Pikmeerarrest

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Het Pikmeerarrest bestaat uit twee opeenvolgende arresten van de Nederlandse Hoge Raad (HR 23 april 1996, NJ 1996/513 en HR 6 januari 1998, NJ 1998/367). Zij betreffen de vraag of, en in welke gevallen, handelingen van de provinciale of gemeentelijke overheid strafrechtelijk kunnen worden vervolgd.

Pikmeer I
Datum 23 april 1996
Instantie Hoge Raad der Nederlanden
Rechters Ch.Th. Hermans, W.J.M. Davids, C.J.G. Bleichrodt, F.H. Koster, G.J.M. Corstens
Adv.-gen. A.J.A. van Dorst
Soort zaak   strafkamer
Procedure cassatie
Wetgeving 51 lid 2 Sr
Onderwerp   daderschap
Vindplaats   NJ 1996/513, m.nt. A.C. 't Hart
ECLI   ECLI:NL:HR:1996:ZD0429

Eerste Pikmeerarrest[bewerken]

De gemeente Boarnsterhim liet het vaarwater de Groundam in Friesland in 1995 uitbaggeren, terwijl de verontreinigde baggerspecie in het Pikmeer werd gestort. Voor de provincie was deze illegale lozing in hoge mate kostenbesparend. De verantwoordelijke (gemeente-)ambtenaar werd strafrechtelijk vervolgd en door de rechtbank veroordeeld, welk vonnis in hoger beroep door het hof werd bekrachtigd. De Hoge Raad heeft dit arrest vernietigd en de zaak terugverwezen naar het hof voor verdere behandeling. Deze uitspraak staat bekend als het eerste Pikmeerarrest, of Pikmeer I.

De Hoge Raad heeft de ambtenaar ontzien vanwege de functie die hij bekleedde. Hij handelde als ambtenaar in het algemeen belang en kon daarom niet strafrechtelijk worden vervolgd. Deze strafrechtelijke immuniteit gold voorheen al voor de centrale overheid. Nu kregen gemeenten en provincies hetzelfde privilege. De Hoge Raad meende dat de controle van de overheid niet bij de rechter moest liggen, maar bij aangewezen instanties als de gemeenteraad, de rekenkamer of de ombudsman.

De Tweede Kamer vond het Pikmeerarrest niet acceptabel en wilde dat de mogelijkheid bleef bestaan om lagere overheden voor de rechter ter verantwoording te roepen. De vraag was, of het handelen van de gemeente Boarnsterhim in deze kwestie wel als 'overheidshandelen' moest worden getypeerd, of dat het illegaal storten van het slib moest worden gezien als 'bedrijfsmatig handelen'?

Pikmeer II
Datum 6 januari 1998
Instantie Hoge Raad der Nederlanden
Rechters W.E. Haak, W.J.M. Davids, F.H. Koster, G.J.M. Corstens, H.A.M. Aaftink
Adv.-gen. J.W. Fokkens
Soort zaak   strafkamer
Procedure cassatie
Wetgeving 51 lid 2 Sr
Onderwerp   daderschap
Vindplaats   NJ 1998/367, m.nt. J. de Hullu
AB 1998/45
JB 1998/4
JM 1998/30
V-N 1998/5.4
ECLI   ECLI:NL:HR:1998:AA9342

Tweede Pikmeerarrest[bewerken]

Dezelfde zaak kwam ten tweeden male bij de Hoge Raad op tafel. Na een "heroverweging en precisering" van de eerdere beslissing kwamen de rechters met een nieuwe conclusie dat het overheidshandelen eigenlijk uit twee componenten bestaat: typische bestuurshandelingen en overheidshandelingen die geprivatiseerd kunnen worden. Het uitdiepen van een publiek vaarwater werd zo een exclusieve overheidstaak, het dumpen van vervuild slib werd een in theorie te privatiseren handeling. Dit laatste type handelingen mag door het Openbaar Ministerie worden vervolgd. Deze nieuwe uitspraak is bekend geworden als het tweede Pikmeerarrest, kortweg Pikmeer II.

Zie ook[bewerken]