Box 3

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

In de Nederlandse Wet inkomstenbelasting 2001 is belastbaar inkomen uit sparen en beleggen een categorie inkomsten. Deze vormt box 3 in het boxenstelsel van de wet.[1] Deze inkomsten bestaan uit forfaitaire (fictieve) rendementen op twee categorieën bezittingen, verminderd met een fictieve rente op schulden. Hierover wordt belasting geheven: de vermogensrendementsheffing. Deze vervangt een regeling vanaf 2017 op basis van een forfaitaire samenstelling van het vermogen, die een regeling vanaf 2001 op basis van een vast fictief rendement van 4% verving, die op haar beurt het oudere stelsel van inkomstenbelasting over werkelijke inkomsten en aanvullend een vermogensbelasting verving.

Het forfaitaire rendement was van 2001 tot en met 2016 een vast percentage: 4%. De vermogensrendementsheffing kwam hiermee uit op 1,2%. Vanaf 2017 werd het fictieve rendement berekend op basis van een fictieve indeling van het vermogen in spaargeld en beleggingen, afhankelijk van de hoogte van het vermogen, en een heffing over de fictieve beleggingen ongeacht het soort, gebaseerd op het historisch gemiddeld behaalde rendement op de gemiddelde mix van beleggingssoorten.

Wegens een arrest van de Hoge Raad, het zogenoemde Kerstarrest, is box 3 in 2022 met terugwerkende kracht tot meestal 2021, soms eerder, vervangen door een regeling op basis van de werkelijke vermogensmix. De Wet rechtsherstel box 3[2] regelt voor belastingjaren tot en met 2022 de terugwerkende kracht, met per belastingjaar het laagste van de heffing volgens de oude regeling en die volgens de nieuwe regeling. Vanaf belastingjaar 2023 geldt een beperkt gewijzigde versie van de nieuwe regeling, de Overbruggingswet box 3.[3]

Waar gesproken wordt over rendementen en waardeontwikkelingen worden die in euro's bedoeld, dus niet gecorrigeerd voor inflatie.

Uitsluiting van vermogen in box 1 en 2[bewerken | brontekst bewerken]

Het gaat in box 3 om vermogen dat geen bron is van inkomen in box 1:

of box 2:

Vermogensbestanddelen[bewerken | brontekst bewerken]

De rendementsgrondslag is de waarde van de banktegoeden, plus die van overige bezittingen, verminderd met het bedrag van het aftrekbare deel van de schulden. Voor elk van deze vermogenscategorieën is er een forfaitair rendementspercentage, dat voor de banktegoeden en de schulden verschillend is in de oude en de nieuwe regeling.

In de Wet rechtsherstel box 3 worden de subcategorieën van vermogen als volgt ingedeeld in drie hoofdcategorieën:

  • vermogenscategorie banktegoeden (in de aangifte genoemd 'Bank- en spaarrekeningen'); omvat ook die in vreemde valuta; het betreft betaalrekeningen, spaarrekeningen, spaardeposito's en de spaardelen van beleggingsrekeningen (deposito’s als bedoeld in artikel 1:1 Wft en daarmee naar aard en strekking overeenkomende buitenlandse deposito’s), met uitzondering van vrijgestelde banktegoeden die vallen onder het begrip groene beleggingen
  • vermogenscategorie 'overige bezittingen'[4]
    • beleggingen zoals aandelen, obligaties, opties, winstbewijzen (rechten op een aandeel in de winst van een bedrijf, los van aandelenbezit), met uitzondering van vrijgestelde beleggingen die vallen onder het begrip groene beleggingen
    • onroerende zaken (in de aangifte genoemd 'Woningen en andere onroerende zaken'), met uitzondering van het hoofdverblijf van de belastingplichtige
    • niet-vrijgestelde deel van kapitaalverzekeringen[5]
    • rechten op periodieke uitkeringen
    • nettolijfrente en nettopensioen die niet zijn vrijgesteld
    • overige bezittingen (deze aangiftecategorie moet niet verward worden met de omvangrijker vermogenscategorie met dezelfde naam), onder meer:
    • Vorderingen; deze laatste omvatten tegoeden bij niet-banken (personen en andere instellingen dan banken), bijvoorbeeld uitgeleend geld, geld dat men tegoed heeft van een instelling of bedrijf, een vaststaande erfenis van een overleden persoon die men nog niet ontvangen heeft, of een door een ander verstrekte schenking_op_papier;[6][7] een daadwerkelijk of latent recht op teruggave van een belasting waarop de AWR van toepassing is, is niet belast
  • vermogenscategorie schulden (in de aangifte genoemd 'Hypotheken en andere schulden'), alleen het deel boven de drempel

