Reinier Welschen

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Reinier Welschen

Reinier Rosarius Welschen O.P. (18771941) was een Nederlands beoefenaar van de thomistische wijsbegeerte in de periode van het neothomisme. Als opvolger van professor J.V. de Groot O.P.[1] was hij sedert 1923 kerkelijk hoogleraar in de Thomistische wijsbegeerte aan de Universiteit van Amsterdam [2], en vanaf 1925 tevens bijzonder hoogleraar aan de Rijksuniversiteit Leiden.

Radboudleerstoelen[bewerken]

De aanwezigheid van deze Radboudleerstoel (in Amsterdam al sinds 1894) maakte de Gemeentelijke Universiteit aantrekkelijker voor katholieke studenten. Een voordeel voor deze studenten daarbij was, dat zij voor deze colleges geen collegegeld hoefden te betalen, omdat de leerstoel niet door de gemeente Amsterdam bekostigd hoefde te worden.[3]
De Radboud-aanstellingen golden voor het leven. Evenals De Groot dat was geweest van 1894 tot 1922, was in decennia tussen de twee wereldoorlogen zijn opvolger Welschen een prominente exponent van het neothomisme. Hij vervulde in Amsterdam bovendien de functie van katholiek studentenmoderator. Daardoor nam hij in deze periode een centrale plaats in bij de binding van katholieke studenten aan twee randstedelijke universiteiten met hun levensbeschouwing, bij de verbinding van het katholieke geestesleven met het hoger onderwijs en de universitaire vorming, en daarmee ook met de hogere maatschappelijke emancipatie van het katholieke volksdeel. Het proces van verticale maatschappelijke differentiatie bekend onder de naam verzuiling, kreeg in deze periode een grote uitbouw. Het werd door vele instituties en talloze, vaak naamloos gebleven personen gedragen. In maatschappelijke sleutelposities en op de hogere levensterreinen laten zich echter individuele bijdragen aanwijzen, zoals die van Welschen.

Biografische bijzonderheden[bewerken]

Prof. dr. Welschen O.P. was afkomstig uit een zeer vroom Rotterdams gezin. Ook twee broers van hem traden in het begin van de vorige eeuw in bij de dominicaner orde en bereikten daarin eveneens functies van aanzien. Reinier was van hen wel de meest begaafde. Hij wordt door Struyker Boudier (1986: 62) getypeerd als: ‘een beschaafd en verfijnd mens, vooral psychologisch georiënteerd’, en op wijsgerig gebied als ‘een selfmade man’. Hij heeft in deze functies buiten zijn inaugurele redes (Welschen, R.R. 1923 en 1925) weinig publicaties nagelaten. Zijn betekenis was vooral gelegen in zijn aandeel bij de vorming van de katholieke intelligentsia in de jaren twintig en dertig van de vorige eeuw.

Literatuur[bewerken]

  • Welschen, R. R., o. p., 1923: Continuïteit en wetenschappelijke zelfstandigheid in de Thomistische wijsbegeerte. [Inaugurale rede Universiteit van Amsterdam] Amsterdam. (Engelse vertaling in: Xenia Thomistica (3 dln., Rome 1925), dl. I, p.105-125.)
  • Welschen, R. R., o. p., 1925: De juiste formulering van het causaliteitsbeginsel (Inaugurale rede Rijksuniversiteit te Leiden) Amsterdam.

Over R.R. Welschen en zijn wijsgerig werk:

  • Derkse, W.F.C.M. (red.), 1994: Op zoek naar wegen van waarheid. Gedenkboek bij het eeuwfeest katholieke leerstoel wijsbegeerte bij de Universiteit van Amsterdam 1894-1994, Vught: Radboudstichting, 18-19.
  • Struyker Boudier, C.E.M., 1986: Wijsgerig leven in Nederland en België 1880-1980. II: De dominicanen. Nijmegen / Baarn: Katholiek Studiecentrum / Ambo, 62-63.