Groothertogdom Litouwen

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Великое князство Литовское, Руское, Жомойтское и иных
(Velikoje Knjaztvo Litovskoje, Roeskoje, Zjomojtskoje i inych)
 Kievse Rijk
 Vorstendom Polotsk
13e eeuw – 1795 Koninkrijk Pruisen 
Keizerrijk Rusland 
Grunwald Pogoń czerwona.svg Pahonia - Пагоня, Grand Duchy of Lithuania COA (1575) cut.png
(Details) (Details)
Kaart
15e eeuw
15e eeuw
Algemene gegevens
Hoofdstad Kernavė (ca. 1279-1321)
Trakai (1321-13223)
Vilnius (1323-1795)
Talen Litouws, Roetheens (administratie en meerderheid van de bevolking), Pools
Religie(s) Heidendom
Katholicisme
Regering
Regeringsvorm Monarchie
Staatshoofd Grootvorst
Geschiedenis
- Derde Poolse Deling 24 oktober 1795

Het groothertogdom Litouwen (Groothertogdom van Litouwen, Roes en Samogitië, Roetheens: Великое князство Литовское, Руское, Жомойтское и иных, Velikoje Knjaztvo Litovskoje, Roeskoje, Zjomojtskoje i inych, Litouws: Lietuvos Didžioji Kunigaikštystė, Pools: Wielkie Księstwo Litewskie) was een Oost-Europese staat van de 12e[1] 13e eeuw tot de 18e eeuw.

Het groothertogdom omvatte in de 15e eeuw, de periode van zijn grootste uitbreiding, het grondgebied van het huidige Litouwen, Wit-Rusland, Oekraïne, Transnistrië en gedeelten van Polen en Rusland en was toen de grootste staat van Europa.[2] Door zijn uitgestrekte gebieden was het een multi-etnische staat.[3] Het groothertogdom was nauwer verwant aan het westen dan aan Rusland. Zo hadden ze het katholicisme omarmt in plaats van het Orthodoxisme. Ook schreven ze in het Latijns schrift dan in het Cyrillisch en hun politieke instituties vertoonde gelijkenissen met die in het westen.[4]

Het groothertogdom ontstond in de dertiende eeuw om de dreiging van de Duitse Orde het hoofd te kunnen bieden en had in Mindaugas haar eerste vorst. Mindaugas liet zich in 1253 dopen en verkreeg daardoor de koningstitel van paus Innocentius IV. Na de moord op Mindaugas kwamen er weer heidense vorsten op de troon van Litouwen. Dit veranderde nadat groothertog Jagiello koning van Polen kon worden en zich daarvoor bekeerde. Voor twee eeuwen lang zou zijn dynastie over Polen en Litouwen blijven regeren en in deze tijd raakten de twee staten steeds meer met elkaar vervlochten. In deze periode kon het groothertogdom haar eigen identiteit behouden. In een reeks van verdragen raakten beide staten steeds nauwer met elkaar verwant met als uiteindelijke hoogtepunt de Unie van Lublin waar de Pools-Litouwse Gemenebest werd gevestigd. De aanhoudende oorlogen met andere Oostzeemachten en met het Tsaardom Rusland zorgden ervoor dat het Gemenebest in de zeventiende en achttiende eeuw ernstig verzwakt raakte. Rusland wist in deze periode veel grondgebied af te snoepen van Litouwen waardoor het aan macht en invloed verloor. Er kwam een definitief einde aan het rijk met de Derde Poolse Deling in 1795.

Geschiedenis[bewerken]

Oorsprong[bewerken]

Het groothertogdom werd gesticht door de Litouwers, een van de heidense Baltische stammen, die van oorsprong in Aukštaitija (Boven-Litouwen) woonden.[5] In de vroege middeleeuwen bestond er geen politieke eenheid of organisatie in de Baltische gebieden. Het gebied kwam voor het eerst onder de aandacht van de Vikingen die begonnen met de kolonisatie van de regio voor het controleren van de handel met Constantinopel dat door de landstreek heenliep. Deze stammen hadden dan ook geen controle over de handel die in handen was van de Vikingen of van de Rurikiden. In ruil voor bescherming brachten sommigen Baltische stamhoofden hulde aan het Vorstendom Pskov of de Republiek Novgorod.[6] De naam van Litouwen duikt voor het eerst op in de Annalen van Quedlinburg waar het verslag doet over het jaar 1009. Hierin wordt verteld over bisschop Bonifatius die door een groep heidenen werd vermoord. Volgens sommige verhalen zou Bonifatius de Litouwse "koning" Nethimer hebben gedoopt.[7]

In 1198 gaf Paus Innocentius III zijn pauselijke goedkeuring voor de Noordelijke kruistochten om de heidense stammen in het Baltische gebied te bekeren. Hierop deed de Orde van de Zwaardbroeders zijn intrede in de regio. De Orde veroverde grote gebieden en bekeerde met harde hand de bevolking. In 1219 sloten de Litouwse hertogen een verdrag met het Koninkrijk Galicië-Wolynië om tegen de kruisvaarders te vechten. In de lijst van deze edelen kwam ook de naam van Mindaugas voor.[8] In 1236 wisten de Litouwers en de Samogitiërs in de slag van Saule de Zwaardbroeders te verslaan en ging deze op in de Duitse Orde. De dreiging van deze Orde was niettemin groot en hierdoor werden de Litouwers aangespoord om zich te verenigen onder hun eerste groothertog Mindaugas.[9]

De opkomst van Mindaugas[bewerken]

De doop van Mindaugas, schilderij uit de zeventiende eeuw van een onbekende schilder.