Contant geld (alleen het deel boven de vrijstelling) wordt bij het rechtsherstel (nieuwe berekening) ingedeeld in de vermogenscategorie 'overige bezittingen', maar in de Overbruggingswet box 3[3] in de vermogenscategorie banktegoeden, ook als het in buitenlandse valuta wordt aangehouden, zodat een koersresultaat kan worden behaald. Voor het totale bedrag van contant geld, elektronisch geld in de vorm van een chipkaart, en vermogensrechten die zijn bestemd voor het doen van consumentenaankopen zoals cadeaubonnen, is er een vrijstelling (2021: € 552; 2022: € 560; 2023: € 596). In het in 2026 in te voeren systeem is de vrijstelling voor contant geld niet meer nodig voor zover deze vrijstelling contant geld in euro’s betreft omdat in dat geval geen sprake is van rendement.[8]

De nieuwe regeling is zodanig dat elke aangiftecategorie in zijn geheel in één vermogenscategorie wordt ingedeeld; er waren in de aangifte over 2021 bijvoorbeeld geen aparte gegevens opgevraagd voor aandelen en obligaties, en voor de aangiftecategorie 'overige bezittingen' hoefde slechts één totaalbedrag te worden ingevuld. Er werd zo voorkomen dat er over 2021 opnieuw aangifte moest worden gedaan, behalve als fiscale partners de verdeling tussen hen wilden wijzigen. Voor 2022 en later geldt dit argument niet omdat daarover nog geen aangifte is gedaan. Toch wordt dit gehandhaafd voor belastingjaar 2022 en de overbruggingsperiode, met als argument dat het lastig is de bestaande renseigneringsstromen daarvoor aan te passen. Dit gebeurt pas voor het uiteindelijke stelsel.

Als zodanig erkende "groene beleggingen" zijn tot een bepaald bedrag (2021: € 60.429; 2022: € 61.215; 2023: € 65.072) vrijgesteld (daarnaast is er een speciale heffingskorting voor vrijgestelde "groene beleggingen" van 0,7%). "Groene beleggingen" kunnen ook groene banktegoeden zijn, maar bij overschrijding van het maximumbedrag wordt deze overschrijding bij het rechtsherstel (nieuwe berekening) ingedeeld bij overige bezittingen. Via een verzoek tot ambtshalve vermindering waarin een belanghebbende aannemelijk maakt waaruit zijn "groene beleggingen" bestaan en hoe de vrijstelling moet worden verdeeld over beleggingen en banktegoeden kan dit in voorkomende gevallen worden gecorrigeerd.[9] Vanaf belastingjaar 2023 worden "groene bezittingen" (nog steeds "groene beleggingen" genoemd) ingedeeld in groene banktegoeden[10] en groene overige bezittingen.[11] Voor de beoordeling van de aantrekkelijkheid van groene banktegoeden ten opzichte van gewone banktegoeden is het lastig dat pas na het belastingjaar, dus meer dan een jaar na de peildatum, het forfaitaire rendementspercentage voor banktegoeden vastgesteld wordt. Voor wie groene bezittingen heeft met een grotere waarde dan is vrijgesteld, geldt de vrijstelling zoveel mogelijk voor de groene overige bezittingen, en alleen voor het eventuele resterende vrijstellingsbedrag voor de groene banktegoeden (dit is naar verwachting gunstig voor de belastingplichtige). In het aangifteprogramma Verzoek of wijziging Voorlopige aanslag 2023 is het op 11 januari 2023 nog niet mogelijk groene banktegoeden als zodanig aan te geven: bezittingen in de vermogenssubcategorieën banktegoeden en beleggingen kunnen slechts uitgesplitst worden in banktegoeden, "groene beleggingen" en resterende beleggingen, in plaats van in groene banktegoeden, resterende banktegoeden, groene "overige bezittingen" in de vorm van beleggingen, en resterende beleggingen. Als het bedrag van de groene overige bezittingen kleiner is dan de vrijstelling, maar het totale bedrag van groene bezittingen groter, dan wordt een correct resultaat verkregen door de groene banktegoeden voor zover ze samen met de groene overige bezittingen binnen de vrijstelling vallen, als "groene belegging" op te geven, en voor de rest als banktegoed.

