Belasting in Nederland

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
De uitvoering van de rijksbelastingwetgeving vindt plaats door de Belastingdienst.

Belastingen vormen het grootste deel van de inkomsten van de overheid in Nederland. Daarnaast ontvangt de staat inkomsten uit de verkoop van aardgas uit de Nederlandse bodem. Ook krijgt de overheid inkomsten uit de winst van bedrijven waarvan de overheid (voor een deel) eigenaar is, zoals KLM en KPN. De inkomsten van de rijksoverheid over het jaar 2016 worden begroot op 253,5 miljard euro.

Traditioneel nemen de omzetbelasting en de loonbelasting de grootste moten voor hun rekening. Tezamen zijn zij goed voor zo'n 70% van de belastinginkomsten. Daarna volgt de vennootschapsbelasting met ongeveer 15%. De loonbelasting is een voorheffing van de inkomstenbelasting; deze afrekening kan een (bij)betaling of een teruggave inhouden, per saldo is deze goed voor enkele procenten van de belastinginkomsten. Andere, kleinere belastingen, zoals de dividendbelasting en de accijnzen, leveren voor de overheid verhoudingsgewijs weinig op. De voormalige kapitaalbelasting kostte eerder geld dan dat ze wat opleverde en deze zogenoemde belasting van het rechtsverkeer is dan ook met ingang van 2006 afgeschaft.

Het ministerie van Financiën is verantwoordelijk voor de uitvoering van rijksbelastingwetgeving. De feitelijke uitvoering vindt plaats door de Belastingdienst. Binnen de belastingdienst is de inspecteur verantwoordelijk voor heffingsaangelegenheden zoals de aanslagregeling en de behandeling van bezwaar- en verzoekschriften. De ontvanger is verantwoordelijk voor invorderingsaangelegenheden. De inspecteur werkt voornamelijk op basis van de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen (AWR) terwijl de ontvanger voornamelijk de Invorderingswet hanteert.

De belastingdruk in Nederland in 2007 was 38,9% van het bruto binnenlands product.[1]

Belasting versus heffing[bewerken]

De term heffing wordt vaak gebruikt als algemener dan belasting. Zo is bijvoorbeeld de loonheffing een combinatie van loonbelasting en ingehouden premies volksverzekeringen. Daarnaast wordt in het spraakgebruik een heffing vaak gezien als een bestemmingsheffing, zijnde een heffing waarvan de opbrengsten geoormerkt zijn voor bepaalde uitgaven. Volgens de regering volgt dat echter niet uit de term heffing. Omdat de opbrengst van de verhuurderheffing niet los is te zien van de voordelen die verhuurders in de gereguleerde sector hebben van toegestane extra huurverhogingen, heeft het kabinet ervoor gekozen deze maatregel als een heffing te betitelen en niet als een belasting, ook al is het geen bestemmingsheffing.[2]

Geschiedenis[bewerken]

Het betalen van belastingen bestaat al eeuwen. In de 18e eeuw ging het voornamelijk om belastingen op noodzakelijke levensmiddelen als brandhout, zeep, zout, graan, vlees, wijn, turf, kolen en wol. Omdat niemand zonder deze producten kon leven, was de overheid verzekerd van inkomsten. De overheid gebruikte dat geld voor de bescherming van land en inwoners, de handhaving van de openbare orde en de regulering van verkeer, waterstaat en handel. Iedereen betaalde toen hetzelfde tarief ongeacht het inkomen.

In 1806 werd onder Alexander Gogel, minister van Financiën tijdens de Bataafs-Franse tijd een stelsel van algemene belastingen ingevoerd. De betekenis van het stelsel zat vooral in het bereiken van eenheid van de Nederlandse belastingheffing.

