Groene belegging

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Een groene belegging is in Nederland een vorm van duurzaam beleggen waarbij wordt belegd in een groenfonds, dat wordt gebruikt om milieuprojecten te financieren. Beleggen in een groenfonds betekent dat iemand goedkoop geld uitleent aan banken. Hierdoor kunnen de "groenbanken" weer goedkope leningen verstrekken aan projecten, bijvoorbeeld een biomassacentrale, duurzaam gebouwde woning, een windmolenpark, of een biologisch landbouwbedrijf. Dit heet groene financiering.

Het rendement op groenfondsen is beperkt. Dat lagere rendement wordt echter deels gecompenseerd door het belastingvoordeel.

Voor de Wet inkomstenbelasting 2001 (IB) kan de belastingdienst vormen van sparen en beleggen goedkeuren als groene belegging. Ondanks de term "beleggingen" (en het in de rubriek "Beleggingen" ingedeeld zijn bij de aangifte) kan het zowel gaan om spaartegoeden bij een groenbank (een spaarrekening of een spaardeposito) als om aandelen in een groenfonds. Tot een maximum per belastingplichtige (2021: € 60.429; 2022: € 61.215) tellen deze spaartegoeden en de waarde van de aandelen niet mee als vermogen.[1] Daarnaast is er de korting voor groene beleggingen (een heffingskorting) van 0,7% van het vrijgestelde vermogen aan groene beleggingen (maximaal dus ruim €400 per jaar).[2][3]

Bij het rechtsherstel naar aanleiding van het Kerstarrest is een complicatie dat bij overschrijding van het maximumbedrag deze overschrijding in de oude regeling wordt ingedeeld bij beleggingen. In de oude regeling maakt dat niet uit, maar in de nieuwe regeling zou dit bij spaartegoeden bij een groenbank een te hoge aanslag opleveren. Het is nog onduidelijk hoe dit in de nieuwe regeling wordt opgelost.

Bij het aan het einde van het jaar verwerven en aan het begin van het nieuwe jaar weer verkopen van een maatschappelijke belegging, met als enig doel het behalen van fiscaal voordeel, kan de belastingdienst dit voordeel weigeren op basis van fraus legis. Soms neemt ook het betreffende beleggingsfonds maatregelen om dit te voorkomen.[4]

Soms wordt de rente over een groene belegging geschonken aan een gelieerde algemeen nut beogende instelling zodat naast de al genoemde belastingvoordelen er ook giftenaftrek in box 1 is.

Groenfondsen[bewerken | brontekst bewerken]

Voorbeelden van groenbanken en groenfondsen zijn:[5][6]

Sparen (nieuwe inleg vaak slechts incidenteel mogelijk):

  • Rabo Groen Bank - Rabobank Groendeposito [7] of - Rabo Groensparen, spaarrekening met variabele (anno 2021 negatieve) rente; elke inleg is een jaar geblokkeerd[8]
  • ING Groen Spaardeposito van ING Groenbank N.V.[9]
  • ABN AMRO Groenbank - Groen Spaardeposito's[10]

Beleggen:

Consequenties voor inkomstenbelasting en vermogenstoetsen[bewerken | brontekst bewerken]

De vrijstelling vermindert het forfaitaire rendement in box 3 (maar niet tot minder dan nul), waardoor de belasting in box 3 vermindert (maar niet tot minder dan nul).

De korting voor groene beleggingen van 0,7% van het vrijgestelde vermogen aan groene beleggingen vermindert de belasting in de drie boxen samen, maar niet tot minder dan nul.

Als bijvoorbeeld bij een groen spaardeposito de rente nul is, dan is het totale rendement 0,7%. Dit kan vergeleken worden met het netto rendement op een gewoon spaardeposito bij bijvoorbeeld een rente van 0,5%, en een forfaitaire rendement op banktegoeden in de Overbruggingswet box 3 van 0,3%[13], dat bij een belastingtarief van 31% een netto rendement heeft van 0,5 % min 0,093% belasting, is 0,407%. Een niet-vrijgesteld bedrag aan groene spaartegoeden is onvoordeliger dan een gewoon banktegoed, niet alleen omdat de rente lager is, maar vooral omdat het niet als banktegoed, maar als overige bezittingen wordt belast.

Bij een vermogenstoets kunnen groene beleggingen wel of niet meetellen. Zo definieert de Wet op de rechtsbijstand vermogen als de rendementsgrondslag bedoeld in artikel 5.2 van de Wet op de inkomstenbelasting 2001; daarbij bepaalt art. 5.13 dat tot de bezittingen niet behoren groene beleggingen (tot het maximum); als gevolg daarvan worden deze niet meegeteld bij de bepaling van het vermogen.

De wet Overige fiscale maatregelen 2013 heeft aan de Wet op de zorgtoeslag en de Wet op het kindgebonden budget toegevoegd dat er wordt uitgegaan van een afwijkende grondslag sparen en beleggen, die geen rekening houdt met de vrijstelling bedoeld in artikel 5.13 van de Wet inkomstenbelasting 2001; groene beleggingen worden dus wel meegeteld bij de bepaling van het vermogen.

Fiscale geschiedenis[bewerken | brontekst bewerken]

"Maatschappelijke beleggingen" was tot en met 2012 de verzamelnaam voor groene beleggingen en sociaal-ethische beleggingen. Ook voor de laatstgenoemde waren er fiscale facilteiten.

In de eerste aangenomen versie van de Wet IB was er alleen een vrijstelling.[14] In een voorstel tot wijziging van die wet vóór invoering was er daarnaast een aftrekpost van 2,5%.[15] In een amendement[16] is deze gewijzigd in een heffingskorting van 1,3%. het Belastingplan 2011 bepaalde dat dit in 2011 1% werd, in 2012 0,7%, in 2013 0,4% zou worden en in 2014 zou worden afgeschaft. De Wet uitwerking fiscale maatregelen Begrotingsakkoord 2013 (UFM) bepaalde dat de verdere verlaging en uiteindelijke afschaffing van het inmiddels tot 0,7 % verlaagde percentage voor groene beleggingen niet doorging.[17]

De UFM heeft de vrijstelling en heffingskorting voor sociaal-ethische fondsen (zoals het ASN-Novib Fonds, Oikocredit Nederland Fonds en Triodos Fair Share Fund) per 1-1-2013 afgeschaft.

Soms gebruikt een bank in fiscale informatie nog de term "maatschappelijke beleggingen", er worden dan groene beleggingen bedoeld.

Toekomst[bewerken | brontekst bewerken]

Bezien wordt of groenfondsen die worden gehouden en beheerd door vergunninghoudende banken in Nederland, kunnen worden ontslagen van de verplichting tot het hebben van een eigen bankvergunning. Het depositogarantiestelsel biedt de garantie van € 100.000 dan slechts voor het gecombineerde saldo van spaargeld in het groenfonds en bij andere rekeningen van dezelfde bank.[18]

Zie ook[bewerken | brontekst bewerken]