Mindaugus heerste aanvankelijk alleen over zijn eigen land, maar liet zich wel militair gelden in de regio. Hij sloot een persoonlijk bondgenootschap met Daniel van Galicië en veroverde andere gebieden in het latere Litouwen, zoals Navahroedak en Sudovië. Door de groeiende autoriteit, invloed en macht van Mindaugas kon hij zijn gezag ook laten gelden buiten Litouwen in andere etnische Litouwse gebieden. Weldra werd zijn gezag op de proef gesteld door zijn neven Tautvilas en Gedvydas en Vykintas, de hertog van Samogitië. Zij begonnen hierbij zelfs de Duitse Orde om hulp te vragen. Mindaugas stuurde zijn neven en Vykintas in 1248 op veldtocht naar Smolensk en maakte van hun afwezigheid gebruik om hun kastelen in te nemen. Ze zochten hun toevlucht bij Daniel van Galicië en Tautvilas liet zichzelf dopen door de aartsbisschop van Riga.[10]

Aangemoedigd door zijn eigen edelen die naar het christendom neigden nodigde Mindaugas in 1250 de grootmeester van de Lijflandse Orde, Andreas von Stierland, uit en kwam met hem tot een overeenkomst. Mindaugas zou zich laten dopen en zou daarop een kroon van de paus ontvangen waarmee hij de hoogste leider in Litouwen zou worden. In ruil bood Mindaugas aan de orde land en geschenken te geven voor hun steun in zijn strijd. In 1251 liet Mindaugas zich dopen en stuurde vervolgens een boodschapper over zijn bekering naar paus Innocentius IV en deze gaf hem daarop de koningstitel.[11]

Kortstondig koninkrijk[bewerken]

1rightarrow blue.svg Zie Koninkrijk Litouwen (1251-1263) voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Met zijn kroning waren de vijanden van Mindaugas nog niet verdwenen, wel werd hij bijgestaan door de Lijflandse Orde. Deze orde was ontstaan na de ontbinding van de Orde van de Zwaardbroeders, en met hun hulp kon Mindaugas in 1252 zijn vijanden verslaan. Vervolgens wist hij zijn macht te consolideren en kon hij op op 6 juli 1253 gekroond worden door de bisschop van Kulm. Een jaar later verzoende Mindaugas zich met Daniel van Galicië en ook met Tautvilas die hertog van Polotsk werd. In 1255 lanceerde hij samen met koning Daniel een militaire campagne om Kiev te veroveren, maar deze poging liep uit op een mislukking. Door deze campagne verslechterde de verhouding tussen de koningen weer.[12]

Het kersteningsproces in zijn land verliep moeizaam en de christenen werden in 1255 zelfs verdreven uit Litouwen. Ook de vrede met Lijfland viel verkeerd onder verschillende edelen, maar ook bij de Samogitiërs die nog in strijd met de orde waren. Zij vonden dat Mindaugas als koning van Litouwen en heersers van Dainava de natuurlijke vijand van de orde was. Zijn neef Treniota vergaarde langzamerhand meer invloed bij de Samogitiërs ten koste van Mindaugas. Eind 1255 kreeg Mindaugas toestemming van de paus om zijn zoon Vaišvilkas tot de tweede koning van Litouwen te kronen. Hij liet zich echter steeds meer in met de Lijflandse Orde wat tot meer wrevel met zijn vijanden leidde. Wel wist Litouwen in 1259 de Mongoolse aanvallen van Boroldai terug te slaan, maar dat was te danken aan het leiderschap van onder meer Tautvilas.[13]

In 1260 werd de Duitse Orde verslagen in de Slag bij Durbe door Treniota en onder druk van hem en de Samogitiërs ging Mindaugas uiteindelijk toch in de aanval tegen de Lijflandse Orde. Hij wist een paar overwinningen te behalen op Galicië-Wolhynië, maar het uitblijven van steun van de andere stammen zorgde voor groeiend wantrouwen jegens Treniota. In 1263 stuurde hij zijn tropen naar Bryansk onder leiding van Daumantas van Pskov, deze verliet het leger en vermoordde vervolgens Mindaugas en zijn zonen. Alleen Vaišvilkas wist te ontkomen naar het klooster waardoor Treniota de macht kon grijpen.[14]

Heidens groothertogdom[bewerken]

De heuvelforten van Kernavė, het machtscentrum van groothertog Traidenis in de dertiende eeuw.

Na de dood van Mindaugas keerde Litouwen terug naar haar heidense wortels, maar het land zou voor enige tijd verscheurd blijven door de machtsstrijd. Treniota werd een jaar na Mindaugas vermoord door zijn aanhangers. Vervolgens werd de weg vrijgemaakt voor de troonsbestijging van Mindaugas' zoon Vaišvilkas. Ze wisten Daumantas terug te drijven, maar in 1267 droeg Vaišvilkas de troon over aan zijn neef Sjvarn. Ondertussen begonnen ook enkele christelijke partijen de claim te leggen op het christelijk koninkrijk van Mindaugas, namelijk de Duitse Orde en koning Ottokar II van Bohemen. In 1268 begon deze laatste aan zijn kruistocht tegen de Litouwers, maar deze werd stopgezet door de Duitse Orde.[15]

De interne rust in Litouwen keerde terug met de troonsbestijging van groothertog Traidenis. Hij ontpopte zich als een sterke monarch die diplomatiek secuur te werk ging. Gedurende zijn regering wist hij twee grote militaire overwinningen te boeken op de ridderordes bij Karuse en Aizkraukle. Onder de leiding van Traidenis werden zijn gebieden en volk aaneengesmeed tot een vaste entiteit. Ook de plaats Kernavė floreerde onder hem en werd zijn belangrijkste politieke, militaire en handelscentrum.[16] Sinds de tijd van Mindaugas had Litouwen al nauwe contacten met Polotsk, waarmee het een groot belang kreeg in de Dnjepr handelsroute. Vanaf 1307 maakte Polotsk vast onderdeel uit van Litouwen.[17]