In 1914 werd de eerste vorm van belasting op inkomen ingevoerd. Het doel van het invoeren van inkomstenbelasting is om naar draagkracht te belasten. De rol van de overheid is sindsdien alleen maar groter geworden. Vandaar dat de overheid steeds meer geld "nodig heeft" om alle taken te kunnen uitvoeren. Nieuwe belastingsoorten, zoals omzetbelasting (vanaf 1969 btw) en vennootschapsbelasting worden ingevoerd. In 1964 werd de loonbelasting ingevoerd.

Na de Tweede Wereldoorlog is het belastingstelsel uitgegroeid tot een systeem dat gekenmerkt wordt door twee belangrijke uitgangspunten: het draagkrachtbeginsel en het profijtbeginsel, die in de praktijk echter niet goed uit de verf komen.

De volgende belastingen zijn inmiddels afgeschaft:

Beginselen[bewerken]

Profijtbeginsel[bewerken]

Het profijtbeginsel houdt in dat naarmate men meer profijt heeft van een bepaalde overheidsvoorziening, men er ook meer voor moet betalen. Daarom zou degene die een auto bezit wegenbelasting moeten betalen, wie er geen heeft, niet. Het profijtbeginsel komt zo niet echt uit de verf, want de een rijdt mogelijk veel meer kilometers in een lichte (en dus fiscaal goedkope) auto dan de ander in een zware. Bovendien is het profijtbeginsel in tegenspraak met de BPM: de belasting op de aanschaf van een motorrijtuig. Een andere kritiek tegen het profijtbeginsel is dat het eigenlijk niet bestaat wanneer het perfect opgevolgd wordt. Als iedereen dat bedrag aan belasting betaalt dat gelijk is aan zijn profijt van de overheidsvoorziening, dan zouden die voorzieningen dus geen zin hebben omdat de belastingplichtige dan net zo goed zelf daarin had kunnen voorzien.

Draagkrachtbeginsel[bewerken]

Daarnaast hanteert de overheid het draagkrachtbeginsel. Dat gaat ervan uit dat de sterkste schouders de zwaarste last kunnen dragen. Dus hoe hoger het inkomen, hoe meer belasting men procentueel moet betalen.

De overheid hanteert tegenwoordig, behalve het profijt- en het draagkrachtbeginsel, ook het principe van 'de vervuiler betaalt'. Dat principe is bijvoorbeeld van toepassing als de overheid belasting heft op milieuvervuilende activiteiten van burgers. Voor industrie en grootverbruikers worden echter een aparte tariefstructuur en kortingen gehandhaafd [3].

Wie draagt de belastingen af?[bewerken]

Bij het afdragen van belastingen zijn de volgende twee mogelijkheden te onderscheiden: directe of indirecte belastingen. Belastingen die door de belastingplichtige zelf worden afgedragen (dit kunnen particulieren maar ook bedrijven zijn, afhankelijk van de ondernemingsvorm) aan de Belastingdienst worden directe belastingen genoemd. Een voorbeeld hiervan is de inkomstenbelasting. Bij de indirecte belastingen draagt een ander de belastingen af aan de Belastingdienst. Een voorbeeld hiervan zijn accijnzen. Dit is een belasting die in de prijs van goederen en diensten is verwerkt. De consument betaalt de belasting, maar de leverancier draagt het belastingbedrag af aan de Belastingdienst.

Belastingen in soorten en maten[bewerken]

De staat heft belastingen op inkomen, winst en het forfaitair rendement uit vermogen. Iedereen heeft te maken met de inkomstenbelasting, die betaald moet worden over inkomsten. Hoeveel inkomstenbelasting wordt betaald is afhankelijk van de hoogte van het inkomen en persoonlijke omstandigheden. In het nieuwe belastingstelsel, dat op 1 januari 2001 in werking is getreden, is de vroegere belastingvrije som vervangen door een systeem van heffingskortingen. Zoals het begrip "heffingskorting" doet suggereren, is het een korting op de belastingheffing (te betalen bedrag). De voorheen heersende belastingvrije som daarentegen was een vermindering van de heffingsgrondslag, het bedrag waarover de belastingheffing (aanslag) wordt berekend.