Vrijgesteld is de waarde van overlijdensrisicoverzekeringen met een waarde van minder dan een bepaald bedrag (2021: € 7348, 2022: € 7444, 2023: € 7913).[5] Deze zijn vaak bedoeld als uitvaartverzekering, eventueel in natura.[12] In totaal mag de waarde niet meer zijn dan het genoemde bedrag. Als de waarde wel meer is wordt niets vrijgesteld, maar overlijdensrisicoverzekeringen met een waarde van het genoemde bedrag of meer vallen hier helemaal buiten. Roerende zaken (zoals auto's en vaartuigen) voor eigen gebruik[13] en kunstvoorwerpen worden in het algemeen niet tot het vermogen gerekend. Voor het tegoed op de levensloopregeling geldt een algehele vrijstelling tijdens de gehele looptijd.

Volgens de regering valt bij het rechtsherstel het aandeel van een appartementseigenaar in het vermogen van de VvE, indien belast in box 3, onder 'overige bezittingen', maar volgens het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden onder banktegoeden.[14]

De categorie schulden in de aangifte omvat bijvoorbeeld ook hypotheekschulden waarvan de rente niet aftrekbaar is in box 1, een aan een ander verstrekte schenking op papier, een betaalrekening met een negatief saldo en een nog niet verrekende betaling met een credit card. Belastingschulden (behalve voor erfbelasting) tellen niet mee en de waarde van de overige schulden komt alleen in aanmerking voor zover deze in totaal meer bedraagt dan de doelmatigheidsdrempel voor kleine schulden (2021 en 2022: € 3200; 2023: € 3400).[15] Wie (als het fictieve rendement op banktegoeden in het volgende jaar naar verwachting niet verwaarloosbaar is) wil voorkomen dat er op de peildatum een niet aftrekbare latente inkomstenbelastingschuld is, kan zo nodig tijdig[16] een (eerste of gewijzigde) voorlopige aanslag aanvragen over het lopende jaar (omzetting van een materiële belastingschuld in een formele belastingschuld, die vervolgens betaald kan worden).

Vanaf het overlijden van een erflater gelden als bezittingen van de erfgenaam het betreffende aandeel in de nalatenschap, ook al is die nog niet verdeeld, en als bezittingen van de legataris de waarde van het legaat (als het nog niet is ontvangen is het een vordering). Nog niet betaalde erfbelasting is zoals gezegd aftrekbaar.

De verplichting van ouders om hun kinderen te onderhouden geldt voor de ouders niet als schuld en voor de kinderen niet als bezitting.

De peildatum is behoudens de regeling tegen peildatumarbitrage (zie onder) 1 januari van het betreffende belastingjaar. Bij de gebruikelijke aangifte een jaar later moet dus niet het vermogen op de meest recente 1 januari worden opgegeven, maar het vermogen op 1 januari een jaar eerder. (Ook mag als peildatum één dag eerder worden gekozen, 31 december.) Hierdoor zal het minder vaak voorkomen dat de gegevens nog niet binnen of nog niet vergaard zijn, en dat men uitstel moet aanvragen.[17] Recentere gegevens (nl. over de loop van het belastingjaar) die wel opgegeven moeten worden zijn de bedragen van de ingehouden dividendbelasting, omdat deze vaak voorheffingen zijn die op de te betalen belasting in mindering worden gebracht.

Rendement[bewerken | brontekst bewerken]

Per categorie is het fictieve rendement het rendementspercentage toegepast op de waarde. Het totale fictieve rendement is dat van de banktegoeden, plus dat van de overige bezittingen, min het fictieve 'rendement' van de schulden.[18]

Heffingvrij vermogen[bewerken | brontekst bewerken]

Er is een heffingvrij vermogen, soms heffingsvrij vermogen genoemd (2021: € 50.000; 2022: € 50.650; 2023: € 57.000[19]). De grondslag sparen en beleggen (in de voorlopige aanslag 2023 aangeverdeel grondslag sparen en beleggen genoemd) is de rendementsgrondslag voor zover die meer bedraagt dan het heffingvrije vermogen.[20]

Het totale fictieve rendement wordt gereduceerd door vermenigvuldiging met de grondslag sparen en beleggen, gedeeld door de rendementsgrondslag. Het resultaat is het voordeel uit sparen en beleggen, iets korter ook voordeel sparen en beleggen genoemd. Een negatieve uitkomst wordt op nul gesteld.

