Box 3

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

In de Nederlandse Wet inkomstenbelasting 2001 is inkomen uit sparen en beleggen een categorie inkomsten. Deze wordt ook wel box 3 genoemd[1]. Deze inkomsten bestaan uit een forfaitair (fictief) rendement op spaartegoeden en andere bezittingen. Hierover wordt belasting geheven: de vermogensrendementsheffing. Deze vervangt het oudere stelsel van vermogensbelasting.

Het forfaitaire rendement was van 2001 tot en met 2016 een vast percentage: 4%. De vermogensrendementsheffing kwam hiermee uit op 1,2%. Sinds 2017 wordt het fictieve rendement berekend op basis van een fictieve indeling in soorten beleggingen, afhankelijk van de hoogte van het vermogen, en historische gemiddeld behaalde rendementen per soort belegging.

Rendementsgrondslag[bewerken]

De rendementsgrondslag is de waarde van de bezittingen minus die van de schulden.

Het gaat om vermogen dat niet in een van de eerdere categorieën van inkomen valt, dat wil zeggen vermogen waarop geen belastingverplichting in box 1 of box 2 rust.

Niet in box 3 vallen:

Wel tot de bezittingen in box 3 behoren onder andere de waarde van een tweede huis, betaalrekeningen, spaarrekeningen en effectenrekeningen, kostbaarheden, aandelen, obligaties en cryptogeld. Beleggingen in als zodanig erkende groene beleggingen zijn tot een bepaald bedrag (2018: € 57.845; 2019: € 58.540) vrijgesteld (daarnaast is er een speciale heffingskorting voor groene beleggingen van 0,7%).

Voor contant geld is er een vrijstelling (2018: € 527, 2019: € 534).

Ook vrijgesteld is de waarde van overlijdensrisicoverzekeringen met een waarde van minder dan een bepaald bedrag (2016: € 6956; 2017: € 6977). Deze zijn vaak bedoeld als uitvaartverzekering, eventueel in natura.[2] In totaal mag de waarde niet meer zijn dan het genoemde bedrag. Als de waarde wel meer is wordt niets vrijgesteld, maar overlijdensrisicoverzekeringen met een waarde van het genoemde bedrag of meer vallen hier helemaal buiten. Roerende zaken (zoals auto's en vaartuigen voor eigen gebruik[3]) en kunstvoorwerpen worden in het algemeen niet tot het vermogen gerekend. Voor het tegoed op de levensloopregeling geldt een algehele vrijstelling tijdens de gehele looptijd.

Schulden zijn bijvoorbeeld hypotheekschulden waarvan de rente niet aftrekbaar is in box 1. Belastingschulden tellen niet mee en de waarde van de overige schulden komt alleen in aanmerking voor zover deze in totaal meer bedraagt dan de doelmatigheidsdrempel voor kleine schulden (2017 en 2018: € 3000). Wie wil voorkomen dat belasting over inkomen in enig kalenderjaar niet vóór het eind van dat jaar kan worden betaald, waardoor de rendementsgrondslag voor het volgende jaar feitelijk te hoog wordt vastgesteld, kan zonodig tijdig[4] een (eerste of gewijzigde) voorlopige aanslag aanvragen over het lopende jaar (omzetting van een materiële belastingschuld in een formele belastingschuld, die vervolgens betaald kan worden).

De verplichting van ouders om hun kinderen te onderhouden geldt voor de ouders niet als schuld en voor de kinderen niet als bezitting.

De peildatum is 1 januari van het betreffende belastingjaar. Bij de gebruikelijke aangifte een jaar later moet dus niet het vermogen op de meest recente 1 januari worden opgegeven, maar het vermogen op 1 januari een jaar eerder. (Ook mag als peildatum één dag eerder worden gekozen, 31 december.) Hierdoor zal het minder vaak voorkomen dat de gegevens nog niet binnen of nog niet vergaard zijn, en dat men uitstel moet aanvragen.[5] Recentere gegevens (nl. over de loop van het belastingjaar) die wel opgegeven moeten worden zijn de bedragen van de ingehouden dividendbelasting, omdat deze vaak voorheffingen zijn die op de te betalen belasting in mindering worden gebracht.