De hoogte van de totale korting is afhankelijk van persoonlijke omstandigheden als leeftijd, het al of niet hebben van een baan en het aantal kinderen. Mensen zonder inkomsten kunnen ook in aanraking komen met de belastingen doordat zij eventueel heffingskortingen uitbetaald kunnen krijgen indien het door de fiscale partner te betalen belastingbedrag hiervoor toereikend is.

Naarmate het inkomen hoger is, wordt meer belasting betaald. Daarnaast heft de staat accijnzen en een Belasting op Toegevoegde Waarde (btw). Btw wordt ook wel juridisch de omzetbelasting genoemd. Bij leveringen of diensten (samen: prestaties) zit een toeslag op de prijs die de consument moet betalen. Deze toeslag is de btw of omzetbelasting. De producenten en leveranciers verhogen dus de prijs van een levering of dienst met het bedrag van de btw, en vervolgens moeten zij dit geld aan de staat afdragen. Maar de consument betaalt in werkelijkheid deze belasting, want hij moet een toeslag op de prijs betalen. Zonder de btw zou de consument goedkoper uit zijn.

Op luxe producten, die niet echt nodig zijn om te leven, wordt 21 procent btw betaald (bijvoorbeeld op cd's, of op sieraden). Op minder luxe producten, eerste levensbehoeften, wordt meestal 6% btw betaald (bijvoorbeeld op brood). Dit zijn dus alle leveringen die belast zijn met btw naar het algemeen of verlaagde tarief. Dit kan ook voor diensten gelden, bijvoorbeeld het schilderen van een huis dat meer dan 15 jaar oud is. Ten slotte zijn er nog prestaties waarvoor een 0%-tarief geldt en prestaties waarop een vrijstelling van omzetbelasting van toepassing is. Op zaken als sigaretten, drank of benzine wordt boven op de btw nog accijns of verbruiksbelasting geheven. Van iedere verkochte liter benzine of jenever wordt een vast bedrag aan accijnzen aan de overheid afgedragen. De classificatie staat regelmatig ter discussie, en toekenning kan eerder een politiek karakter krijgen.

Veel belastingsoorten uit het verleden behelsden een poging van de heffer om de belastinginkomsten te stabiliseren. Door de toegenomen beschikbaarheid van informatie voor de staat, is dit nu zeer sterk verbeterd. Het heeft wel als gevolg dat de staat niet langer 'mee-ademt' met de conjunctuur van de economie, zoals lang wel het geval was.

Door de toename van het aantal belastingsoorten neemt de complexiteit van de inning toe, en dus ook de bijhorende kosten. Aangezien controle van de aard van de grondslag vaak niet efficiënt kan plaatsvinden, of tegen privacy-wetgeving aanloopt, is er een sterke trend van de oorspronkelijk analytische benadering, naar een synthetische belasting.

Hierbij wordt een algemeen tarief geconstrueerd dat meer tendeert naar de inkomstenbehoefte van de staat dan de precieze inkomsten van een persoon. Aangezien er toenemend belasting-ontwijking plaatsvindt, versterkt dit de politieke acceptatie van wat dan nu bekendstaat als 'vlaktaks'. Deze combineert eenvoud van inning met het door velen gedragen beginsel van breedste schouders, zwaarste lasten, in voldoende mate.

De ultieme synthetische belasting die uit dit proces kan voortvloeien, is dan uiteraard een vlaktaks, die alle belastingsoorten in een enkel tarief consolideert. Gezien ontwikkelingen in het verleden ligt de voorkeur dan bij een belasting op uitgaven, die de productiviteit niet ontmoedigt. Deze laatste ontwikkeling wordt nog niet zozeer breed gedragen, maar ontplooit zich de laatste jaren wel over een breed politiek spectrum.

