Psalm 151

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

De 150 psalmen die in Nederlandse vertalingen van de Bijbel het boek Psalmen vormen, volgen de tekst en nummering van de Hebreeuwse Bijbel, de Tenach. In de Septuagint is echter sprake van een extra psalm, psalm 151, die niet in de Tenach is opgenomen. Het is een lied van zeven verzen over Davids overwinning op de Filistijnse reus Goliath. In de Dode Zeerollen is de oorspronkelijke Hebreeuwse tekst van deze psalm teruggevonden (samen met nog enkele andere, daarvoor nog onbekende psalmen) in de grote Psalmrol uit grot 11 bij Qumran (11QPsa).[1] In de Oosters-orthodoxe kerk en de Koptische Kerk wordt de psalm aanvaard als deel van de Canon van de Bijbel.

Het opschrift boven de psalm noemt David als de auteur ervan, maar vermoedelijk is de psalm later ontstaan. In verband met de datering van 11QPsa en de Septuagint, moet de Psalm in elk geval voor het begin van de gangbare jaartelling worden gedateerd.

Eigen geschrift Davids[bewerken | brontekst bewerken]

De psalm is door Petrus Datheen op rijm gezet in de Nederlandse taal. Later is deze psalm in 1773 door de predikant Josua Van Iperen opnieuw berijmd. In deze berijming staat de psalm in sommige psalmbundels als laatste achter de psalmen en enige gezangen vermeld, als het "Eigen geschrift Davids". Deze kan op dezelfde melodie als Psalm 19 gezongen worden.[2][3][4]


Ik was een jongeling, nog teder en gering,
bij broed'ren laag geacht.
Men had mij in het veld
tot herder aangesteld;
daar hield ik steeds de wacht
en weidde 't wollig vee.
Toen maakt' ik, wel te vreê,
een harp met eigen handen.
Ik greep het snarentuig,
'k zong psalmen; van 't gejuich
weergalmden onze landen.
Wat blijdschap, wat een eer, dat zelfs de Hemelheer
wou luist'ren naar 't geklank
van mijne harp en stem!
Mijn lied behaagde Hem,
en 'k zei zijn goedheid dank.
Hij had mij 't rijk besteld,
men riep mij uit het veld
van achter 's vaders schapen;
ik kwam en stond bedeesd,
verlegen en bevreesd;
God werd mijn schild en wapen.
Der broed'ren schoon gelaat,
noch kracht kwam hun te baat,
geen moed, geen krijgsbeleid.
Gods knecht ging hen voorbij,
maar groett' en zalfde mij.
Toen rees mijn dapperheid,
toen voeld' ik eenen gloed
van heil'gen heldenmoed.
Ik ging den reus bevechten, ik velde hem ter aard';
'k versloeg hem met zijn zwaard,
tot eer van 's Heeren knechten.

Externe link[bewerken | brontekst bewerken]