Heffingvrij vermogen[bewerken]

Er is een heffingvrij vermogen, soms heffingsvrij vermogen genoemd (2018: € 30.000; 2019: € 30.360; 2020: € 30.846[6]). Over het vermogen minus het heffingvrij vermogen wordt belasting geheven.

Grondslag sparen en beleggen[bewerken]

De grondslag sparen en beleggen is de rendementsgrondslag voor zover die meer bedraagt dan het heffingsvrije vermogen. De grondslag sparen en beleggen is dus 0 (niet negatief) als het saldo van bezittingen en schulden lager is dan het heffingsvrij vermogen.

Voordeel uit sparen en beleggen[bewerken]

Het voordeel uit sparen en beleggen wordt, met een sinds 2017 geldend systeem, sinds 2018 gebaseerd op recentere rentegegevens, als volgt bepaald:

  • Forfaitair wordt de grondslag sparen en beleggen ingedeeld in twee rendementsklassen (forfaitaire vermogensmix): de grondslag behoort voor de eerste vermogensschijf (2018: de eerste € 70.800; 2019: de eerste € 71.650; 2020: de eerste € 72.797) voor 67% tot rendementsklasse I, voor de tweede vermogensschijf (2018: de volgende € 907.200; 2019: de volgende € 918.086; 2020: de volgende € 932.775) voor 21% en voor de rest (de derde vermogensschijf) niet. De rest van de grondslag sparen en beleggen behoort tot rendementsklasse II.
  • Het forfaitair rendement in rendementsklasse I (2018: 0,36%; 2019: 0,13%; 2020: 0,09%) is gebaseerd op het rendement van spaargeld en wordt voor jaar t als volgt berekend (herijkt). Forfaitair wordt uitgegaan van 131% spaargeld en 31% schuld. Voor spaargeld wordt uitgegaan van het gemiddelde rendement op deposito’s van huishoudens met een opzegtermijn van maximaal drie maanden, in de maanden juli (t-2) t/m juni (t-1); voor schulden wordt uitgegaan van een betaalde rente die 0,1 procentpunt hoger ligt. Per saldo is het forfaitaire rendement dus het genoemde gemiddelde rendement op deposito’s, verminderd met 0,031 procentpunt.
  • Het forfaitair rendement in rendementsklasse II (2018: 5,38%; 2019: 5,6%; 2020: 5,33%) is gebaseerd op het rendement van overige bezittingen en wordt jaarlijks voor jaar t als volgt berekend (herijkt). Het percentage wordt gesteld op de som van 53% van het langetermijnrendement op onroerende zaken, 33% van het langetermijnrendement op aandelen en 14% van het langetermijnrendement op obligaties (de kapitaalmarktrentevoet van de jongste Nederlandse 10-jarige staatsobligatie).[7] Steeds is een rendement de bijbehorende rendementsfactor verminderd met 1 (of uitgedrukt in een percentage: deze uitkomst maal 100%). Voor elke categorie wordt de voor belastingjaar t > 2016 gehanteerde langetermijnrendementsfactor berekend als de 15e-machtswortel uit het product van de 14e macht van de voor belastingjaar t-1 gehanteerde langetermijnrendementsfactor en de betreffende gerealiseerde rendementsfactor (de factor waarmee de waarde vermenigvuldigd is) voor het jaar t-2. Voor de toepassing hiervan voor t = 2017 wordt het langetermijnrendement op onroerende zaken, aandelen en obligaties van het kalenderjaar 2016 gesteld op respectievelijk 4,25%, 8,25% en 4%.
    • Voor onroerende zaken wordt uitgegaan van het CBS-prijsindexcijfer voor Bestaande Koopwoningen.
    • Voor aandelen wordt uitgegaan van de MSCI-index (Europa, bruto, lokale valuta). De startwaarde voor het langetermijnrendement wordt berekend als het gemiddelde van 77 resultaten: het gemiddelde rendement per jaar met als startjaar een willekeurig jaar in de periode 1984-1994 en als eindjaar een willekeurig jaar in de periode 2008-2014.
    • Voor obligaties wordt uitgegaan van de kapitaalmarktrentevoet van de jongste Nederlandse 10-jarige staatsobligatie.