De Litouwse staat zou later verder versterkt worden door de dynastie van de Gediminiden, en in het bijzonder Gediminas. Hij wist handige politieke huwelijken voor zijn kinderen te sluiten met naburige staten. Hierdoor wist hij ook langzamerhand macht te vergaren in Roethenië. Litouwen groeide in die tijd uit tot een multireligieuze en multiculturele staat.[18] Gediminas breidde het grondgebied van Litouwen uit buiten zijn oorspronkelijke grenzen, waarbij het grote delen van het vroegere Kievse Rijk verwierf. Ondertussen bleef ook de strijd met de Duitse Orde woeden, want de orde kreeg continu aanwas vanuit West-Europa van edelen die wilde vechten tegen de Litouwers. De Litouwse groothertog en zijn edelen moesten continu vechten aan alle grensgebieden wat leidde tot de oprichting van verscheidene kastelen om hun positie te versterken, bijvoorbeeld Trakai, Medininkai, Vilnius, Lida en Krevo.[19] Grootvorst Algirdas wist in de Slag van de Blauwe Wateren in 1362 de Gouden Horde te verslaan en kon daardoor de stad Kiev definitief in bezit nemen.[20]

Personele unie met Polen[bewerken]

Jogaila en zijn vrouw (rechts) als de stichters van de Jagiellonische Universiteit

Na de dood van Lodewijk van Polen in 1382 werd diens dochter Hedwig van Polen aangewezen als koningin van Polen. Drie jaar later werd er contact gezocht vanuit Litouwen met Polen voor een verbintenis met grootvorst Jogaila. Op 14 augustus 1385 werd in Krevo een overeenkomst ondertekend waarin Jogaila met Hedwig kon trouwen. Hiervoor moest hij zich wel tot christen laten dopen en zijn heidense onderdanen tot het katholicisme bekeren voor een permanente unie tussen het Koninkrijk Polen en het groothertogdom Litouwen. Zodoende werd Jogaila in 1386 koning van Polen.[21] Hiermee kwam Jogaila te regeren over een rijk wat indertijd zes miljoen inwoners kende.[22] In 1399 gingen de Polen, Litouwers en de Duitse Orde een verbond aan om de Samogitiërs, de laatste heidense Litouwers, te verslaan. Kort na deze samenwerking zouden de verstandhoudingen met de orde weer verslechteren.[23]

Ondertussen bleef de Duitse Ordestaat een bedreiging vormen voor beide landen, maar in de slag bij Tannenberg in 1410 werd de orde beslissend verslagen. De oorlog met de Duitse ridders bracht Polen en Litouwen beslist dichter bij elkaar en na 1418 vormde het versnipperde Lijfland geen bedreiging meer voor de unie. Wel dienden zich gedurende de vijftiende eeuw twee nieuwe bedreigingen aan, namelijk het Grootvorstendom Moskou en het Kanaat van de Krim.[24] In diezelfde eeuw bereikte het groothertogdom zijn grootste omvang toen de khans van de Krim delen van de Zwarte Zeekust afstonden in ruil voor militaire steun. Het verkreeg de kuststrook waar de steden van Odessa en Otsjakiv tot behoorden. Dit gebied moest het groothertogdom uiteindelijk weer afstaan aan het Ottomaanse Rijk.[25]

Vanaf het moment dat Jogaila koning werd brak er ook een periode van burgeroorlogen uit in Litouwen. Eerst met zijn oom Kęstutis en zijn neef Vytautas. Deze laatste zocht herhaaldelijk de hulp op van de Duitse Orde, maar na het Pact van Vilnius en Radom keerde tijdelijk de rust terug in het rijk toen Vytautas als bijna-gelijke van Jogaila in Litouwen kon regeren.[26] Hij leidde in 1399 een groothertogelijk leger naar de Krim om hun positie aldaar te verstevigen, maar het Litouwse leger werd verslagen door de Gouden Horde in de Slag bij de Vorskla.[25] Na de dood van Vytautas in 1430 brak er een burgeroorlog uit tussen de hoofdtak van Jagiellonen en de tak van Sigismund Kęstutaitis, waarbij ook de Duitse ridders trachtten te profiteren van de strijd. De burgeroorlog resulteerde uiteindelijk in een verzoening tussen beide partijen. Na de dood van Jogaila ontstond er enige ontspanning. Onder begeleiding van kardinaal Zbigniew Oleśnicki werd Wladislaus III koning van Polen. In reactie daarop riepen de Litouwse bojaren diens jongere broer Casimir uit tot hun groothertog en na de dood van Wladislaus III wist Casimir ook de Poolse kroon te krijgen.[27]

Oorlogen met Rusland[bewerken]

De slag bij Orsha, schilderij toegeschreven aan Hans Krell.
1rightarrow blue.svg Zie Moskous-Litouwse Oorlogen voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Door de ideologie van het "Derde Rome" hadden de Moskovieten de missie om het oude Kievse Rijk te herstellen onder hun heerschappij. Deze boodschap kreeg echter weinig steun bij de Wit-Roetheniërs en Oekraïeners, die hun politieke en godsdienstige afscheiding koesterden in het groothertogdom. Deze ideologie vormde diverse malen een casus belli voor de Russen tegen Litouwen. De vijandelijkheden tussen Litouwen en Moskovië, later Rusland, begonnen in 1485 en zouden met enige tussenpozen voor drie eeuwen aanhouden. In 1494 viel het eerste groothertogelijke bolwerk Vjazma, maar de grootste overwinning wisten de Litouwers in 1514 te behalen in de Slag bij Orsha.[28] In de vrede die volgde na de wapenstilstand met de Russen in 1522 kon Litouwen zich herstellen, zijn economie versterken en zich cultureel ontwikkelen.[29]

Groothertog Alexander trachtte de betrekkingen te verbeteren tussen Litouwen en Rusland, maar grootvorst Ivan III van Moskou weigerde dit tot het "geboorterecht van de tsaar" was teruggeven.[30] In 1537 begon er een langere periode van vrede tussen beide partijen, maar in de voorafgaande periode had Litouwen Polatsk, Chernigov en Siversk al verloren. Onder leiding van de Poolse hetman Jan Tarnowski werd het Litouwse leger eind jaren vijftig van de zestiende eeuw gemoderniseerd.[31] Onder koning-groothertog Sigismund II werd de Unie van Wilno getekend en werd het Hertogdom Koerland en Semgallen een vazalstaat van Litouwen tijdens de Lijflandse Oorlog.[32]

Het Gemenebest[bewerken]

De Unie van Lublin, geschilderd door Jan Matejko.

