Tegen 1562 was Rusland in oorlog met de koninkrijken Polen en Zweden. De legers en diplomaten van de tsaar waren in eerste instantie succesvol. Er werd een bondgenootschap gesloten met Denemarken en een wapenstilstand met Zweden.[2] In 1563 werd Polatsk door de Moskovieten bezet.[2][7] Ook hielden ze plundertochten tegen andere Belarusische steden, zoals Vitsebsk, Sjklow en Orsja.[7] Door deze tegenslag groeide onder de lagere Litouwse adel de steun voor een federale unie met Polen om zich samen tegen de Russen te kunnen verdedigen.[7] In 1564 stokte hun opmars echter, maar Ivan sloeg een vredesvoorstel van de Litouwers af.[8]
Ivan de Verschrikkelijke en de Opritsjnina (1565–1572)
[bewerken | brontekst bewerken]Ivan de Verschrikkelijke probeerde overal meer geld vandaan te halen, met name door hogere directe belastingen van burgers, kloosters en de adel te eisen; deze hervormingen van het belastingstelsel waren redelijk succesvol op korte termijn, maar beschadigden de welvaart van Moskovië op de lange termijn.[9] De oorlog zat vast, maar in 1566 won Ivan steun van de adel en steden uit de zemsjtsjina om met extra geld zijn invasie van Lijfland te kunnen blijven voortzetten.[10]
Tegelijkertijd ondergroef Ivan zelf de stabiliteit van zijn rijk door in 1565 zogenaamd af te treden als tsaar en de Opritsjnina in te voeren: aparte bestuurlijke gebieden onder leiding van nieuw aangestelde handlangers, de opritsjniks, die alles en iedereen terroriseerden die ook maar het minste of geringste zouden doen wat leek op "verraad" of belastingontduiking.[11] Het is voor historici nog altijd onduidelijk waarom Ivan, die vanwege deze opritjsniks de bijnaam "de Verschrikkelijke" kreeg, überhaupt de Opritsjnina had ingesteld.[11] In plaats van het tsaardom meer macht en inkomsten op te leveren, doodden de opritsjniks minstens 4000 veelal onschuldige mensen en plunderden en beroofden anderen, inclusief de stad Veliki Novgorod in 1570.[11] Ze konden zijn oorlog tegen Lijfland niet financieren (daar had Ivan nog steeds de zemsjtjina oftewel de rest van het land voor nodig) en in 1571 lieten de opritsjniks zelfs de Krim-Tataren dwars door de Moskovische verdedigingslinies dringen, terwijl de zemsjtsjina het jaar daarna de Tataren daadwerkelijk wisten te verdrijven.[12] Uiteindelijk schafte Ivan in 1572 de opritsjniks weer af omdat ze alleen maar contraproductief hadden gewerkt en bovendien dood en verderf in Moskovië hadden gezaaid.[13]
Desondanks herhaalde Ivan deze onbegrijpelijke acties gedeeltelijk in 1575 door opnieuw quasi-troonsafstand te doen, een apart hof met een eigen privéleger in te stellen en een voormalige Tataarse khan op de troon van Moskou te zetten; in 1576 zette hij deze echter alweer af en keerde terug in het Kremlin.[13]
Oprichting Pools-Litouws Gemenebest (1568–1569)
[bewerken | brontekst bewerken]Ondertussen begrepen de Litouwers dat ze de rechtstreekse hulp van de Polen nodig hadden om de Russen tegen te houden. Ze boden aan om van de tot dan toe (bijna 200 jaar sinds de Unie van Kreva) louter personele unie met hetzelfde staatshoofd tussen Litouwen en Polen een ware federatie van twee landen te maken, met een gezamenlijk leger, (oorlogs)budget en buitenlands beleid.[14] In december 1568 organiseerde Sigismund II August te Lublin daartoe een gezamenlijke landdag, waar afgevaardigden van Litouwen en Polen het al snel eens werden over een gekozen koning-grootvorst zodra Sigismund zou overlijden (wat gebeurde in 1572), een gemeenschappelijk parlement (de Sejm) en verregaande autonomie voor het grootvorstendom Litouwen.[7]