Doordat voor de berekening van het forfaitair rendement wordt uitgegaan van gemiddelden, hoeven deze berekeningen niet per belastingaanslag te worden gedaan: voor beide rendementsklassen ligt het fictieve rendement in een bepaald jaar vast.

Belastbare inkomen uit sparen en beleggen[bewerken]

Het belastbare inkomen uit sparen en beleggen is het voordeel uit sparen en beleggen verminderd met het daarvoor in aanmerking komende deel van de persoonsgebonden aftrek. Voor zover de persoonsgebonden aftrek het inkomen uit werk en woning van het kalenderjaar niet vermindert, vermindert de aftrek het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van het jaar, maar niet verder dan tot nihil.

In 2018 is het inkomen in de eerste vermogensschijf 2,0166%[8], in de tweede 4,3258%, en in de derde 5,38%.

In 2019 zijn deze percentages 1,935%, 4,451% en 5,60%[9], en in 2020 1,80%, 4,22% en 5,33%[6].

Heffing[bewerken]

Artikel 2.13 IB[10] bepaalt dat de belasting op het belastbare inkomen uit sparen en beleggen 30% bedraagt.

In 2018 is de belasting per vermogensschijf 0,605%, 1,298% en 1,614%, in 2019 0,581%, 1,350% en 1,680%, en in 2020 0,546%, 1,269% en 1,599%.

Beleggingsrisico[bewerken]

Van bijvoorbeeld het vermogen in de tweede vermogensschijf valt 79% in rendementsklasse II. Een belastingplichtige die om beleggingsrisco te vermijden niet belegt loopt dus een omgekeerd beleggingsrisico, waarbij een langetermijnrendement van 1% op de lange termijn een jaarlijkse schade oplevert van 30% van 79% van 1%, is 0,237% van het vermogen in de tweede vermogensschijf. In theorie kan hij dit risico min of meer afdekken door 23,7% van dit vermogen in de tweede vermogensschijf gespreid te beleggen.

Schijfgrenzen in termen van rendementsgrondslag en in termen van grondslag sparen en beleggen[bewerken]

Schijfgrenzen in termen van rendementsgrondslag (oorspronkelijk ronde bedragen; corresponderend met een systeem van drie rendementsschijven, met een nihilrendement in de eerste rendementsschijf) moeten niet verward worden met schijfgrenzen in termen van grondslag sparen en beleggen (vermeld in de wet; corresponderend met een systeem van twee rendementsschijven).

In 2017, met een heffingvrij vermogen van € 25.000, waren de schijfgrenzen in termen van rendementsgrondslag de ronde bedragen € 100.000 en € 1.000.000, en in termen van de grondslag sparen en beleggen (vermeld in de wet) dus € 75.000 en € 975.000.

In 2018, met een heffingvrij vermogen van € 30.000 (corresponderend met de inflatiecorrecie van 0,8% en vervolgens een extra verhoging met € 4.800), zijn de schijfgrenzen in termen van rendementsgrondslag € 100.800 en € 1.008.000 (corresponderend met de inflatiecorrecie van 0,8%), en in termen van de grondslag sparen en beleggen dus € 70.800 en € 978.000 (corresponderend met de inflatiecorrecie van 0,8% en vervolgens een verlaging met € 4.800). De regering blijkt met "verhogen van het heffingvrije vermogen" te bedoelen dat daarbij de schijfgrenzen in termen van rendementsgrondslag gelijk blijven en de schijfgrenzen in termen van de grondslag sparen en beleggen, zoals die in de wet staan, dus verlaagd worden. Dit wijkt echter af van de systematiek van de wet, waarbij het heffingvrije vermogen in artikel 5.5 staat, en de schijfgrenzen in termen van de grondslag sparen en beleggen in artikel 5.2, als aparte gegevens. De regering vergat door deze verwarring de schijfgrenzen in de wet te verlagen. In de derde nota van wijziging werd dit alsnog gedaan, en stelde de regering dat dit materieel steeds al de bedoeling was.

