Tweede Kamerlid

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Zetel in plenaire zaal van de Tweede Kamer

Een Tweede Kamerlid (ook parlementariër) is een verkozen volksvertegenwoordiger in de Tweede Kamer der Staten-Generaal van Nederland. De Tweede Kamer bestaat sinds 1956 uit honderdvijftig leden. Ieder kamerlid bezet een zetel met stemrecht.

Geschiedenis[bewerken | brontekst bewerken]

De eerste Tweede Kamerleden werden benoemd door koning Willem I, daarna getrapt door de leden van de Provinciale Staten en vervolgens rechtstreeks door de burger via een landelijke verkiezing.

Bij de oprichting in 1815 had de Tweede Kamer 110 leden, die allen in september dat jaar gelijktijdig benoemd waren door koning Willem I. Nieuwe leden werden benoemd door de Provinciale Staten. Van 1840 tot 1848 had de Tweede Kamer 58 leden. In de jaren 1840 en 1848 waren er naast de leden tijdelijk ook buitengewone leden. Vanaf 1848 had de Tweede Kamer één lid per 45 000 inwoners, gekozen volgens het censuskiesrecht door de inwoners die voldoende belasting betaalden. Na de grondwetswijziging van 1887 telde de Tweede Kamer 100 leden die via honderd kiesdistricten werden verkozen.

Lidmaatschap[bewerken | brontekst bewerken]

Leden worden gekozen bij de Tweede Kamerverkiezingen op basis van evenredige vertegenwoordiging. Leden vertegenwoordigen elk een politieke partij en tezamen vormen de Kamerleden die dezelfde partij vertegenwoordigen een fractie.

Om lid te kunnen worden van de Tweede Kamer moet men Nederlander zijn, minimaal de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt en niet uitgesloten zijn van het kiesrecht (artikel 56 van de Grondwet).

Lidmaatschap van de Kamer is geen vertrouwensfunctie en zodoende is geen veiligheidsonderzoek vereist. Wel kan de AIVD op verzoek van een politieke partij een screening doen waarbij naslag wordt gedaan in de eigen registers. Het resultaat wordt dan via de minister van Binnenlandse Zaken aan de betreffende partij meegedeeld.[1]

Leden van de Tweede Kamer kunnen niet gerechtelijk worden vervolgd of aangesproken voor hetgeen zij in de vergaderingen van de Staten-Generaal hebben gezegd (artikel 71 van de Grondwet). Dit wordt ook wel de parlementaire onschendbaarheid genoemd.

Zie ook[bewerken | brontekst bewerken]