De Poolse adel was echter slechts bereid tot de Unie onder strenge voorwaarden: de woiwodschappen in het huidige Oekraïne, waaronder Kiow (Kyiv), Tsjernihiv, Bratslav, Podolië, Wolynië, Roethenië en Belz, zouden voortaan onder de Kroon van het Poolse Koninkrijk moeten vallen in plaats van het Grootvorstendom Litouwen.[7][15] De Poolse adel zou daar landgoederen mogen aanwerven en de daar aanwezige boeren als horigen exploiteren, het katholicisme invoeren als bevoorrechte religie en het Latijn en uiteindelijk vooral het Pools als bestuurstalen laten prevaleren boven het Roetheens.[16][17] De Litouwers waren het daar aanvankelijk mee oneens, maar onder druk van de omstandigheden besloten ze daarmee toch akkoord te gaan, zodat ze de rest van hun grondgebied (met name de huidige Baltische staten en Belarus) konden behouden.[7]
Op 1 juli 1569 werd zo de Unie van Lublin gesloten die het Pools-Litouws Gemenebest vormde en Polen ook een strijdende partij in de Lijflandse Oorlog tegen Moskovië maakte.[10][18]
Tataarse interventie en verste Moskovische opmars (1570–1577)
[bewerken | brontekst bewerken]
De Krim-Tataren van het Kanaat van de Krim begonnen met de Litouwers samen te werken na het begin van de Lijflandse Oorlog in 1558.[1] Zij hadden nul op hun rekest gekregen bij de Ottomanen toen ze voorstelden om samen het Kanaat Kazan van de Moskovieten te bevrijden, maar vonden een nieuwe bondgenoot in Vilnius, dat wél tegen Ivan de Verschrikkelijke durfde op te staan.[2] In 1571 en 1572 hielden zij veldtochten tegen Moskovië, dat verrast werd omdat het druk bezig was met Lijfland.[4]
Korte tijd later lanceerden de Moskovieten een nieuw offensief tegen Litouwen.[10] Pärnu werd in 1575 ingenomen en het Groothertogdom Litouwen werd bijna tot Vilnius onder de voet gelopen. In 1577 slaagden de Russen er deze keer in om vrijwel heel Lijfland (behalve de steden Reval en Riga) te bezetten, maar vanaf toen ging de oorlog voor hen bergafwaarts.[10]
Russen uit Lijfland en Litouwen verjaagd (1578–1583)
[bewerken | brontekst bewerken]

Na eerdere vredesvoorstellen afgewezen te hebben, bevond de tsaar zich in 1579 in een moeilijke positie. De Opritsjnina (Опричнина) hadden de Russische economie danig verstoord en de Polen en Litouwers hadden zich nu tegen hem verenigd. Intussen was Stefanus Báthory in 1574 gekozen tot koning van Polen en grootvorst van Litouwen, had zijn regering gevestigd, het leger van het kersverse Gemenebest hervormd en voorbereid op een tegenaanval.[10] In 1579 bevrijdde Báthory Polatsk weer[10] en ook belegerde hij Pskov (1579). In 1580 viel hij Velikieje Loeki in Rusland aan.[10] De Poolse en Litouwse legers rukten verder op naar Veliki Novgorod en brandschatten het platteland tot aan Pskov.[10] Ondertussen hadden de Zweden de Moskovische vestingen aan de kust van de Finse Golf veroverd en in 1581 nam een Zweeds huurlingenleger onder Pontus de la Gardie de strategische stad Narva in.[10] Ze marcheerden door, Rusland in, en hielden pas halt bij het Ladogameer in 1582; dit dwong Ivan uiteindelijk naar de onderhandelingstafel.[10]