Belastingheffende instanties en wat wordt zoal geheven?[bewerken]

Er zijn in Nederland vijf overheden die belasting heffen:

  1. de Rijksoverheid
  2. de Provincies
  3. de Gemeenten
  4. de Openbare lichamen BES
  5. de Waterschappen

Ten opzichte van de totale belastingopbrengst is het aandeel van de provinciale, de gemeentelijke en de waterschapsbelastingen gering: nog geen 4% van de totale belastingopbrengst.

Belastingen geheven door de Nederlandse rijksoverheid in Europees Nederland[bewerken]

Rijksbelastingen op inkomen, winst, vermogen e.d.[bewerken]

Kostprijsverhogende rijksbelastingen[bewerken]

  1. Alcoholaccijns
  2. Wijnaccijns
  3. Bieraccijns
  4. Wet op de verbruiksbelastingen van alcoholvrije dranken en van enkele andere producten[4]
  5. Suikeraccijns
  6. Tabaksaccijns
  7. Accijns van minerale oliën

Milieuheffingen[bewerken]

  • Wet belastingen op milieugrondslag[5], te onderscheiden in:
  1. Belasting op leidingwater (BoL)[6]
  2. Kolenbelasting
  3. Energiebelasting
  4. Verpakkingenbelasting

Overige[bewerken]

Belastingen geheven door de Nederlandse rijksoverheid in Caribisch Nederland[bewerken]

  1. Benzine
  2. Bier (alleen Bonaire)
  3. Wijn (alleen Bonaire)
  4. Gedestilleerd (alleen Bonaire)
  5. Sigaretten (alleen Bonaire)
  6. Sigaren en cigarillo’s (alleen Bonaire)
  7. Rooktabak (alleen Bonaire)

Belastingregeling voor het land Nederland[bewerken]

Er is het Besluit van 26 februari 2011 tot vaststelling van het besluit voorkoming dubbele belasting tussen de belastingstelsels van het in Europa gelegen deel van het land Nederland en het in het Caribische gebied gelegen deel van het land Nederland (Belastingregeling voor het land Nederland). Zie ook de Belastingregeling voor het Koninkrijk.

Belastingen geheven door gemeenten[bewerken]

Inleiding[bewerken]

De grondslag voor de vaststelling van een gemeentelijke verordening op grond waarvan gemeentelijke belastingen worden geheven, is veelal in hoofdstuk XV van de Gemeentewet te vinden (artikel 216 Gemeentewet e.v.). Voor de Gemeentelijke verordeningen zal men zich tot de specifieke gemeente dienen te wenden. Bij inwerkingtreding van een gemeentelijke belastingverordening wordt dat veelal in het plaatselijk/regionale huis-aan-huisblad bekendgemaakt.

Gemeentelijke belastingen[bewerken]

Door Nederlandse gemeenten worden onder andere geheven de volgende belastingen:

Het COELO (Centrum voor Onderzoek naar de Economie van de Lokale Overheden, RU Groningen) houdt een overzicht bij van de gemeentelijke lasten per huishouden voor alle gemeenten in Nederland, de Atlas van de lokale lasten.

Belastingen geheven door de openbare lichamen BES[bewerken]

Inleiding[bewerken]

De grondslag voor de vaststelling van een eilandsverordening op grond waarvan eilandbelastingen worden geheven, is veelal in hoofdstuk IV van de Wet financiën openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba (FinBES) te vinden (artikel 40 FinBES e.v.).

Eilandbelastingen[bewerken]

Door de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba kunnen onder andere de volgende belastingen worden geheven:

Eilandelijke opcenten[bewerken]

De openbare lichamen kunnen opcenten heffen op de hoofdsom van de vastgoedbelasting.