Indexatie[bewerken]

Alle in de wet genoemde bedragen die te maken hebben met box 3 worden geïndexeerd met de tabelcorrectiefactor.

Belang voor andere regelingen[bewerken]

Het inkomen in box 3 telt soms wel, soms niet mee bij inkomensafhankelijke bijdragen en toeslagen:

Wel bij:

Niet bij:

Indien wel, dan heeft vrijstelling van vermogensbestanddelen niet alleen voordeel voor de inkomstenbelasting, maar via vermindering van het in aanmerking genomen inkomen ook voor de betreffende regelingen.

Men krijgt geen huurtoeslag als het vermogen boven het heffingvrije vermogen ligt, zelfs niet als dit vrijgesteld is voor de inkomstenbelasting.

Bij een vermogenstoets gaat het vaak om de "grondslag sparen en beleggen, bedoeld in artikel 5.2, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001", maar soms wordt verwezen naar de rendementsgrondslag en het heffingvrije vermogen. Soms wordt de vrijstelling groene beleggingen niet in aanmerking genomen. Soms wordt verwezen naar het voordeel uit sparen en beleggen.

Voor de bepaling van een eigen bijdrage wordt het betreffende vermogen soms gelijkgesteld met een extra inkomen van 8% van dit vermogen, boven op het forfaitaire rendement, zodat in totaal wordt gerekend met een inkomen gelijk aan dat in box 1 en 2 plus 12% van het betreffende vermogen.

Proefprocessen[bewerken]

Tegen de vermogensrendementsheffing zijn diverse processen gevoerd. Op basis van de uitspraak van minister Gerrit Zalm,[11]

Aanhalingsteken openen

Elke sukkel haalt meer dan 4% rendement. Wie dat niet lukt kan bij mij staatsobligaties krijgen, met een procent of 6 rendement.

Aanhalingsteken sluiten

startte accountants- en adviesorganisatie Grant Thornton in maart 2014 in samenwerking met de Bond voor Belastingbetalers een proefproces om de rechtmatigheid van de vermogensrendementsheffing te laten beoordelen aan de hand van de casus van een individuele belastingbetaler.[12]

In februari 2016 oordeelde advocaat-generaal Niessen in een advies aan de Hoge Raad der Nederlanden dat deze belasting in strijd is met het recht van eigendom zoals vastgelegd in artikel 1 van het eerste protocol van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM).[13][14]

  • Hij wijst er op dat de moderne belastingwetgeving is gebaseerd op individuele draagkracht en een heffing die uitgaat van een fictief gemiddelde is daarmee in tegenspraak.[13] Belastingplichtigen zijn vrij om hun financiën zelf in te richten en zouden zij daarom niet moeten worden belast op basis van een opbrengst die zij volgens de wetgever hadden kunnen halen. (grief 1 : Fictief tegen individueel)
  • Wanneer dit vaste percentage belasting niet kan worden betaald uit de opbrengst van het vermogen is er sprake van een oneigenlijke ontneming.[13] (grief 2 : Oneigenlijke ontneming)
  • Tot slot is de zekerheid van een rendement van 4% na de Aanslagen op 11 september 2001 en de kredietcrisis ondermijnd. De advocaat-generaal adviseert de wetgever een termijn te geven voor aanpassing of vervanging van de regeling.[13] Zolang dat niet is gebeurd, kan de rechter beslissen dat de regeling buiten toepassing moet blijven in gevallen waarin een belastingplichtige verlies lijdt op zijn vermogen.[13] Uitdrukkelijk verwijst hij naar de unaniem aangenomen motie van Arnold Merkies om het werkelijk behaalde rendement op vermogen te belasten.[15] (grief 3 : Steeds lagere rendementen in het verschiet sinds 2001)

De aangespannen zaak van de belanghebbende dient te worden verwezen volgens de conclusie van de advocaat-generaal:

"De conclusie strekt ertoe dat het beroep in cassatie van belanghebbende gegrond dient te worden verklaard en dat het geding ter verdere behandeling en beslissing van de zaak wordt verwezen."[bron?]