Vredesverdragen
[bewerken | brontekst bewerken]In 1582 moest Ivan de Verschrikkelijke uiteindelijk zijn verlies toegeven en de Pools-Litouwse controle over Lijfland erkennen met een tienjarige wapenstilstand, de Vrede van Jam Zapolski.[10] In 1583 sloot hij ook een wapenstilstand met Zweden, de Vrede van Plussa, waarbij hij afstand moest doen van alle kustgebieden rondom de Finse Golf (inclusief de rijke handelsstad Narva), behalve de Nevamonding (zijn enige resterende toegang tot de Oostzee), terwijl de Zweden ook de noordwestelijke gebieden van Novgorod bezet hielden.[10]
Nasleep
[bewerken | brontekst bewerken]
Een jaar na de oorlog overleed Ivan de Verschrikkelijke in 1584.[19] Zijn regeerperiode was een ramp voor Moskovië gebleken: de nederlaag in Lijfland was verwoestend voor het leger, de staatskas en de economie, terwijl het grondgebied verloor aan zijn vijanden in plaats van te veroveren.[19] In plaats van na een korte oorlog het zwakke Lijfland in te pikken, had Ivan het Pools-Litouws Gemenebest doen ontstaan als een sterke federatie, gedreven door de noodzaak tot een gezamenlijke verdediging tegenover Rusland.
De Opritsjnina hadden zijn eigen land verscheurd en ontvolkt, de peperdure belastingen hadden de bevolking verarmd, terwijl vijandelijke legers tot diep in Moskovië terugsloegen door falend defensiebeleid en Ivans eigen dynastie dreigde uit te sterven door zijn opvolging onzorgvuldig voor te bereiden.[19] Omdat de Lijflandse Oorlog zo lang voortduurde, konden de pomesjtsjiki-soldaten, die in vredestijd als boer voedsel verbouwden, jarenlang hun werk niet doen en bezorgden Rusland zo een nijpend agrarisch productietekort, wat weer tot hongersnoden leidde.[20] Bovendien sneuvelden veel soldaten in de oorlog of werden krijgsgevangen genomen door Tataarse, Pools-Litouwse of Zweedse troepen, zodat de Moskovische landbouw na de oorlog nog jarenlang een personeelstekort had.[20] Doordat het sociaal-economische systeem instortte waarmee de pomesjtsjiki-soldaten moesten worden gevoed en bevoorraad, nam de desertie onder hen flink toe van 1563 tot 1579, terwijl steeds minder pomesjtsjiki bereid waren om zich voor militaire dienst te melden naarmate de situatie verder verslechterde.[21] Dit leidde dan weer tot een steeds groter personeelstekort in het Russische leger, dat steeds verder verzwakte, de Lijflandse gebieden niet meer bezet kon houden tegen de tegenaanvallen van het Gemenebest en Zweden, laat staan de grenzen met het Krim-Kanaat bewaken, en uiteindelijk gedwongen werd om zich terug te trekken naar Moskou.[21]
Om de oorlog nog te kunnen betalen, werden de belastingen in de laatste oorlogsjaren nog verder verhoogd, waardoor de belastingdruk op de nog overlevende boeren zo groot werd dat sommige eronder bezweken, terwijl anderen het land ontvluchtten; daardoor kelderden de belastinginkomsten juist alleen nog maar verder en de bevolking nam verder af.[22] Moskovië zou nog decennia nodig hebben om enigszins te herstellen van de gevolgen van de Lijflandse Oorlog en het regime van Ivan de Verschrikkelijke.[19] Serhii Plokhy omschreef Ivan als een "daadkrachtig en charismatisch, maar ook onvoorspelbaar, wreed en uiteindelijk zelfvernietigend" heerser.[7]

