Piet Ouborg

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Piet Ouborg
Plaats uw zelfgemaakte foto hier
Persoonsgegevens
Volledige naam Pieter Ouborg
Geboren Dordrecht, 10 maart 1893
Overleden Den Haag, 3 juni 1956
Geboorteland Vlag van Nederland Nederland
Nationaliteit Vlag van Nederland Nederland
Beroep(en) Kunstschilder
Oriënterende gegevens
Jaren actief ca. 1913-1956
Stijl(en) Nieuwe Haagse School
RKD-profiel
Portaal  Portaalicoon   Kunst & Cultuur

Pieter (Piet) Ouborg (Dordrecht, 10 maart 1893 - Den Haag, 3 juni 1956) was een Nederlandse kunstschilder; zijn werk is gekenmerkt door het surrealisme en de abstracte kunst.

Jeugd en start[bewerken]

Geboren en opgegroeid in een streng calvinistisch gezin met tien kinderen woonde hij in Dordrecht; hij tekende en schilderde al vanaf zijn jeugdjaren.[1]In Dordrecht volgde hij een opleiding als onderwijzer met akten voor Engels en Frans. In 1913 ontving hij de materiaalprijs van 200 gulden van het door het Dordrechts Museum beheerde Ary Scheffer-fonds. Hij volgde een opleiding voor lagere teken-akte in Surabaia en behaalde pas tijdens zijn eerste verlof in Nederland de akte MO tekenen. Verder was Ouborg een autodidact.[2] In die eerste jaren in Dordrecht maakte hij wel al werken, die de invloed laten zien van Van Gogh, zoals in zijn gouache 'Begraafplaats Essenhof'van 1910 . Hij tekende wat hij zag in de buitenwereld. Wel stopte Ouborg in zijn tekeningen het gevoel dat de werkelijkheid bij hem opriep en ook in dat opzicht sloot hij aan bij Van Gogh, met wie hij zich geestelijk verwant voelde. Ouborg vond dat Vincent een rauw, echt menselijk en ontroerend geluid liet horen.[3]

Tot halverwege de Eerste Wereldoorlog was Ouborg nog onderwijzer in Nederland, tot hij naar toenmalig Nederlands-Indië vertrok. Om in 1914 aan de dienstplicht te ontkomen had hij zich als ambtenaar naar Nederlands-Indië laten uitzenden. Hij werkte daar als onderwijzer en tekenleraar in 1916 op een lagere school in Serang op West-Java; daarnaast maakte hij tijdens de eerste jaren van zijn verblijf overwegend landschappen en portretten, maar slechts mondjesmaat, vanwege zijn drukke baan en de vele overplaatsingen die volgden. Hij raakte daar betoverd door de geheimzinnige primitieve kunst en maakte zelf ook veel maskerschilderijen die geesten, goden en demonen verbeeldden. De belangstelling van Ouborg voor de niet-westerse kunst liep parallel met de belangstelling voor primitieve kunst van de Europese kubisten en surrealisten. Hij nam van deze kunststromingen kennis door het kunsttijdschrift 'Cahiers d'Art', waarop hij was geabonneerd. Ook het lijfblad van de Parijse Surrealisten Minotaure kreeg hij in 1933-34. In Indië zat hij in een artistiek isolement; hij kende er slechts zijn vrienden en kunstbroeders Dolf Breetvelt en Jan Frank, met wie hij samen tochten ondernam om te schilderen en authentieke maskers op te sporen. Tijdens een verlof in Nederland in 1923 begon hij te experimenteren met het kubisme. De invloed van Indonesië op zijn kunst verduidelijkte Ouborg later in 1956, kort voor zijn dood in de tekst Over het onbewuste in de kunst, mede in verband met eigen werk. Hierin beschreef hij hoe Indonesië het ontstaan van onbewuste uitingen in de hand werkte, die voor hem buiten controle van de wil stonden en de basis gingen vormen voor zijn kunst. Hij schreef ook hoe hij daar kindertekeningen begon te verzamelen waarop hij maar niet uitgekeken raakte door de sterke aanwezigheid van het onbewuste. Zijn verzameling etnografica, vooral de Cheribon-maskers (Cirebon), waren onderdeel van de traditionele dans- en wajang-cultuur.[4]

Levensloop[bewerken]

