Naar inhoud springen

Thelonious Monk

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Thelonious Monk
Thelonious Monk in 1947
Thelonious Monk in 1947
Algemene informatie
Volledige naam Thelonious Sphere Monk
Bijnaam Sphere
Geboortedatum 10 oktober 1917
Geboorteplaats Rocky Mount[1]Bewerken op Wikidata
Overlijdensdatum 17 februari 1982
Overlijdensplaats EnglewoodBewerken op Wikidata
Land Vlag van Verenigde Staten Verenigde Staten
Opleiding gevolgd aan Stuyvesant High SchoolBewerken op Wikidata
Werk
Jaren actief 1940-1976
Genre(s) jazz, bebop, hardbop, avant-gardejazz
Beroep(en) muzikant, componist
Instrument(en) piano
Invloed(en) James P. Johnson, Duke Ellington, Art Tatum, Mary Lou Williams
Label(s) Blue Note, Prestige, Columbia Records, Riverside Records, Charly Records, Fontana RecordsBewerken op Wikidata
Officiële website
(en) AllMusic-profiel
(en) Discogs-profiel
(en) IMDb-profiel
(en) Last.fm-profiel
(en) MusicBrainz-profiel
Bekende instrumenten
Steinway-vleugel (zijn voorkeursinstrument)
Portaal  Portaalicoon   Muziek

Thelonious Sphere Monk (Rocky Mount, 10 oktober 1917Englewood, 17 februari 1982) was een invloedrijk Amerikaans jazzpianist en componist, bekend om zijn unieke speelstijl met complexe harmonieën, onconventionele ritmes en dissonante akkoorden.[2][3] Als een van de belangrijkste vernieuwers van de bebop en later de moderne jazz, schreef hij standards als 'Round Midnight en Blue Monk, die tot de meest gespeelde jazzcomposities behoren.[2] Zijn muziek, gekenmerkt door angulariteit en speelse improvisatie, brak met traditionele jazzconventies en legde de basis voor latere avant-gardestromingen.

Thelonious Sphere Monk werd geboren op 10 oktober 1917 in Rocky Mount, in de Amerikaanse staat North Carolina.[2] Zijn kinderjaren en zijn jeugd bracht hij door in New York, waar zijn familie zich in 1922 vestigde in de toenmalige wijk San Juan Hill (tegenwoordig Lincoln Square). Deze buurt kenmerkte zich door een voornamelijk zwarte, Afro-Caraïbische en Puerto Ricaanse bevolking en een levendig muziekleven.[2]

Toen Monk ongeveer zes jaar was, ontving zijn familie van een vriend een piano als cadeau. Zijn oudere zus Marion begon pianolessen te volgen, waarna Monk door over haar schouders mee te kijken noten leerde lezen en zich het instrument eigen maakte.[4] Gefascineerd door het instrument begon hij zichzelf het pianospel aan te leren. Op zijn elfde kreeg hij zijn eerste pianolessen en ontwikkelde hij een interesse in jazz.[5] Zijn familie, met name zijn moeder, moedigde zijn muzikale ambities actief aan. Monk trad al snel op voor publiek: hij begeleidde het kerkkoor van de lokale baptistengemeente[6] - waar ook zijn moeder in zong - en verdiende zijn eerste geld als dansmuzikant op feesten. Zijn interesse in jazz groeide, geïnspireerd door muzikanten als Duke Ellington, Fats Waller, Earl Hines en met name James P. Johnson, die in zijn buurt woonde.

Op zeventienjarige leeftijd verliet Monk de school om met een evangelische gospelgroep - bestaande uit een predikant, een "wondergenezer" en een begeleidingsband met een trompettist, een saxofonist en een drummer - op tournee te gaan door de Verenigde Staten. Tijdens deze reis sloot hij zich in steden vaak aan bij lokale jazzmuzikanten en speelde hij 's avonds na zijn werk in jamsessies. In Kansas City ontmoette hij de pianiste Mary Lou Williams, die onder de indruk raakte van zijn spel.[7] Hoewel Monk toen nog veelvuldig standaardtechnieken gebruikte, begon hij hier zijn eigen stijl met moderne harmonieën te ontwikkelen.

Minton's Playhouse

[bewerken | brontekst bewerken]

Na zijn tournee keerde Monk terug naar New York, waar hij zijn moeder en de lokale muziekscene weer opzocht. Om in zijn onderhoud te voorzien, trad hij op in bars en danszalen. In deze periode raakte hij bevriend met toekomstige jazzgrootheden als drummer Kenny Clarke, pianist Bud Powell en trompettist Dizzy Gillespie.

In de jaren 1940 kwam deze vriendenkring regelmatig samen in Minton's Playhouse, een jazzclub op 118th Street in Harlem.[8] De eigenaar, Henry Minton, bood Monk, Clarke en bassist Nick Fenton een vast contract aan om als ritmesectie te fungeren tijdens de muzieksessies. Deze sessies, die vaak tot diep in de nacht duurden, vormden de broedplaats voor wat later de bebop zou worden. Monk en Clarke vormden de muzikale kern van Minton's, waar ook Dizzy Gillespie, Charlie Christian, Don Byas en Art Blakey speelden. Tijdens deze bijeenkomsten experimenteerden de muzikanten met nieuwe concepten die de basis legden voor de bebop. Ook gevestigde namen als trompettist Roy Eldridge en tenorsaxofonist Lester Young – improviseerden mee. Gillespie beschreef in zijn autobiografie To be or not to bop hoe Clarke het ritmische fundament leverde, terwijl Monk de complexe akkoordensequenties introduceerde.