De vorming van het Pools-Litouws Gemenebest in 1569, dat in 1572 bovendien een kiesmonarchie dan wel een gekroonde republiek werd, had ingrijpende gevolgen voor de geschiedenis van Centraal- en Oost-Europa. Tegen de Europese trend van absolutisme in zou hier geen alleenheerser alle macht hebben, maar werd deze verdeeld onder de szlachta oftewel de adel, zo'n 10% van de bevolking, die allemaal gelijkwaardig waren en stemrecht hadden; voor die tijd een proto-democratie. De situatie voor de boeren was een heel stuk minder rooskleurig, aangezien zij door de szlachta uitgebuit konden worden, al hadden zij meer rechten dan in Moskovië. De autonome positie van Lijfland binnen het Gemenebest betekende uiteindelijk dat de Baltische Staten nog eeuwenlang hun zelfstandigheid en eigenheid wisten te behouden. De nieuwe grens tussen de provincie Klein-Polen en het Grootvorstendom Litouwen zou uiteindelijk grosso modo de staatsgrens en taalgrens worden tussen Belarus en Oekraïne, waar de bevolking voordien allebei Roetheens sprak en schreef.[23] Aanvankelijk werd de Unie van Lublin er goed ontvangen en in de jaren 1570 vochten er eenheden van honderden Oekraïense Geregistreerde Kozakken in dienst van de Poolse koning mee in de Lijflandse Oorlog tegen Moskovië.[24] De komst van de katholieke Poolse adel naar het grotendeels orthodoxe Oekraïne, waar horige boeren door hen werden uitgebuit, zou in de decennia daarna echter tot steeds grotere spanningen leiden, die uitmondden in verschillende Kozakken-opstanden.[25] Door de Chmelnytsky-opstand ontstond uiteindelijk het Oekraïense Kozakken-Hetmanaat.[25]
Historicus Timothy Snyder vergeleek eind 2022 de Russische invasie van Oekraïne (begonnen op 24 februari 2022) met de Lijflandse Oorlog.[26] Toen Rusland een oorlog in Europa begon, had dit verrassende effect dat Europese landen besloten de krachten te bundelen tegen Rusland.[27]
- Bronnen
- Martin, Janet (2007). Medieval Russia: 980–1584. Second Edition. E-book. Cambridge University Press, Cambridge. ISBN 978-0-511-36800-4.
- Plokhy, Serhii (2022). The Gates of Europe: A History of Ukraine. Basic Books, pp. 414. ISBN 978-0-465-07394-8.
- Snyder, Timothy, The Making of Modern Ukraine. Class 9. Polish Power and Cossack Revolution. YaleCourses (5 oktober 2022). Geraadpleegd op 17 juni 2026. :27:40–49:22
- Noten
- Referenties
- 1 2 Martin 2007, p. 398.
- 1 2 3 4 5 6 7 8 Martin 2007, p. 401.
- ↑ Martin 2007, pp. 400–401.
- 1 2 Martin 2007, p. 400.
- 1 2 3 4 5 Martin 2007, p. 404.
- ↑ Martin 2007, p. 405.
- 1 2 3 4 5 6 7 Plokhy 2022, p. 91.
- ↑ Martin 2007, pp. 401–402.
- ↑ Martin 2007, pp. 405–406.
- 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 Martin 2007, p. 402.
- 1 2 3 Martin 2007, p. 391.
- ↑ Martin 2007, pp. 391–392.
- 1 2 Martin 2007, p. 392.
- ↑ Snyder 2022, 34:21.
- ↑ Snyder 2022, 34:57.
- ↑ Snyder 2022, 35:29.
- ↑ Snyder 2022, 37:01–42:39.
- ↑ Snyder 2022, 33:57.
- 1 2 3 4 Martin 2007, p. 415.
- 1 2 Martin 2007, pp. 413–414.
- 1 2 Martin 2007, p. 414.
- ↑ Martin 2007, pp. 414–415.
- ↑ Snyder 2022, 36:21.
- ↑ Plokhy 2022, p. 103.
- 1 2 Snyder 2022, 44:02.
- ↑ Snyder 2022, 28:18.
- ↑ Snyder 2022, 28:30.