In 1931 was Ouborg weer met verlof en bezocht met zijn vrouw de expositie L'Art Vivant en Europe in Brussel, waar hij het Europese surrealisme voor het eerst in het echt zag, èn de abstracte werken van de École de Paris. Hij werd sterk beïnvloed door het werk van de Spaanse surrealistische kunstschilder Joan Miró. Een jaar later toonde hij voor het eerst een serie van zijn schilderijen in Nederland, in de Haarlemse galerie van de kunsthandelaar J.H. de Bois, die hem waarschuwde 'Dat kopen ze pas over dertig jaar.' ; het waren abstracte droombeelden, die grotendeels op Java waren ontstaan.[1]

Toen hij in 1938 definitief terugkwam in Nederland vestigde hij zich eerst in Haarlem, daarna in Amsterdam en ten slotte in 1939 in Den Haag, waar hij kunstgeschiedenis en tekenen ging onderwijzen. Daar had hij ook contact met Haagse kunstenaars zoals Willem Hussem en Jaap Nanninga. Dankzij zijn Indisch pensioen kon hij eind 1945 stoppen met les geven en zich volledig aan zijn kunstenaarschap wijden. In 1946 behoorde hij even tot de Amsterdamse kunstenaarsgroep 'Vrij Beelden' (1947 - 1955), net als Willem Hussem; hij was bovendien lid van Pulchri Studio en de Liga Nieuw Beelden (1955 - 1956).

In 1947 stelde hij zijn werk tentoon met de groep Experimentelen in de Haagse Kunstkring. Met zijn werk had Ouborg verwantschap met Cobra, maar in een brief aan de schilder Anton Rooskens (oktober 1949) sloeg hij toch de uitnodiging af om lid te worden van de groep: 'Sympathie resulteert niet altijd in een daad' .[1]. In de jaren 50 behoorde hij wel tot de lokale kunstenaarswerkgroep De Nieuwe Ploeg in Voorburg.

Schilderstijl[bewerken]

Het werk van Piet Ouborg wordt door sommige kunstcritici gerekend tot de kunststroming van de Nieuwe Haagse School, waar hij ook contact mee had. Maar Ouborg heeft als kunstenaar een geheel eigen weg afgelegd; zijn werk is moeilijk bij een bepaalde groep onder te brengen. Nooit heeft hij zich ook om richtingen of stijlen in de kunst bekommerd, hoewel zijn werk wel degelijk in bepaalde perioden bij gangbare stromingen aansluit. Het kende een grillige ontwikkeling. Door de tijd verschoof het zich van een figuratieve vormentaal, via magisch realistische, surrealistische en geabstraheerde beelden naar een lyrische expressieve stijl. Vanwege zijn latere, abstracte stijl zag men hem ook als een geestverwant van de Experimentelen. Ook de jonge kunstenaars van de Cobra vroegen hem in 1949 zelfs toe te treden, maar Ouborg voelde zich geen groepsmens en de Cobra kunstenaars waren volgens hem te weinig op zoek naar wezenlijke verdieping. Bovendien zocht hij zelf nooit de publiciteit. Die kreeg hij in 1950 echter meer dan hem lief was. Toen werd hij onderscheiden met de Jacob Maris-prijs in de tekenkunst, voor zijn tekening 'Vader en Zoon'. Dit werkje was eigenlijk niet eens een abstracte maar een bewust-naïeve voorstelling. Ouborg werd echter gezien als onderdeel van de naoorlogse moderne kunst, die als onbegrijpelijk en uitdagend te boek stond. Ook in de erkende kunstwereld werd de bekroning van Ouborg als een provocatie opgevat.[4]

Tijdens de oorlog ontstonden er visionaire schilderijen en gouaches en werd de reeds bestaande neiging tot abstractie belangrijker voor Ouborg. In de heldere kleurcomposities doken nu vaker ruiten en cirkels en kleurstrepen op binnen een theaterachtige ruimte met sterke kleurwisselingen. Na 1945 werd zijn werk heftiger en beweeglijker, met ritmische kleurstreken die het karakter van een teken (een verwijzing naar mysterieuze groeiprocessen) aannamen. Ouborgs werk van na de oorlog is wel verwant aan de sfeer van de Parijse kunst na de bevrijding (Ecole de Paris); het neemt er elementen uit over, maar behoudt ook de de magische, surrealistische kenmerken die zo karakteristiek zijn voor zijn gehele werk. Het is niet gemakkelijk om in zijn latere werk - Ouborg overleed in 1956 - directe invloeden aan te wijzen; daarvoor is het te heterogeen.[5] Zelf beschreef hij in een brief van juni 1947 aan Jettie Tielrooy die hem vroeg waar hij op dat moment mee bezig was in zijn werk: 'Ovaal, vierkant, ruit, rechthoek en trapezium bevolken mijn dromen. Daarnaast minder volmaakte tekens. Oneindigheidsverlangen dat slechts rekenen wil met de eerste en de laatste dingen? Mogelijk, maar door de kleur vooral leef ik het leven der zinnen..' [1]