In 1939 trad altsaxofonist Charlie Parker, toen nog lid van door de Jay McShann Band, voor het eerst op in New York. Zijn muzikale ontwikkeling verliep parallel aan die van de Minton's muzikanten. Een jaar later keerde Parker terug, en zijn revolutionaire spel trok aandacht in de jazzwereld. Gillespie en Clarke nodigden hem uit om in Minton's te spelen, wat de definitieve doorbraak van de inluidde.[8]

Monk besloot zich volledig op muziek te richten. Hij trok van club naar club, speelde piano en sliep waar hij neerstreek - soms op het podium, soms achter de piano. In tegenstelling tot veel bebopmuzikanten toonde hij weinig interesse in het snelle tempo dat kenmerkend was voor standaardcomposities zoals I Got Rhythm. In plaats daarvan begon hij eigen thema's te componeren, zoals 'Round Midnight (1944), dat later een jazzstandard zou worden. Hij trok zich geleidelijk terug uit de bebopscene om zich op zijn composities te concentreren.

Hoewel Monk zelden werd geboekt, nam tenorsaxofonist Coleman Hawkins, een vriend van Monk, hem in 1944-1945 mee voor concerten en opnamesessies. Het publiek waardeerde Monks spel echter niet altijd: Hawkins vertelde over een optreden in de Onyx Club waar het publiek Monk afwees en Hawkins elke avond vroeg wanneer hij "eens een echte pianist" zou inhuren. Desondanks weigerde Monk muzikale concessies te doen. Hij bleef thuis composities schrijven en ontving jonge muzikanten - waaronder Miles Davis en Sonny Rollins - voor informele sessies. Monk beschreef deze ontmoetingen als een vorm van "huisonderricht", waarbij hij zijn werk voorspeelde en de aanwezigen door intensief te luisteren zijn stijl eigen maakten. Veel muzikanten van de nieuwe generatie raakten zo vertrouwd met zijn complexe muziek en voerden deze later zelf uit.

Monk in Minton's Playhouse, september 1947 (foto William P. Gottlieb)

Genius of Modern Music

[bewerken | brontekst bewerken]

In 1947 tekende Monk zijn eerste platencontract bij Blue Note Records, opgericht in 1939 door de uit Duitsland geëmigreerde jazzliefhebbers Alfred Lion en Frank Wolff. Na aanvankelijk traditionelere artiesten als Sidney Bechet te hebben uitgebracht, richtte het label zich nu op moderne jazz. Monks debuutalbum Genius of Modern Music, verscheen toen hij dertig was en nog bij zijn moeder woonde. De opnames waren geen commercieel succes, hoewel hij in 1948 werd genoemd in de Downbeat-critic poll als een van de beste jazzmuzikanten van het land.[9] Toch leek zijn carrière te stagneren toen hij een jaar later niet opnieuw werd genomineerd. Teleurgesteld trok Monk zich terug en isoleerde zich steeds meer.

In 1951 bereikte zijn carrière een dieptepunt. Tijdens een autorit met Bud Powell, die heroïne bij zich droeg, werd Monk gearresteerd nadat de politie een klein pakje heroïne tussen zijn tenen vond. Hij bracht 60 dagen in de gevangenis door en verloor zijn cabaret card - een vergunning om op te treden in locaties waar alcohol werd geschonken - wat neerkwam op een beroepsverbod voor jazzmuzikanten.[10][11]

Van Prestige naar Riverside

[bewerken | brontekst bewerken]

In 1952 bood Prestige Records Monk een contract aan, maar het label toonde weinig betrokkenheid. In twee jaar tijd bracht hij slechts zeven dagen in de studio door. Desondanks ontstonden opmerkelijke opnames met onder anderen Sonny Rollins en Miles Davis. Omdat Monk ook voor Prestige niet winstgevend bleek, werd zijn contract in 1955 niet verlengd.[12][13]

Vervolgens tekende hij bij Riverside Records, een label geleid door de jazzliefhebbers Orrin Keepnews en Billy Grauer. In tegenstelling tot eerdere labels boden zij Monk artistieke vrijheid en een vast inkomen. Deze periode (1955-1961) wordt beschouwd als zijn meest vruchtbare, gekenmerkt door zijn unieke harmonieën en onconventionele ritmes. Dankzij de inspanningen van zijn vriendin Pannonica de Koenigswarter - een telg uit de familie Rothschild - herkreeg Monk begin 1957 zijn cabaret card terug, waardoor hij in clubs kon optreden.[14]

Na een conflict tussen Miles Davis en John Coltrane in het Café Bohemia nodigde Monk Coltrane uit voor zijn kwartet. Coltrane onderbrak zijn carrière om van zijn heroïneverslaving af te kicken en keerde vervolgens terug naar New York. Zijn samenwerking met Monk, zowel tijdens opnames als optredens, werd een triomf.[15] Verdere succesvolle albums volgden, waaronder samenwerkingen met Coleman Hawkins en Gerry Mulligan.