Sigismund II wist dat hij zonder nageslacht zou sterven en vreesde voor chaos na zijn dood als Litouwen niet met Polen werd geïntegreerd. Daarop kwam in 1568 in Lublin de Sejm bijeen om een constitutionele unie te vormen tussen het koninkrijk en het groothertogdom. De onderhandelingen zouden ruim een halfjaar duren doordat de belangrijkste Litouwse edellieden, Mikołaj "de Rode" Radziwiłł, Jan Hieronimowicz Chodkiewicz en Ostafi Wołłowicz, weigerden mee te werken. Uiteindelijk ging Chodkiewicz overstag en zouden Polen en Litouwen worden samengevoegd tot een Rzeczposplita, een republiek of gemenebest: één ondeelbaar, organisch politiek geheel; één gekozen koning, één munt en één sejm. Bij de Unie van Lublin was het groothertogdom grote delen kwijtgeraakt aan Polen. Dit waren de provincies van Podlasië, Kiev en Wolhynië. Hiermee werd de verhouding van Litouwen ten opzichte van Polen kleiner, namelijk van 1:1,5.[33]

In 1576 kozen de Litouwse en de Poolse edelen de Hongaarse koning Stefanus Báthory tot de nieuwe koning-groothertog. Door een opstand in Danzig zag Rusland de kans schoon om Lijfland te veroveren en 1579 ging Báthory in het tegenoffensief en dat leidde tot het Beleg van Pskov. In januari 1582 sloten de twee landen vrede in het Verdrag van Yam Zapolski waarbij Moskou heel Lijfland teruggaf aan Litouwen en ook de stad Polatsk. Door de keuze voor de katholieke Sigismund Vasa stortte Polen zich onbedoeld in een strijd met de protestantse verwanten van hun nieuwe koning. Dit resulteerde in 1620 tot het verlies van Lijfland aan Zweden. Slechts de provincie Letgalia bleef behouden voor Litouwen.[34]

Polen-Litouwen wist zich buiten de Dertigjarige Oorlog te houden, maar in 1648 wist het onheil wel toe te slaan. In 1648 kwamen de kozakken in de Oekraïne in opstand onder leiding van hun hetman Bohdan Chmelnytsky. Zij trokken Polen en Litouwen binnen en ontketenden een reeks van invasies. In 1654 sloten de Moskovieten zich aan bij de kozakken. Bijna tegelijkertijd viel het Zweedse leger Noord-Polen en Litouwen binnen en werd Vilnius door hen veroverd. Groothetman Janus Radziwiłł spande vervolgens met Zweden samen om Litouwen aan de Poolse invloedssferen te onttrekken. Pas in 1656 en 1657 wist het Gemenebest zich te herpakken en zowel de Zweden als de Russen te verdrijven. In 1660 werd uiteindelijk het Verdrag van Oliwa gesloten, maar wel ging een groot deel van de Oekraïne verloren aan het Kozakken-Hetmanaat. In 1668 trad koning-groothertog Jan II Casimir af. Tijdens zijn bewind was 25 procent van de bevoling van het Gemenebest overleden door het vuur, het zwaard, de honger of de pest.[35]

Neergang[bewerken]

August de Sterke was tussen 1697-1706 en 1709-1733 groothertog van Litouwen, geportretteerd door Louis de Silvestre.

Doorgaans wordt de regering van Jan Sobieski (1673-1696) gezien als de laatste bloeiperiode van het Gemenebest, maar niks was minder waar. In deze periode werden er meerdere vendetta's uitgevochten tussen de grote Litouwse magnaten die het land verscheurden. In 1672 ging de regio Podolië van Polen-Litouwen verloren aan het Ottomaanse Rijk. Nadat Sobieski de Ottomanen had verslagen in het beleg van Wenen kon het Gemenebest profiteren van het verlies van de Turken en kon Podolië weer veroverd worden.[36] De onderlinge strijd verzwakte de staat in een tijd dat het dreigde vertrapt te worden door de Zweden enerzijds en de Russen anderzijds. Na de dood van Sobieski kozen de edelen voor de Saksische keurvorst August II en hij leidde als bondgenoot van Peter de Grote het Gemenebest de Grote Noordse Oorlog in. De adel was in deze tijd ook sterk verdeeld in een pro-Zweedse en pro-Russische factie. De Zweedse stroman Stanislaus Leszczyński werd tussen 1704 en 1709 kortstondig koning-groothertog. Het groothertogdom raakte verwoest door de mars naar Poltava in 1709 en door het Zweedse verlies moest Leszczýnski de wijk nemen naar Zweden.[37]

Polen-Litouwen werd vervolgens gegijzeld door de Russen onder de dreiging van kanonnen nam de Sejm in 1717 enkele wetten aan waarbij er drastisch gekort werd op de militaire uitgaven. De centrale organen van het Gemenebest zouden dan ook niet meer functioneren onder koning-groothertog August III. Dertig jaar lang vormden de sejmiki, de regionale assemblees, de enige vorm van een gecoördineerd bestuur. In deze periode nam de macht van de magnaten alleen maar toe. Een groep van magnaten onder leiding van de Czartoryski's en de Poniatowski's kwamen regelmatig bijeen om het gezag van de afwezige monarch over te nemen.[38] In 1764 werd Stanislaus August Poniatowski met behulp van de Russische tsarina Catharina de Grote tot koning-groothertog verkozen. Hij zag het als zijn taak het Gemenebest te reanimeren en te moderniseren. Hierbij moest hij ook de wurggreep van de Russen op zijn rijk weten te verlichten, maar hiermee lag hij op ramkoers met Catharina de Grote.[39]

De grote sejm neemt de grondwet aan op 3 mei 1791, geschilderd door Kazimierz Wojniakowski.