Zelf wijst Ouborg in zijn tekst uit 1956 vooral de 'magie' aan als essentieel voor zijn werk, waardoor zijn werk meer verwantschap krijgt met dat van de Deense Cobra-kunstenaars. Ouborg schreef: 'Wajang is geen schimmenspel zonder meer; de Javaan ziet er ook nu nog diepere betekenis in. Met bepaalde wajangvertoningen dacht hij bijvoorbeeld naderend onheil te kunnen weren. Dat doet denken aan magie en hoeft ons niet te verwonderen omdat alle kunst in een grauw verleden in nauwe betrekking stond tot magie.. .Indonesië riep zo wat onbewust was in mij wakker.' Op dit punt had Ouborg ook ernstig bezwaar op een aantal eigentijdse surrealistische kunstenaars die in zijn ogen slechts met een geraffineerd spel bezig waren. Zo schreef hij Jos de Gruyter in 1947 over '..de dames of heeren die de huid van een buik of borst als een keurig geplooid gordijntje wegschuiven om in de gezellige of ongezellige, goed getraliede holte daarachter iets merkwaardigs of onmerkwaardigs te laten zien' .[1]

Werkwijze[bewerken]

Het onderzoeken van het onbewuste als bron voor zijn te maken kunst, dat bij de surrealisten een methode was, ging bij Ouborg als vanzelf. Hij werd regelmatig overvallen door visioenen en koortsachtige dromen, die hij vaak in snelle tekeningen schetste, maar ook in nauwgezette degelijke studies die als basis vooraf gingen aan zijn spontaan gemaakte schilderijen. Hij schreef over zijn visioenen: 'Zo verschenen de visioenen als trillende, lichtende tekens op donkerend fond en ik had het gevoel correctie te moeten vermijden.' .[1]

Erkenning[bewerken]

Op zijn zestigste kreeg Ouborg in 1953 een overzichtstentoonstelling in het Gemeentemuseum Den Haag, die een jaar later werd overgenomen door het Stedelijk Museum in Amsterdam. Pas enkele jaren na zijn dood ontstond er opnieuw belangstelling, en alweer op lokaal niveau - in museum Hofwijck in Voorburg, in 1958. De bekende kunstverzamelaar Frits Becht richtte zich in die jaren op de werken van de Haagse abstract school en kocht uiteindelijk meer dan 60 werken van Ouborg. In 1990 verscheen een publicatie over Ouborg in de serie Monografieën van Nederlandse kunstenaars, onder eindredactie van Véronique Baar.[1] Hetzelfde jaar werd de Ouborgprijs ingesteld. In 2009/2010 was er een uitgebreide expositie van zijn werken in het Cobra museum, te Amstelveen.

Musea[bewerken]

Werk van Ouborg is opgenomen in de collectie van het:

Tentoonstellingen[bewerken]

Lijst van werken (selectie)[bewerken]

  • Masker, 1937
  • Blauw ovaal, 1947
  • Schutter, 1950

Publicaties over de kunstenaar[bewerken]

  • Koos van Brakel, Michiel Morel, Michael Gibbs et al. Het masker als intermediair = The mask as an intermediary : Piet Ouborg, Wimo Ambalah Bayang, Terra Bajraghosa, Eko Nugroho, in: Heden, Den Haag 2008 p. 18-19.

Ouborgprijs[bewerken]

De waardering voor het werk van Ouborg kreeg in 1990 een bekroning met de instelling van de Ouborgprijs, de prijs van de stad Den Haag voor Haagse kunstenaars van lokale en nationale betekenis. De prijs wordt jaarlijks uitgereikt (vanaf 1997 tweejaarlijks).