Anno 2017 lopen nog steeds diverse processen, waarin de aanspanners het forfaitair rendement over individuele jaren als onrechtmatig aanmerken. De rechtbank te Breda oordeelde in januari van dat jaar dat de heffing over 2013 en 2014 niet ongegrond was, aangezien het forfaitair rendement niet als onhaalbaar moet worden beschouwd.[16]. De Hoge Raad acht het forfaitair rendement echter niet haalbaar voor de jaren 2013 en 2014[17]

Commissie Van Dijkhuizen[bewerken]

De Commissie Van Dijkhuizen heeft eerder voorgesteld de toenmalige 4% te vervangen door de gemiddelde spaarrente in de laatste 5 jaar.

Geschiedenis[bewerken]

Box 3 vervangt de vroegere vermogensbelasting (2000: 0,7% met een vrijstelling van ƒ 200.000 (€ 90.756)) en de inkomstenbelasting over de werkelijke inkomsten uit vermogen in de vorm van onder andere rente, dividend en huur. Er was een rentevrijstelling (sinds 1978, toen ƒ 200) en een dividendvrijstelling (2000: elk ƒ 1000 (€ 454)). Er gold een schijventarief voor het totaal van alle inkomsten (dus bij bijvoorbeeld een hoog loon moest ook veel belasting over de rente betaald worden). Sinds 1987 was er een informatieplicht voor banken inzake aan klanten uitgekeerde rente (renterenseignering).

Waardeaangroei van aandelen was echter niet belast. Dit leidde tot beleggingsfondsen op basis van liquiditeiten en obligaties waarbij de rente niet als dividend werd uitgekeerd, maar de koers deed stijgen: groeifondsen.[18] Deze moesten wel 35% vennootschapsbelasting over de winst betalen, maar dat was vaak minder dan het marginale inkomstenbelastingtarief van de aandeelhouders. Deze fondsen zijn sinds 2001 niet interessant meer (zelfs niet na omzetting in een variant die geen vennootschapsbelasting verschuldigd is) en daarom rond die tijd veelal omgezet in gewone obligatiefondsen, die dividend uitkeren, en ook geen vennootschapsbelasting verschuldigd zijn. Ook waren aandelen populair die onbelast stockdividend uitkeerden.

Aftrekbaarheid van betaalde rente is in de loop van de tijd steeds meer beperkt. Zoals blijkt uit het bovenstaande is deze er nu slechts in die zin dat schulden, op € 2800 na, van de bezittingen worden afgetrokken voor de bepaling van de vermogensrendementsheffing. Dit geeft alleen een belastingvoordeel voor zover de bezittingen groter zijn dan het heffingsvrije vermogen. De zaak ligt anders voor hypotheekrenteaftrek voor de eigen woning, deze valt in box 1, er hoeft dus geen vermogen tegenover te staan en de rente kan al worden afgetrokken als er überhaupt andere inkomstenbestanddelen zijn.

Het forfaitaire rendement bedroeg van 2001 tot en met 2016 4%. De vermogensrendementsheffing kwam hiermee uit op 1,2%.

De vermogensbestanddelen werden van 2001 tot en met 2010 gewaardeerd per 1 januari en 31 december, van deze waarden werd het gemiddelde genomen.

Tot en met 2012 was er behalve voor groene beleggingen ook een vrijstelling voor sociaal-ethische beleggingen (fondsen die beleggen in microkredieten of ontwikkelingsprojecten), culturele beleggingen en beleggingen in durfkapitaal. Naar aanleiding van het in 2012 gesloten Begrotingsakkoord is de Wet uitwerking fiscale maatregelen Begrotingsakkoord 2013 (UFM) aangenomen waarbij de vrijstellingen voor deze drie soorten beleggingen (sociaal-ethische fondsen, culturele beleggingen en durfkapitaal) per 1-1-2013 werden afgeschaft, evenals de heffingskortingen voor deze beleggingen. De vrijstelling voor groen beleggen is gehandhaafd; bovendien ging een eerder geplande afschaffing van de heffingskorting voor groen beleggen niet door: deze heffingskorting is gehandhaafd op het niveau van 2012 (0,7%).