Wijzigingen[bewerken]

Per kalenderjaar zijn er enkele wijzigingswetten, die per wet vaak meerdere belastingwetten wijzigen. Wijzigingen met ingang van jaar T staan jaarlijks in:

  • Fiscale verzamelwet T-1 (ten behoeve van de spreiding in de tijd wordt deze wet eerder ingediend, rond juni; vandaar ook het afwijkende jaartal in de naam (het jaar van behandeling, niet van inwerkingtreding)
  • Belastingplan T - wordt op Prinsjesdag van het jaar T-1 ingediend
  • Overige fiscale maatregelen T - wordt op Prinsjesdag van het jaar T-1 ingediend
  • Bijstellingsregeling T - wordt in december van het jaar T-1 in de Staatscourant gepubliceerd
  • Bijstellingsregeling accijns, belasting van personenauto’s en motorrijwielen, motorrijtuigenbelasting en belastingen op milieugrondslag T - wordt in december van het jaar T-1 in de Staatscourant gepubliceerd

Diverse wetten regelen een jaarlijkse indexering van in de wet voorkomende bedragen, waarbij de inflatie met een vertraging van 18 maanden doorwerkt. De daaruit voortvloeiende wijzigingen staan in de twee genoemde bijstellingsregelingen. Zo is de Bijstellingsregeling 2012[7] in december 2011 gepubliceerd. De bijstellingsregeling geeft aan hoe indexeringsvoorschriften worden uitgevoerd, voor onder andere de Wet IB 2001 en de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen. Voor 2012 is de tabelcorrectiefactor 1,017. De bovengrens van de tweede schijf van box 1 wordt maar voor 75% geïndexeerd, dus daarvoor is de factor 1,01275. De tabelcorrectiefactor hangt af van de inflatie tot 1 juli voorafgaande aan het belastingjaar en is dus in de loop van juli bekend.

Veel andere wijzigingen staan jaarlijks in het Belastingplan en de Overige fiscale maatregelen. Ze worden na eventuele wijzigingen bij de behandeling in de Tweede Kamer, normaal gesproken in december door de Eerste Kamer aangenomen. De positie van de Eerste Kamer is lastig: doordat vele wijzigingen samen in één wet staan is afwijzing een zwaar middel dat zelden of nooit voorkomt; ook is de tijd erg krap, want normaliter kunnen veranderingen niet met terugwerkende kracht worden ingevoerd. Wel bedingt de Eerste Kamer soms dat de minister bevordert dat later alsnog iets veranderd wordt, of bijvoorbeeld bij de btw-verhoging voor podiumkunsten, dat de staatssecretaris een beleidsbesluit zou nemen om de verhoging later in te laten ingaan dan in de wet staat.

Verder is er soms incidenteel een aparte wet over een speciaal onderwerp.

Wijzigingen met ingang van 2012 staan onder andere in:

  • Wet van 24 november 2011 tot wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Fiscale verzamelwet 2011) (ingediend in juni 2011; het jaar van indiening en behandeling staat in de titel van de wet)
  • Wet van 22 december 2011 houdende wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Belastingplan 2012) (ingediend in september 2011)
  • Wet van 22 december 2011 tot wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Overige fiscale maatregelen 2012) (ingediend in september 2011)
  • Geefwet (ingediend in september 2011)

Wijzigingen, deels met ingang van 2012 en deels met ingang van 2013:

  • Wet van 12 juli 2012 tot wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Wet uitwerking fiscale maatregelen Begrotingsakkoord 2013) (UFM). Zie ook inhoud Begrotingsakkoord 2013.
    • Verhoging van het hoge btw-tarief van 19 naar 21 procent. Deze is op 1 oktober 2012 ingegaan.
    • De tijdelijke verlaging van de overdrachtsbelasting tot 2 procent wordt blijvend.
    • Afschaffen vrijstelling kolenbelasting elektriciteitsopwekking.
    • Belasten rode diesel.
    • De fiscale faciliteiten voor sociaal-ethisch beleggen, cultureel beleggen en durfkapitaal worden per 1 januari 2013 afgeschaft.
    • De geleidelijke verlaging van de heffingskorting voor groene beleggingen wordt gestopt en de afschaffing gaat niet door.
    • De tabelcorrectiefactor wordt één jaar niet toegepast (dit komt erop neer dat in termen van inflatie-gecorrigeerde bedragen onder andere de tarieven van box 1 worden verhoogd). In geval van loonmatiging cumuleren de effecten.
    • Over hoge lonen (inclusief bonussen) in 2012 (betaald plus nog te betalen) moeten werkgevers alsnog een werkgeversheffing (eenmalige crisisheffing) betalen, in aanvulling op de normale loon-/inkomstenbelasting die daarover geheven is/wordt; de opbrengst is 500 mln; per 1 januari 2013 wordt de werkgeversheffing op excessieve vertrekbonussen verhoogd van 30 naar 75%.
    • Voor podiumkunsten gaat het lage btw-tarief weer gelden (48 mln). Dit is per 1 juli 2012 ingegaan.

