Sterrewacht Leiden

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Het quadrant van Snellius

De Sterrewacht Leiden is opgericht in 1633 als observatorium bij de Leidse universiteit, en is hiermee het oudste nog bestaande universiteitsobservatorium ter wereld (alleen de Vaticaanse Sterrenwacht (1578) is ouder). Op het dak van het Academiegebouw werd het kwadrant van Snellius geplaatst[1]. De eerste twee eeuwen werd de Sterrewacht vooral gebruikt voor onderwijs[2]. In 1861 werd een nieuw en groter observatorium gebouwd onder de leiding van F. Kaiser op een terrein dat gedwongen werd afgestaan door de Hortus botanicus Leiden. Dit gebouw heet nu de Oude Sterrewacht. In 1974 verhuisde de Sterrewacht naar het Huygens Laboratorium, en sinds 1997 is het gedeeltelijk gehuisvest in het J.H. Oortgebouw. Sinds 2012 is Huub Röttgering directeur van de Sterrewacht.

De gebruikelijke spelling van de naam is "Sterrewacht", alhoewel in hedendaags Nederlands de correcte spelling "sterrenwacht" is.

Geschiedenis[bewerken]

1633-1860[bewerken]

Het Academiegebouw met het observatorium op het dak in 1763

De Universiteit Leiden richtte het observatorium in 1633 op; er werd reeds lang college gegeven in de sterrenkunde en wegens het bezit van een groot quadrant dat gebouwd was door Snellius, verzocht Jacobus Golius om de bouw van een observatorium waar het kon worden gebruikt. Het observatorium was een van de eerste speciaal gebouwde sterrenwachten in Europa. Hoewel Golius het observatorium regelmatig gebruikte, heeft hij niets gepubliceerd over zijn waarnemingen. Het is niet bekend of Golius andere instrumenten bezat dan het quadrant van Snellius.

In 1682 werd Burchardus de Volder professor wiskunde aan de universiteit en nam daarmee de verantwoordelijkheid voor het observatorium over. In de periode dat hij er werkzaam was werd het observatorium vergroot, waaronder de bouw van een tweede torentje waarin een sextant van messing werd geplaatst dat hij gekocht had, en de vernieuwing van het oude torentje. Beide torentjes hadden een roterend dak. Bij zijn pensionering in 1705 overhandigde de Volder een catalogus met instrumenten die liet zien dat de sterrenwacht twee andere quadranten, een 12-duims telescoop, twee objectieven en enkele kleinere telescopen bezat.

De volgende twee jaar bestuurde Lotharius Zumbach de Coesfeld het observatorium, tot zijn benoeming als wiskundeprofessor in Kassel in 1708.

Tussen 1708 en 1717 had het observatorium geen directeur, tot de benoeming van Willem 's Gravesande. Gedurende zijn tijd kocht 's Gravesande een aantal nieuwe instrumenten waaronder nieuwe telescopen en hulpmiddelen, tot zijn dood in 1742.

De opvolger van 's Gravesande was Johan Lulofs, die het observatorium gebruikte om in 1759 de Komeet Halley waar te nemen, evenals overgangen van Mercurius in 1743 en 1753 en van Venus in 1761.

Na het overlijden van Lulofs in 1768 nam Dionysius van de Wijnpersse de verantwoordelijkheid voor het observatorium over; Pieter Nieuwland werd directeur in 1793 tot hij overleed in 1794. Gedurende een aantal jaren werd gepoogd een geschikte astronoom te vinden tot de curatoren in 1799 Jan Frederik van Beeck Calkoen aanstelden. Maar deze vertrok in 1805.

Het Academiegebouw met het observatorium op het dak in 1859

In 1817 werden de koepels van de sterrenwacht herbouwd. In 1837 werd Frederik Kaiser benoemd tot lector in de astronomie en directeur van het observatorium. Hij vernieuwde de sterrenwacht opnieuw. Hierbij werden de torens voorzien van een roterend dak met volledige sluiters en de noordwestelijke toren werd versterkt. Kaiser verkreeg ook een aantal nieuwe instrumenten en telescopen waarmee hij waarnemingen deed van onder andere kometen, planeten en dubbelsterren.

Als resultaat van de toenemende interesse in astronomie die een gevolg was van de populaire publicaties en lezingen van Kaiser, kwam er in 1853 een commissie om een nieuw observatorium te financieren.

Tussen 1859 en 1909 werd de tijd in Nederland bepaald door de lokale tijd op de sterrenwacht, die telegrafisch werd gecommuniceerd met de rest van het land.