Per 2016 is de ouderentoeslag afgeschaft.[19]

Toekomst[bewerken]

Er wordt gewerkt aan een nieuw systeem met minder ficties.[20]

Er worden drie varianten overwogen:

Variant A is in de basis een vermogensaanwasbelasting op alle vermogensbestanddelen waar de Belastingdienst voldoende over weet, en een forfaitaire heffing voor de overige vermogensbestanddelen. Belastbaar zijn:

  • Bank-, spaartegoeden en overige vorderingen: de werkelijke rente
  • Aandelen, obligaties en derivaten: de werkelijke vermogensaanwas, dus de koerswinst, de rente en de dividenden van dat jaar
  • Onroerende zaken en overig vermogen: een forfaitair inkomen

Variant B is een vermogenswinstbelasting op alle vermogensbestanddelen waar de Belastingdienst voldoende over weet, en een forfaitaire heffing voor de overige vermogensbestanddelen. Belastbaar zijn:

  • Bank-, spaartegoeden en overige vorderingen: de werkelijke rente
  • Aandelen, obligaties en derivaten: de werkelijke rente en dividenden; verder vermogenswinst bij realisatie, bijvoorbeeld door verkoop
  • Onroerende zaken en overig vermogen: een forfaitair inkomen

In beide varianten wordt voor bank- en spaartegoeden en effecten het werkelijke, individueel behaalde rendement belast.

In variant C wordt het rendement voor elke vermogenstitel over een belastingjaar achteraf forfaitair vastgesteld. Het vermogen van de belastingbetaler aan het begin van het jaar wordt toegerekend aan de bestanddelen spaargeld, aandelen, obligaties, onroerend goed en overig. Op de waarde van ieder van die bestanddelen wordt na afloop van het jaar bij de individuele belastingbetaler forfaitair het gemiddelde (macro) rendement van ieder van die bestanddelen toegepast. Door het gemiddelde rendement na afloop van het jaar te nemen, wordt ontwijking op de peildatum – door te schuiven in de vermogensmix – minder voorspelbaar en dus minder aantrekkelijk.

In alle varianten is er voor de inkomsten uit vermogen een heffingvrije voet.

In 2019 wordt vóór Prinsjesdag een versneld deelonderzoek uitgevoerd naar opties om specifiek belastingplichtigen met vooral of uitsluitend spaargeld tegemoet te komen. In dit deelonderzoek komt onder meer de conceptuele variant ‘Belasten werkelijk spaarrendement’ aan de orde: een stelsel waarin inkomen uit sparen (rente) tegen werkelijk rendement en het inkomen uit beleggen forfaitair wordt belast.[21]

Plannen september 2019 voor een gewijzigde regeling vanaf 2022[bewerken]

Op 6 september 2019 heeft de regering de plannen, die overigens nog verder worden uitgewerkt, bekendgemaakt.[6][22] Op basis van de fictieve rendementen die voor de belastingheffing in 2020 worden gehanteerd, zou vanaf 2022 ongeveer het volgende gelden.[23] Er is een drempel van € 30.846 voor het totale vermogen: alleen als het totale vermogen hoger is, is er eventueel belasting in box 3 verschuldigd, en dan over het gehele vermogen. Er wordt dan bij de berekening uitgegaan van de werkelijke bedragen van:

  • banktegoeden: betaalrekeningen, spaarrekeningen en termijndeposito’s
  • overige bezittingen, dit zijn onder meer aandelen, obligaties, een tweede huis en ander onroerend goed dat niet de eigen woning is, contant geld, cryptogeld, kostbaarheden, en tegoeden bij personen en bij andere instellingen dan banken
  • schulden