In het eerste decennium van zijn regering wist Stanislaus August veel vooruitgang te boeken en dat was een doorn in het oog van Frederik II van Pruisen. Doordat het Gemenebest weerloos was kon het weinig doen tegen de Eerste Poolse Deling in 1773. De Pruisen wisten Noord-Polen te verkrijgen, de Oostenrijkers en stuk in het zuiden en de Russen annexeerden een kwart van het groothertogdom, inclusief de woiwodschappen van Polatsk, Vitebsk en Mtislav. Er volgde vervolgens een periode van politieke hervorming, de tijd van de Grote Sejm van 1788-1792, die profiteerde van de Russisch-Turkse Oorlog. Op 3 mei 1791 werd de eerste grondwet van Europa in Polen-Litouwen aangenomen.[40]

De vooruitgang werd echter bemoeilijkt door de Confederatie van Targowica die in opstand kwam tegen het Gemenebest. Zij werden gesteund door Rusland wat leidde tot een nieuwe Pools-Russische oorlog. Tadeusz Kościuszko wist in de slagen bij Zieleńce en Dubienka te winnen, maar de koning-groothertog capituleerde waardoor de grondwet ongeldig werd verklaard en de Russische troepen vrij konden plunderen in het Gemenebest. Hierop volgde de Tweede Poolse Deling waarbij Pruisen Danzig kreeg en de Russen de meeste woiwodschappen van het groothertogdom op Vilnius na. Op 25 september 1793 werd de koning-groothertog verplicht de ontkrachting van zijn macht te accepteren. In 1794 kwam Kościuszko in verzet en zwoer hij een eed aan de koning en de natie. Hij wist de Russen te verpletteren in de Slag bij Racławice en Vilnius verdreef Jakub Jasiński het Russische leger. Na een val van het paar werd Kościuszko gevangen genomen en kon de Russische generaal Aleksandr Soevorov orde op zaken stellen in Polen-Litouwen.[41]

In de laatste twee jaar werd het Gemenebest onder de voet gelopen door de Russen en heroverden ze Vilnius. Hiermee kwam het laatste stukje Litouwen in handen van het Russische Keizerrijk. Alle edelen die in verzet waren gekomen werden hun wapens afgenomen en alle traditionele burgerlijke en militaire diensten werden gesloten. Stanislaus August deed op 25 november 1795 troonsafstand en werd vervolgens zonder proces veroordeeld tot een levenslange gevangenschap in Rusland.[42]

Nasleep[bewerken]

Konstanty Kalinowski was één van de Litouwse leiders tijdens de Januariopstand.

De bestaande wetten in Litouwen waren te diepgeworteld om direct vervangen te worden en daarom werden de Russische decreten geleidelijk ingevoerd. De Litouwse adel die in de tijd van het groothertogdom een eigen besturende klasse vormde had geen plaats meer in het autocratische Rusland en zij verloren aan macht en invloed onder de tsaren. Tot aan 1815 zouden de tsaren ook de titel van "groothertog van Litouwen" voeren, maar na de intrede van de titel van "keizer en autocraat van Alle Russen" verdween deze titel naar de achtergrond. Door middel van het onderwijs werd de Russificatie van Litouwen doorgevoerd. De enige bevolkingsgroep waar de Russificatie echt aansloeg waren de Litvaks, de Litouwse joden. In de negentiende eeuw zouden de Litouwers aan de zijde van de Polen drie keer tegen het Russische gezag in opstand komen om het Gemenebest te herstellen. In 1812, in 1830-1831 en in 1863-1864. Deze opstanden hadden vaak tot gevolg dat de onderdrukking na de opstanden nog verder toe nam.[43]

Het nationalisme van Litouwen bleef in de negentiende eeuw onverminderd voortleven na de Januariopstand. Nadat Litouwen tijdens de Eerste Wereldoorlog haar onafhankelijkheid verkreeg had het land een korte monarchistische opleving en werd de Duitser Willem II van Urach tot koning verkozen, maar na de Duitse nederlaag in de oorlog werd de grondwet aangepast en werd Litouwen een republiek. Door de Pools-Litouwse Oorlog van 1917 om het eigendom van Vilnius werd de na-oorlogse samenwerking tussen beide landen bemoeilijkt. Tijdens de Tweede Wereldoorlog verloor het land haar onafhankelijkheid, maar na de Val van de Muur was Litouwen in 1991 de eerste Sovjetrepubliek die zich afscheidde.[44]

Demografie[bewerken]

Litouwse historici veronderstellen dat de Roetheniërs de grootste bevolkingsgroep in het groothertogdom vormden en dat hun aantal twee keer zo groot was als dat van de etnische Litouwers. Russische en Oekraïense historici denken dat deze aantallen nog groter zijn en gaan uit van een 3:1 of een 4:1 ratio.[45] Aan het einde van de veertiende eeuw woonden er in het groothertogdom 400.000 Litouwers en 1 tot 1,5 miljoen Roetheniërs.[46] In 1528 groeide het totale aantal inwoners uit tot 2,7 miljoen mensen en in de zeventiende eeuw tot 4 miljoen.[47] Ten tijde van de Unie van Lublin leefde een derde van de bevolking in steden, na de unie nam ook het aantal Polen in Litouwen significant toe.[48] De urbanisatiegraad van Litouwen was kleiner in vergelijking met de rest van Europa. Met name het westelijk gedeelte van het groothertogdom, de regio van Vilnius, Trakai en Navahroedak, was het meest geurbaniseerd. Aan het einde van de vijftiende eeuw en begin zestiende eeuw begonnen de middelgrote plaatsen in Litouwen te groeien. In 1500 waren er veertig plaatsen in Litouwen en halverwege de zestiende eeuw waren er negentig bijgekomen.[49]

Religie[bewerken]

Litouwers aanbidden een grasslang en het heilig vuur. Afbeelding afkomstig uit Olaus Magnus' Historia de gentibus septentrionalibus.

