Naar inhoud springen

Narcondamjaarvogel

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Narcondamjaarvogel
IUCN-status: Kwetsbaar[1] (2020)
Narcondamjaarvogel
Taxonomische indeling
Rijk:Animalia (Dieren)
Stam:Chordata (Chordadieren)
Klasse:Aves (Vogels)
Orde:Bucerotiformes
Familie:Bucerotidae (Neushoornvogels)
Geslacht:Rhyticeros (Jaarvogels)
Soort
Rhyticeros narcondami
Hume, 1873
Verspreidingsgebied
Afbeeldingen op Wikimedia Commons Wikimedia Commons
Narcondamjaarvogel op Wikispecies Wikispecies
Portaal  Portaalicoon   Biologie
Vogels

De narcondamjaarvogel (Rhyticeros narcondami, synoniem: Aceros narcondami) is een neushoornvogel die alleen voorkomt op Narcondam, een klein vulkanisch eiland (7 km²) ten oosten van de Andamanen, een eilandenreeks in de Indische Oceaan die tot India behoort. Het is een endemische vogelsoort van dat eiland.[1]

De vogel is 66 cm lang. Het mannetje en het vrouwtje verschillen in verenkleed; het mannetje heeft een roodbruine kop en nek en is verder zwart met een groene metaalglans op de rug. Het vrouwtje is dofzwart. Beide seksen hebben een lichtblauwe tot witte keelvlek en een witte staart. De grote snavel is vuilwit tot lichtbruin en roze bij de mondhoek en er zitten ribbels in de "hoorn" op de bovensnavel.[2]

Verspreiding en leefgebied

[bewerken | brontekst bewerken]

De vogel komt voor in tamelijk open gemengd bos dat vrijwel het hele eiland bedekt, van zeeniveau tot de top op circa 700 m. Het noordelijke en noordoostelijke deel van het eiland wordt gedomineerd door bladverliezend bos, terwijl de rest van het eiland uit altijdgroen bos bestaat, met op de hoogste delen een nevelwoudvegetatie. De soort gebruikt rijpe, ongerepte delen van het bos met grote bomen als nestholte en als roestplaats. De meeste nesten zijn aangetroffen onder 200 m boven zeeniveau, met enkele tot 450 m hoogte.[3]

Voedsel en voortplanting

[bewerken | brontekst bewerken]

De narcondamjaarvogel is voornamelijk een vruchteneter; tijdens het broedseizoen zijn 22 tot 23 soorten vruchtbomen vastgesteld in zijn dieet, waaronder soorten van het geslachten Ficus, Canarium, Aglaia en Endocomia. Daarnaast worden ook ongewervelden en occasioneel kleine reptielen gegeten. Het broedseizoen loopt ongeveer van februari tot april. De soort nestelt in holten in de stam of dikke takken van grote bomen, onder meer Tetrameles nudiflora, Zanthoxylum, Aglaia, Neonauclea en Ficus nervosa. Het vrouwtje wordt tijdens het broeden en de zorg voor het kuiken in de nestholte ingemetseld; in deze periode ruit zij haar slagpennen en kan zij niet vliegen. Elk paar brengt doorgaans twee jongen groot. Broedende vogels zijn ouder dan vier jaar en vormen ongeveer 46 tot 53% van de populatie. In een onderzoek van eenentwintig nesten lag het broedsucces op ruim 93%.[3]

Op basis van veldwerk in 2019-2020 schat een onderzoek van Rohit Naniwadekar de totale populatie op 750 tot 1.400 vogels, met dichtheden van circa 150 individuen/km². Na correctie voor het aandeel broedvogels en een licht scheve seksratio komt BirdLife International uit op een schatting van 300 tot 650 volwassen individuen (assessment 2020). Eerdere schattingen lagen lager (circa 295-320 vogels in 1998, 320-340 in 2003), maar deze waren mogelijk te conservatief. De populatie wordt momenteel als stabiel beschouwd. Tot in de jaren 2000 ging jaarlijks naar schatting 25-40 vogels verloren door jacht, maar dankzij voorlichtingscampagnes is dit teruggedrongen. De ongeveer 400 verwilderde geiten die de natuurlijke bosverjonging belemmerden, zijn verwijderd; ook van de eens talrijke verwilderde katten resteren naar verluidt nog slechts twee dieren. Door zijn zeer kleine verspreidingsgebied blijft de soort echter kwetsbaar voor stochastische gebeurtenissen zoals ziekten, de introductie van invasieve soorten of een tropische cycloon; de tsunami van 2004 had geen aantoonbaar effect op de populatie. Op de Rode Lijst van de IUCN heeft de soort daarom de status kwetsbaar (afgewaardeerd van bedreigd in 2020 onder criterium D1+2). De soort is opgenomen op CITES-bijlage II.[1][3]