Eind 1957 raakten Monk en de Koenigswarter opnieuw in de problemen met de politie na een racistisch incident in een hotel in Delaware. Monk werd ten onrechte schuldig bevonden aan huisvredebreuk en verloor opnieuw zijn cabaret card. Ondanks deze tegenslag groeide zijn reputatie: zijn composities werden gewaardeerd door critici, en hij nam verschillende albums op, waaronder zijn eerste orkestrale opname in de New Yorkse Town Hall en een solo-album. Tenorsaxofonist Charlie Rouse werd rond deze tijd een vaste kracht in zijn band. Hoewel Rouse niet het niveau van zijn voorgangers Rollins, Coltrane en Johnny Griffin bereikte, droeg zijn discipline bij aan het langdurige succes van het kwartet.

Monks groeiende succes trok de aandacht van CBS Records, dat hem in 1962 een contract aanbood. Riverside, dat hem niet dezelfde financiële mogelijkheden kon bieden, liet hem gaan na een regeling over de rechten van een concertopname. Bij CBS nam Monk de albums Monk's Dream (1963) en Criss Cross (1963) op, met Charlie Rouse, bassist John Ore en drummer Frank Dunlop. Er volgden optredens in Tokio, op het Newport Jazzfestival en in het Five Spot Café. Het hoogtepunt was een omslagverhaal over Monk in Time Magazine (februari 1964), dat oorspronkelijk eerder zou verschijnen maar werd uitgesteld door de moord op president John F. Kennedy. Slechts drie andere jazzmuzikanten stonden ooit op de cover van Time.

Tot 1968 trad Monk op tijdens belangrijke jazzfestivals in de VS, Europa en Japan. Zijn kwartet, nu met Ben Riley (drums) en Larry Gales (bas), maakte regelmatig plaatopnames voor CBS. Monk bleef trouw aan zijn signatuur: zijn voorliefde voor opvallende hoeden en zijn onconventionele composities. Eind 1968 verloor CBS echter interesse. Toen het label Monk vroeg om nummers van The Beatles op te nemen, beëindigde hij de samenwerking. Na het vertrek van Gales en Riley in 1970 speelde Monk met wisselende bezettingen, wat de kwaliteit van de optredens aantastte. Ook Rouse verliet de band in 1970, gefrustreerd door de continue tournee.[16]

Monk bleef actief, zij het met wisselend succes. In 1971-1972 toerde hij door Europa als onderdeel van Giants of Jazz, met Dizzy Gillespie en andere Minton's veteranen.[17] Zijn laatste opnames als bandleider vonden plaats in Londen (1971), waar hij solo en in trio met Al McKibbon en Art Blakey zijn meesterlijke spel demonstreerde. Tussen 1973 en 1976 trad hij zelden op; zijn laatste concert gaf hij op 30 juni 1976.

Thelonious Monk overleed op 17 februari 1982 aan de gevolgen van een beroerte.[5]

  • After Hours at Minton's (1943)
  • Genius Of Modern Music: Volume 1 (1947-1948)
  • Genius Of Modern Music: Volume 2 (1947-1952)
  • Straight, No Chaser (1951)
  • Thelonious Monk Trio (1952)
  • Monk (1953)
  • Thelonious Monk and Sonny Rollins (1953)
  • Thelonious Monk plays the Music of Duke Ellington (1955)
  • The Unique Thelonious Monk (1956)
  • Brilliant Corners (1957)
  • Thelonious Himself (1957)
  • Thelonious Monk with John Coltrane (1957)
  • Art Blakey's Jazz Messengers with Thelonious Monk (1957)
  • Monk's Music (1957)
  • Mulligan Meets Monk (1957, with Gerry Mulligan)
  • Blues Five Spot (1958)
  • Thelonious in Action (1958)
  • Misterioso (1958)
  • The Thelonious Monk Orchestra at Town Hall (1959)
  • 5 by Monk by 5 (1958)
  • Thelonious Alone in San Francisco (1958)
  • Thelonious Monk at the Blackhawk (1960)
  • Monk in France (1961)
  • Monk's Dream (1962)
  • Criss Cross (1962)
  • Thelonious Monk in Italy (1963)
  • Monk in Tokyo (1963)
  • Miles and Monk at Newport (1963, met optreden van Miles Davis)
  • Big Band and Quartet in Concert (1963)
  • It's Monk's Time (1964)
  • Monk. (1964)
  • Solo Monk (1964)
  • Live at the It Club (1964)
  • Live at the Jazz Workshop (1964)
  • Underground (1967)
  • Monk's Blues (1968)
  • The London Collection (1971, drie delen)
  • Thelonious Monk Quartet with John Coltrane at Carnegie Hall (2005)

Zie ook Monk Palo Alto {1958)

[bewerken | brontekst bewerken]
[bewerken | brontekst bewerken]