Het heidense geloof van de Litouwers tot aan hun kerstening was polytheïstisch van aard. De namen van de goden Nunadievis, Teliavelis, Perkūnas, Velnias, Žemyna en Meiden zijn overgeleverd. Centraal in de heilige plaatsen van deze religie stonden de heilige vuren die onderhouden werden door priesters en soms is er ook sprake van een Litouwse variant van de Vestaalse maagden. Er was dan ook geen sprake van tempels, maar van heilige plaatsen en na de introductie van het christendom bleven de Litouwers offers uitvoeren op bergen, in bossen, onder eikenbomen, naast stenen die als heilig werden beschouwd. Volgens sommige bronnen zou koning Mindaugas ondanks zijn doop zijn blijven offeren aan de inheemse goden.[50] Toch zou er na de officiële terugkeer naar het heidendom, dus nog voor de kerstening van Jogaila, steeds meer edelen en boeren zich langzamerhand bekeren tot het christendom. Zij bekeerden zich vaak tot het Byzantijns orthodoxisme.[51]

In het begin van haar bestaan als groothertogdom was er sprake van een vorm van religieuze tolerantie in het rijk door de heidense religie. Zo waren er Tataarse moslims welkom, net zoals Karaïten uit de Krim. De heersende klasse was grotendeels heidens, terwijl een gedeelte van de bevolking orthodox christelijk was. Tijdens zijn regering liet grootvorst Gediminas missies van de franciscanen en dominicanen toe in zijn land, maar weigerde hij een algemene bekering.[52] In de dertiende en veertiende eeuw werden al diverse katholieke kerken in Litouwen gebouwd, maar die waren voornamelijk voor buitenlandse handelaren. In 1375 werd het eerste diocees in Litouwen opgericht. Na de kerstening van groothertog Jogaila werd de kerkelijke kunst van Litouwen enorm beïnvloed door de Byzantijnse kunst. Het oprichten van kerken en kloosters door het land werd een onderdeel van de politiek van de groothertogen om hun macht en hun nieuwe religie tentoon te spreiden.[53] Na de Unie van Kreva werd de heidense religie verboden en werden er in Litouwen massale doopplechtigheden gehouden.[21] Pas na 1413 kon Samogitië met behulp van Vytautas de Grote gekerstend worden.[54]

Het klooster van Zhyrovichy

Begin zestiende eeuw vormden de orthodoxe christenen de meerderheid van de bevolking en zij volgden de traditionele Slavische liturgie van Kiev en niet die van het Patriarchaat van Moskou. De vorsten uit het geslacht van de Ostrogoski fungeerden als hun seculiere "bewakers". De belangrijkste heiligdommen van de orthodoxen in Litouwen bevonden zich nabij Lida, het Klooster van Zhyrovichy en het Holenklooster van Kiev. Er waren verscheidene voorstellen om een afzonderlijk patriarchaat in het groothertogdom te stichten, maar deze werden nooit verwezenlijkt.[55] In 1596 organiseerden de orthodoxe bisschoppen in Brest een concilie en vormden ze een nieuwe Grieks-Katholieke Kerk, die de Slavische liturgie moest bewaren, maar het gezag van de paus accepteerde.[56]

Door de verpoolsing van de Litouwse adel greep het rooms-katholicisme na de bekering van Jogaila goed om zich heen. Casimir de Heilige, zoon van koning Casimir IV van Polen, werd in 1522 heilig verklaard en werd de beschermheilige van Litouwen. Tijdens de Reformatie kon het calvinisme op veel sympathie van de magnaten rekenen. Een van de belangrijkste bekeerlingen was kanselier en groothetman Mikołaj "de Rode" Radziwiłł. In 1562 werd de Bijbel voor het eerst in het Pools vertaald in Brest. Pas in 1735 verscheen in Koningsbergen de eerste Bijbel in het Litouws.[57] In de zeventiende eeuw wist de contrareformatie goed wortel te schieten in Litouwen door de oprichting van een keten van jezuïtische colleges. Na de Bartholomeüsnacht kwamen de edelen van het gemenebest tot een verbond waarin ze de godsdienstvrijheid voor het gemenebest regelden.[56]

In de zeventiende eeuw werd een joods-poolse klasse naar Litouwen geïmporteerd om de Litouwse landgoederen te leiden en kleine stadjes te koloniseren. In Vilnius werd vestigde zich een zeer sterke joodse gemeenschap die de Jiddische cultuur koesterde en waar vooraanstaande Thora-geleerden met open armen werden ontvangen. Tot de grote Litouwse joodse schriftgeleerden behoorde onder andere Isaac van Trakai. Daarnaast fungeerde het groothertogdom ook als toevluchtsoord voor radicale religieuze denkers. Zo vestigde zich een groep Poolse antitrinitariërs zich in Trakai.[58]

Taal[bewerken]

In het oude kerngebied van het groothertogdom Litouwen werd voornamelijk Litouws gesproken, een Indo-Europese taal uit het Baltische taalgebied. De bureaucraten van het groothertogdom waren in staat om te conserveren in Latijn, Duits en Oudroetheens. Na de verovering van de voormalige gebieden van het Kievse Rijk werd het Oudroetheens de overheidstaal.[59] Pas na de dood van Jan Sobieski in 1696 werd de officiële taal van het bestuur veranderd naar het Pools.[60]

Staatsinrichting[bewerken]

Onafhankelijk groothertogdom[bewerken]

Kaart van de Litouwse woiwodschappen in de zeventiende eeuw

Tot aan de Unie van Horodło was de macht in het groothertogdom stevig in handen geweest van een heerser wiens onderdanen hem absolute trouw verschuldigd waren en de adel functioneerde in die tijd dan ook als een strijdersklasse voor de groothertog. Onder groothertog Vytautas werd een leenstelsel geïntroduceerd die edelen van leengoed voorzagen en ontstond er een klasse van feodale vazallen.[59] Hierdoor oefende de heerser steeds meer indirecte macht uit via zijn loyale hovelingen en bedienden die hij beloonde met landgoederen. Dit leidde er toe dat in de zestiende eeuw een groot aantal edellieden de zeggenschap hadden over dertig procent van het grondgebied en lag het restant in de handen van zo'n 19.000 ondergeschikte Bojaren.[61]