Het forfaitair rendement op banktegoeden (forfaitaire creditrente) is 0,09% en op overige bezittingen 5,33%. Hier gaat 3,03% vanaf voor forfaitaire rente op de schulden (forfaitaire debetrente). Hier gaat verder een heffingvrij inkomen in box 3 van € 400 vanaf, maar het inkomen in box 3 wordt niet kleiner dan nul. Het tarief wordt 33%. Bij bijvoorbeeld alleen banktegoeden is daarmee een bedrag tot € 444.444 onbelast[24], en bedraagt de belasting over het meerdere 0,0297%. Daarentegen is er bij met geleend geld aangeschafte overige bezittingen, bijvoorbeeld een tweede huis met hypotheek, geen saldering van bezit en schuld, maar een heffing van 1,7589% over het bezit, verminderd met 0,9999% van de schuld, of anders uitgedrukt, 1,7589% over de overwaarde plus 0,759% over het deel van het bezit waar de schuld tegenover staat (of korter gezegd, plus 0,759% over het bedrag van de schuld).

De peildatum blijft 1 januari, maar peildatumarbitrage binnen box 3 wordt ontmoedigd. Dit is het tijdelijk rond de peildatum aanhouden van vermogen bij een bank. De wijze waarop dit wordt tegengegaan wordt nog uitgewerkt, bijvoorbeeld door op het betreffende bedrag zowel het forfaitaire rendement op banktegoeden als dat op overige bezittingen te belasten.

In het plan geldt voor obligaties, ondanks het lage werkelijke rendement, hetzelfde hogere fictieve rendement als voor andere beleggingen. Het kan dus voordeliger zijn voor houders van obligaties die te verkopen en de opbrengst als banktegoed aan te houden. De regering houdt al rekening met dit gedragseffect.

Verder wordt geld uitlenen aan bijvoorbeeld een familielid in zoverre onvoordelig dat ook hier het tegoed belast wordt tegen het hogere tarief van overige bezittingen.

De vervanging van het heffingvrije vermogen van € 30.846 door een heffingvrij inkomen van € 400 is, bij een vermogen dat de drempel van € 30.846 overschrijdt, voordelig bij een heffingspercentage onder de 1,3%, en anders onvoordelig. Deze is dus alleen voordelig bij banktegoeden, en alleen als de rente laag blijft. In andere gevallen maakt de belasting vanaf nul ook ineens een sprong omhoog bij overschrijding van de drempel.

Doordat contant geld tegen het hoge tarief wordt belast, is het ook bij een negatieve rente nog niet gauw voordelig om banktegoeden om te zetten in (legaal) contant geld, zelfs niet als de forfaitaire creditrente dan niet minder dan nul wordt.

Het ingaan in 2022 is gebaseerd op nadere uitwerking van de plannen tot aan het indienen van het wetsvoorstel in het voorjaar van 2020, het aannemen later in 2020, en dan nog een jaar voor de Belastingdienst om de voorbereidingen te treffen, en voor de belastingplichtigen om van tevoren rekening te kunnen houden met de wijzigingen en eventueel nog met vermogen te schuiven tussen categorieën.[25]

Sparen in box 2 als alternatief[bewerken]

Een alternatief voor sparen in box 3 is het onderbrengen van het spaargeld in een bv, bijvoorbeeld een speciale eigen spaargeld-bv. De winst is dan het werkelijke rendement op het spaargeld, verminderd met de kosten van de bv. Bij een winst tot € 200.000 is de vennootschapsbelasting 20%, en is het dividend in box 2 belast tegen een tarief van 25%, dit is (als de kosten even buiten beschouwing worden gelaten en de nettowinst geheel als dividend wordt uitgekeerd) bij elkaar 40% van het werkelijke rendement op het spaargeld. Als het rendement bijvoorbeeld 1% is, is de belasting 0,4% van het vermogen. Als geen dividend wordt uitgekeerd wordt de betaling van de helft hiervan uitgesteld.

Dit alternatief kan minder lonend zijn indien en wanneer de bovengenoemde plannen voor box 3 doorgaan. Vooral voor de peildata 1 januari 2020 en 1 januari 2021 kan het nog van belang zijn.

Zie ook[bewerken]