Naar inhoud springen

Ribkwallen

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ribkwallen
Fossiel voorkomen: Cambrium[1]heden
Ribkwallen
Taxonomische indeling
Rijk:Animalia (Dieren)
Onderrijk:Eumetazoa (Orgaandieren)
Stam
Ctenophora
Eschscholtz, 1829
Afbeeldingen op Wikimedia Commons Wikimedia Commons
Ribkwallen op Wikispecies Wikispecies
(en) World Register of Marine Species
Portaal  Portaalicoon   Biologie

De ribkwallen of kamkwallen (Ctenophora) vormen een stam van het dierenrijk. Tot deze stam worden zeedieren gerekend die gelijkenis hebben met neteldieren, maar geen netelcellen bezitten. De naam is een verwijzing naar de acht gekamde ribben (ctenen) die over het lichaam van de meeste soorten lopen. Deze kammen breken het licht en geven ribkwallen hun karakteristieke iriserende glans.

De bouw van ribkwallen vertoont een duidelijke radiale of biradiale symmetrie en een relatief eenvoudige organisatie, maar met opvallende functionele specialisaties. Ze beschikken over een zenuwnetwerk en een primitief zintuigorgaan. Het verteringssysteem is doorlopend, met een mondopening en vertakte kanalen die voedingsstoffen door het lichaam distribueren. Veel soorten zijn hermafrodiet en kunnen zich zowel geslachtelijk als ongeslachtelijk voortplanten.

Ribkwallen spelen een belangrijke rol in mariene ecosystemen als predatoren van zoöplankton en als prooi voor grotere organismen. De dieren komen wereldwijd voor, van kustwateren tot de diepzee. De evolutie van ribkwallen is een actief onderzoeksgebied. Recente moleculair-fylogenetisch onderzoeken hebben hun evolutionaire positie opnieuw ter discussie gesteld.[2] Mogelijk vormen ze een zeer basale afsplitsing van het dierenrijk.

Ribkwallen zijn niet zulke goede zwemmers, maar dankzij hun kamvormige lijsten van trilharen zijn ze toch in staat om vooruit te komen. Omdat ze niet tegen stromingen in kunnen voortbewegen, worden ze meestal in grote zwermen over de oceaan voortgedreven. De trilharen glanzen in iriserende kleuren. De meeste ribkwallen worden maar enkele centimeters lang, terwijl andere een lengte bereiken van twee meter.

De lichaamswand van de ribkwallen bestaat uit twee lagen dekweefsel met een dikke geleiachtige mesoglea ertussen. De buitenste laag heet de epidermis en bevat colloblasten, plakkerige cellen die het dier helpen bij het vangen van prooi.

Pelagische ribkwallen (a) Beroe ovata, (b) Euplokamis sp., (c) Nepheloctena sp., (d) Bathocyroe fosteri, (e) Mnemiopsis leidyi, en (f) Ocyropsis sp.

Voortplanting en ontwikkeling

[bewerken | brontekst bewerken]

Alle ribkwallen planten zich seksueel voort, met de uitzondering van sommige Platyctenida-soorten. Ribkwallen zijn hermafrodiet en doen meestal aan kruisbevruchting, maar zelfbevruchting komt ook voor, doch zeldzaam. De bevruchting gebeurt uitwendig in het zeewater. De embryo ontwikkelt zich tot een cydippelarve, zo genoemd omdat ze op een adulte Cydippida gelijkt. Naarmate de larve ouder wordt, begint ze meer en meer te lijken op de adulte van haar eigen soort.

Ribkwallen zijn predatoren en voeden zich onder andere met raderdieren, kleine schaaldieren, andere ribkwallen, plankton en larven. De meeste soorten ribkwallen hebben tentakels waarmee ze prooien kunnen vangen. Soorten zonder tentakels gebruiken hun kleverige lichaam om prooien te vangen, die ze dan naar de mond brengen via ciliale bewegingen van de kammetjesrijen.

Verspreiding en leefgebied

[bewerken | brontekst bewerken]

Ribkwallen komen wereldwijd voor, uitsluitend in mariene milieus. Een soort die in Europa voorkomt is de zeedruif.