Wijzigingen met ingang van 2013:

  • Wet uniformering loonbegrip
  • Wet van 1 november 2012 tot wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Fiscale verzamelwet 2012)
  • Wet van 20 december 2012 tot wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Belastingplan 2013) - De tweede nota van wijziging[8] bevat de volgende maatregelen uit het Deelakkoord begroting 2013: de assurantiebelasting gaat omhoog van 9,7% naar 21%; het vitaliteitssparen wordt geschrapt; er wordt een werkbonus ingevoerd.
  • Wet van 20 december 2012 tot wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Overige fiscale maatregelen 2013)
  • Wet herziening fiscale behandeling eigen woning

Wijzigingen met ingang van 2014:

  • Wet van 18 december 2013 tot wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Belastingplan 2014)
  • Wet van 18 december 2013 tot wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Overige fiscale maatregelen 2014)
  • Wet van 18 december 2013 tot wijziging van enkele wetten met het oog op de bestrijding van fraude in de toeslagen en fiscaliteit (Wet aanpak fraude toeslagen en fiscaliteit)
  • Wet van 18 december 2013 tot wijziging van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en van de Invorderingswet 1990 in verband met de wijziging van de percentages belasting- en invorderingsrente (Wet wijziging percentages belasting- en invorderingsrente)
  • Wet maatregelen woningmarkt 2014 II met onder meer de tariefsaanpassing aftrek kosten eigen woning.

Wijzigingen met ingang van 2015:

  • Wet van 17 december 2014 tot wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Belastingplan 2015)

Tussentijdse wijzigingen betreffen bijvoorbeeld verwijzingen naar artikelen in andere wetten, en soms ook spoedeisende reparaties, zoals de Wet van 8 juli 2009 tot wijziging van enkele belastingwetten (reparatie in verband met arresten van de Hoge Raad inzake pensioen- en lijfrenteaanspraken), die terugwerkt tot 29 juni 2009 om 12.00 uur, het moment van indiening van het wetsvoorstel bij de Tweede Kamer.[9]

De Wet van 25 november 2015 tot wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Fiscale verzamelwet 2015) heeft een meer inhoudelijk karakter dan de Fiscale verzamelwet in andere jaren, de wet is niet beperkt tot vrijwel uitsluitend technische en redactionele wijzigingen.

Wijzigingen voornamelijk met ingang van 2016:

  • Wet van 23 december 2015 tot wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Belastingplan 2016)[10]
    • De bijbehorende novelle Wet van 23 december 2015 tot wijziging van het Belastingplan 2016[11]
  • Wet van 23 december 2015 tot wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Overige fiscale maatregelen 2016)

Belastinguitgave[bewerken]

Onder een belastinguitgave (in enge zin) wordt verstaan een overheidsuitgave in de vorm van een derving of uitstel van belastingontvangsten, die voorvloeit uit een voorziening in de wet voor zover die voorziening niet in overeenstemming is met de primaire heffingstructuur van de wet.[12] Voorbeelden:

Internationale aspecten[bewerken]

Zie voor de internationale aspecten van de belastingheffing in Nederland (met de nadruk op de directe belastingen): belastingverdrag.

Zie ook[bewerken]

Externe links[bewerken]