In unie met Polen[bewerken]

In afwezigheid van de groothertogen die voornamelijk in Polen bivakkeerden had het Litouwse adviescollege verreikende verantwoordelijkheden. De vertegenwoordiger van de groothertog, de woiwode of "paleiswacht", oefende de hoogste politieke en militaire gezag uit in elk van de woiwodschappen, behalve in het verre zuiden waar de Tataren en Kozakken rondzwierven. De Groothetman voerde het bevel over de militaire troepen van het groothertogdom. De kanselier gaf leiding aan het burgerlijk bestuur vanuit Vilnius en hij werd ondersteund door starosten en paltsgraven.[62] De Litouwse overheidsfuncties waren alleen voorbehouden aan etnische Litouwers om Poolse bemoeienis te voorkomen. Roetheense edelen zouden pas in 1434 politieke rechten verkrijgen.[63] In 1529 kwam het eerste Litouwse wetboek uit, het Eerste Statuut van Litouwen. In 1566 werd er een tweede versie aangenomen en na de unificatie volgde de derde en laatste in 1588.

In 1559 had koning Sigismund II naar Pools voorbeeld een Sejm ingesteld voor het groothertogdom en in 1564 sejmiki (regionale assemblees) voor de provincies. De Litouwse sejm werd na Unie van Lublin samengevoegd met de Poolse. Het groothertogdom kreeg wel zijn eigen hoge rechtstribunaal, dat zijn zittingen afwisselend in drie centra hield. Het hertogdom was onderverdeeld in negen woiwodschappen: Vilnius, Troki, Brest, Minsk, Vitebsk, Mtislav, Polatsk, Seversk en Smalensk. Elk woiwodschap was op zijn beurt weer onderverdeeld in poviats (districten) en elk daarvan had zijn eigen sejmik.[64]

Economie[bewerken]

Handel[bewerken]

In de veertiende eeuw was het groothertogdom vooral een landbouwsamenleving. Hier werden vooral graan en linnen geproduceerd, maar in deze tijd draaide de staat vooral op oorlogsbuit en overvallen in het buitenland om slaven te verkrijgen. Pas onder groothertog Gediminas werd begonnen om de op boeren en slaven gebouwde economie gelijk te trekken naar eentje waar commercie een belangrijkere rol in kreeg. De Litouwse handelaren handelden in het begin vooral met de Lijflandse Orde en met de stad Riga. De Litouwers kochten bij zowel Riga als de orde wapens voor hun strijd en verkochten hiervoor hout, huiden en graan. Belangrijke invoerrechten en tolgelden werden door Gediminas rond 1320 omlaag gebracht ten bevordering van de handelaren van de Hanze om naar Vilnius te komen. Daarnaast moedigde Gediminas buitenlandse handelaren aan om zich in Litouwen te vestigen. Ook de toevoeging van de Russische steden Polotsk en Vitebsk begin veertiende eeuw aan het groothertogdom zorgde voor verdere intensivering van de handel tussen Lijfland en Litouwen. In de tweede helft van die eeuw wist Litouwen ook te profiteren van de vachthandel van Novgorod die via Litouwen werd geëxporteerd.[65]

Grafiek van het export van graan via de haven van Danzig in de periode 1619-1799

Na de persoonlijke unie in 1386 met Polen begon er een periode van welvaart voor Litouwen. Door technologische ontwikkelingen die door de Duitsers werden geïntroduceerd, zoals een verstevigde wielploeg werden de landbouwsurplussen hoger die aan binnen- en buitenland verkocht konden worden.[66] Halverwege de zestiende eeuw werd onder aanvoering van koningin Bona Sforza de landbouwgronden heringedeeld en hierbij werd het drieslagstelsel in het groothertogdom geïntroduceerd. In 1588 werd de slavernij in Litouwen afgeschaft met uitzondering van oorlogsgevangenen en de voormalige slaven werden vervolgens horigen.[67] Dit stond in contrast met de groei van de horigheid in de vijftiende en zestiende eeuw in Litouwen. Deze nam ook alleen maar toe door de groeiende export van graan naar West-Europa. Hierdoor werden landeigenaren aangemoedigd op de productie te verhogen en hun lijfeigenen meer uit te buiten.[68]

Volgens fragmentarische bronnen exporteerden handelaren in de periode 1560-1599 44.000 ton graan via Danzig. Dit was slechts 4 tot 5 procent van de jaarlijkse graanproductie van het land. Jaarlijks werden 970.000 ton rogge, 120.000 ton tarwe en 210.000 ton mout geproduceerd. Hiervan behielden boeren 21 procent voor het zaden en 75 procent voor de eigen consumptie. De verscheping van al het graan ging veelal via Danzig.[69]

In de zestiende eeuw was Vilnius het belangrijkste handelsknooppunt van het groothertogdom.[49] De stad Lvov groeide al in het midden van de veertiende eeuw uit tot een belangrijk handelscentrum voor de handel met Azië en China. Andere belangrijke handelsroutes die door het groothertogdom liepen liepen van Vilnius via Smolensk naar Novgorod en Moskou. De belangrijkste handelswaar die via deze routes getransporteerd werden waren bont, huiden en was.[69]

De economie liep in het begin van de achttiende eeuw een harde knauw op door de aanhoudende oorlogen, maar in de tweede helft van de achttiende eeuw begon de economie weer te groeien en werd in de landbouw vooruitgang geboekt. In deze periode was dertig procent van de bevolking lijfeigene van de magnaten en de overige zeventig procent was een vrije boer die zich voornamelijk toelegde op de productie van vlas en hout. Het transport over de rivieren werd verbeterd door de opening van een kanalenstelsel in 1785 dat de Dnjepr en de Memel met elkaar verbond en de Pripjat met de Bug. In 1752 werd ook de eerste textielfabriek van het groothertogdom geopend in Njasvizj. Waarmee de export van het graan, hout en potas kon worden verbeterd.[70]

Munteenheden[bewerken]

De Hryuna Litouskaja, de zilveren baren die in de twaalfde en dertiende eeuw als betaalmiddel in het groothertogdom werden gebruikt.