1860-1974[bewerken]

Het nieuwe observatorium in het midden van de 19e eeuw
De sterrenwacht in 1973
De Sterrewacht en Hortus botanicus, ca. 1920-1940
1rightarrow blue.svg Zie Oude Sterrewacht voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

In 1860 was de bouw van het nieuwe observatorium voltooid. Het bevond zich in een rustige omgeving van de stad op het terrein van de Hortus botanicus Leiden. Het observatorium bestond uit een aantal kantoren, woonruimte voor astronomen en een aantal koepels voor telescopen. In 1873 werden twee nieuwe kamers toegevoegd aan het gebouw voor het bewaren van nautische instrumenten en hulpmiddelen om kompassen, sextanten en andere instrumenten te testen. Twee van de koepels werden herbouwd in 1875 en in 1889.

Meer nieuwe gebouwen werden geplaatst voor het eind van de 19e eeuw, waaronder de westelijke toren in 1878 en een in het oosten in 1898. Ook kwam er een klein gebouw voor een generator die gebruikt werd tot het observatorium aansluiting kreeg aan het elektrische net. In 1896 kocht de sterrenwacht de eerste fotografische telescoop; de koepel voor deze telescoope kwam gereed in 1898.

In 1923 ging de sterrewacht een overeenkomst aan met het Union Observatory in Johannesburg, Zuid-Afrika die het mogelijk maakte dat waarnemers gebruik konden maken van beide faciliteiten[3]. De eerste bezoeker uit Leiden op het Leidse Zuidelijke Station was Ejnar Hertzsprung. In 1954 zijn de telescopen van Union Observatory verplaatst naar Hartbeespoort.

Het onderzoek op de Sterrewacht vanaf de jaren 1950 werd gekenmerkt door de opkomst van de radioastronomie. Waarnemingen werden eerst gedaan met Würzburg antennes en later met de radiotelescopen in Dwingeloo (1956) en Westerbork (1970).

In de periode vanaf 1860 had de Sterrewacht vele directeuren van wereldfaam, zoals Frederik Kaiser, H.G. van de Sande Bakhuyzen, Willem de Sitter, Ejnar Hertzsprung, en Jan Hendrik Oort.

1974 - nu[bewerken]

Het Huygens Laboratory en J.H. Oortgebouw, waar een deel van de Sterrewacht nu is gevestigd.

De afdeling astronomie van de universiteit verhuisde in 1974 naar de Science Campus ten noordwesten van het centrum van Leiden. Hoewel in Leiden zelf geen waarnemingen meer worden gedaan wordt de afdeling nog Sterrewacht Leiden genoemd. Het Leidse Zuidelijke Station is gesloten in 1978, waarna de grootste telescoop (de 91 cm Light Collector) is verhuisd naar La Silla-observatorium waar deze in gebruik bleef tot 2006[4].

Directeuren[bewerken]

Period Directeur
1633 – 1667 Jacobus Golius
1668 – 1681 Christiaan Melder
1682 – 1705 Burchardus de Volder
1705 – 1708 Lotharius Zumbach de Coesfeld
1717 – 1742 Willem Jacob Gravesande
1742 – 1768 Johan Lulofs
1768 – 1793 Dionysius van de Wijnpersse
1793 – 1794 Pieter Nieuwland
1799 – 1805 Jan Frederik van Beeck Calkoen
1811 – 1826 Cornelus Ekama
1826 – 1837 Pieter Uijlenbroek
1837 – 1872 Frederik Kaiser
1872 – 1908 Hendricus Gerardus van de Sande Bakhuyzen
1908 – 1918 Ernst F. van de Sande Bakhuyzen
1918 – 1934 Willem de Sitter
1934 – 1945 Ejnar Hertzsprung
1945 – 1970 Jan Oort
1970 – 1996 Hendrik C. van de Hulst/Harry van der Laan/Harm Habing
1996 – 2003 George K. Miley
2003 – 2007 Pieter Timotheus de Zeeuw
2012 – Huub Röttgering


Publicaties (selectie)[bewerken]

  • De Leidse Sterrewacht. Glorieus als vanouds. Universiteit Leiden, 2011. Digitale versie
  • Huib Zuidervaert et al.: 'Frederik Kaiser (1808-1872). Schepper van de 'nieuwe' Leidse Sterrewacht'. Themanummer van Studium, 2011, vol. 4, nr 3. ISBN 978-90-804046-0-1
  • R.H. van Gent & J.H. Leopold: De tijdmeters van de Leidse Sterrewacht. Leiden, Museum Boerhaave, 1992. ISBN 90-6292-099-3
  • W. de Sitter: Short history of the Observatory of the University at Leiden 1633-1933. Haarlem, Joh. Enschedé, 1933. Digitale versie

Externe link[bewerken]