Het Litouwen van Gediminas gaf niet zijn eigen valuta uit. De Litouwers handelden in de dertiende met zelf geproduceerde zilveren baren die driehoekig waren in doorsnede en een gewicht hadden van tussen 108 en 192 gram.[71] De eerste munten in Litouwen werden pas eind veertiende eeuw geslagen. Waarschijnlijk begon groothertog Algirdas al met het slaan van munten, maar pas na de unie met Polen onder Jogaila werd een munt naar het type van de denarius geslagen in Vilnius en uitgegeven. Pas later werd het muntsysteem formeel gevormd.[72] Pas tijdens de regering van Alexander begon de munt van Vilnius met het slaan van munten naar West-Europese technologie, namelijk met een legering van tin en zilver. In 1495 werd er een decimaal telsysteem voor de munt geïntroduceerd: in één grašis gingen tien denarii.[73] Omstreeks 1500 was 100 Litouwse grašis 136 Poolse grozsy waard en na de hervormingen van Sigismund I werd de verhouding 100:125. Na de Unie van Lublin werd de zloty geïntroduceerd die als betaalmiddel gold in de gehele gemenebest.[74] Tot aan 1733 bleef Litouwen haar eigen munten slaan.[73]

Cultuur[bewerken]

Vroegchristelijke periode[bewerken]

De Byzantijnse literaire traditie had een enorme invloed op de geschiedenis van de geschreven Latijnse taal in Litouwen. De evangeliën van Lavryshevo en Mstizh gelden als belangrijke voorbeelden van de kunst en literatuur van de orthodoxe Litouwse elite. Deze kunst kreeg een impuls na de vestiging van Bulgaarse en Servische schrijvers die zich in Litouwen vestigden na de Ottomaanse invallen aldaar.[53] Een ander belangrijk literair werk uit het begin van de vijftiende eeuw was de eerste versie van de Litouwse Kronieken. In de zestiende eeuw zouden nog twee nieuwere versies van deze kronieken worden geschreven.[75] Door haar heidense roots bleef Litouwen lang verschoond van bepaalde fenomenen uit het middeleeuwse West-Europa, maar na de kerstening begon onder de regering van Vytautas de riddercultuur zijn intrede te doen in het land. Zo nam de Litouwse edelman Albertas Manvydas in 1475 deel aan een steekspel in Landshut. Daarbij kwam ook de introductie van het kruistochtideeal en trachtte groothertog Alexander van Polen in 1500 een ridderorde in het leven te roepen.[76]

Renaissancetijd[bewerken]

Groothertogin Bona Sforza gold als een belangrijke aanjager van de renaissance in Litouwen.

De renaissance deed in 1514, na de Slag bij Orsha zijn intrede in Litouwen. Het huwelijk van groothertog Sigismund I met de Italiaanse Bona Sforza brachten de ideeën van het humanisme naar Litouwen; de ideeën die ook zouden aanslaan bij de intelligentsia van het groothertogdom. Groothertogin Bona Sforza nodigde vervolgens ook Italiaanse architecten, beeldhouwers en musici uit Italië uit om voor haar te komen werken in het groothertogdom. In 1523 droeg de Litouwse dichter Mikołaj Hussowczyk het gedicht de statute feritate ac venatione bisontis aan Bona Sforza op vanwege haar rol als mecenas.[77]

In de zestiende eeuw groeide Vilnius uit tot een belangrijke culturele stad in het groothertogdom. In 1522 werd de eerste drukkerij van Litouwen in de stad gevestigd door de humanist Francysk Skaryna. Het Grootvorstelijk paleis van Vilnius stond op de plek waar 150 jaar eerder nog een heidense tempel had gestaan en was mede door kennis en kunde van Italiaanse renaissance-architecten gebouwd.[78] In de zestiende eeuw vestigden de jezuïeten verschillende colleges, de belangrijkste hiervan was het college van Vilnius dat in 1570 werd opgericht. Negen jaar later werd het college gepromoveerd tot een universiteit. De studenten kwamen voornamelijk uit het groothertogdom. De Litouwse wetenschap werd voornamelijk beoefend door de afgestudeerden van de universiteit, maar nadat de inschrijvingen terugliepen van 1720 roestte het curriculum van de universiteit vast.[79]

Ook de zoon van Sigismund I en Bona Sforza, Sigismund II August, was het Italiaanse humanisme toegedaan. Door het humanisme groeide in Litouwen ook het concept van de nationale onafhankelijkheid van het groothertogdom. Voorbeelden van denkers van het Litouwse idee waren Albertas Goštautas en Augustinus Rotundus. Ook nationale geschiedenis kreeg een steeds belangrijkere nrol en ook hier speel de geleerde Rotundus een belangrijke rol in, eveneens als de Pool Maciej Stryjkowski die drie werken over de Litouwse geschiedenis schreef.[80]

Verlichting[bewerken]

Onder koning-groothertog Stanislaus August Poniatowski beleefde Polen-Litouwen rond 1770-1780 de hoogtijdagen van de Poolse Verlichting. Er werden in die periode grote stappen gemaakt op het gebied van onderwijs, landbouw, bestuur, geschiedenis en kunst. Er werden moderne scholen opgericht dat nodig was na het verbod op de jezuïetenorde in 1773, maar de onderwijscommissie zette een wijdverbreid schoolsysteem op dat tot ver in de negentiende eeuw bleef functioneren. Er werd een nationaal geschiedenisproject gelanceerd, ambtenaren werden opgeleid en schrijvers en schilders kregen financiële steun. Ook de magnaten speelden hun rol en sommigen verklaarden hun lijfeigenen vrij en Karol Stanisław Radziwiłł toverde het kasteel van Njasvizj om tot een belangrijk centrum van theater, muziek en opera.[81]