Deze berekening wordt in het gedeelte Overzicht belasting en premies (methode B) van de nieuwe versie van het aangifteprogramma voor het belastingjaar 2021 opgesplitst in de volgende stappen. De grondslag rendementsberekening is het fictieve rendement van de bezittingen, verminderd met het fictieve "rendement" van de schulden; een negatieve uitkomst wordt op nul gesteld. Het rendementspercentage is de grondslag rendementsberekening gedeeld door de rendementsgrondslag (als er geen schulden zijn is dit het gewogen gemiddelde van de rendementspercentages van de twee hoofdcategorieën van vermogen);[21] €0/€0 wordt gesteld op nul. Het rendementspercentage wordt naar beneden afgerond op een geheel aantal basispunten. Het resultaat wordt toegepast op de grondslag sparen en beleggen.[22] In het aangifteprogramma Verzoek of wijziging Voorlopige aanslag 2023 wordt als tussenstap niet het rendementspercentage, maar "Uw aandeel" berekend, dit is het gedeelte van het vermogen dat niet heffingvrij is (in de voorlopige aanslag 2023 wordt het verhouding aangeverdeel versus rendementsgrondslag genoemd). Dit geeft een percentage met twee cijfers achter de komma dat toegepast wordt op het bedrag van het totale fictieve rendement.[23] Het afrondingsvoordeel is hierbij gemiddeld kleiner dan bij de andere methode.

Dit systeem wordt aangeduid als het naar rato toerekenen van het heffingvrije vermogen aan hoofdcategorieën van vermogen.[24] Als er schulden zijn dan is er echter niet een factor 1 die wordt verdeeld over kleinere positieve fracties, maar bijvoorbeeld over een factor 100 en een factor -99. Als er bijvoorbeeld (in 2021) geen banktegoeden zijn, maar wel €10.000.000 aan overige bezittingen, en €9.900.000 aan schulden (boven de drempel van €3200), dan komt het genoemde systeem er op neer dat het heffingvrije vermogen van €50.000 'verdeeld' wordt over een vrijstelling van €5.000.000 voor de overige bezittingen, en een bedrag van € 4.950.000 dat van de schulden wordt afgetrokken (het heffingvrije vermogen en de grondslag sparen en beleggen zijn in dit geval elk de helft van de rendementsgrondslag, daardoor wordt per saldo slechts de helft van de bezittingen en schulden in aanmerking genomen).

Ook in dit nieuwe systeem geldt dat als de grondslag sparen en beleggen nul is, het voordeel sparen en beleggen nul is. Bij de nieuwe regeling wordt het voordeel sparen en beleggen bij grote bedragen aan overige bezittingen en schuld zoals in het voorbeeld, wel snel groot als de grondslag sparen en beleggen positief wordt. In het voorbeeld is de grondslag rendementsberekening (met in 2021 rendementen van 5,69% en 2,46%) €325.460 en de rendementsgrondslag €100.000, dus de rendementsfactor is 325,46%; toegepast op de grondslag sparen en beleggen (€50.000) geeft dit een voordeel sparen en beleggen van €162.730, ook te berekenen als 5,69% van €5.000.000 min 2,46% van € 4.950.000, is €284,500 - €121.770 = €162.730 (het heffingvrije inkomen is ook €162.730). Vergeleken met de situatie met dezelfde overige bezittingen, maar een schuld die €50.000 hoger is, waardoor het vermogen €50.000 lager is en daardoor geen belasting verschuldigd is (het heffingvrije inkomen is €325.460, het hele inkomen), is de belasting van 31% van €162.730, is €50.446, meer dan 100% van het extra vermogen. Vergeleken met een nog wat lagere schuld is nog steeds voordelig dat de onvoordelige marge van 3,23% tussen 5,69% en 2,46% maar voor ongeveer de helft van de met geleend geld betaalde overige bezittingen doorwerkt, dankzij het heffingvrije vermogen, ook al is dat bedrag in dit geval in verhouding tot de grote bedragen aan bezittingen en schuld gering. Als bij grote bedragen aan overige bezittingen en schuld zoals in het voorbeeld de grondslag sparen en beleggen positief wordt door een relatief kleine toename van de overige bezittingen terwijl de schuld gelijk blijft, heeft dit ongeveer hetzelfde effect op de verschuldigde belasting als het besproken geval van een relatief kleine verlaging van de schuld terwijl de waarde van de overige bezittingen gelijk blijft.[25][26] Meer algemeen geldt bij beleggen met geleend geld dat het hoogste marginale totale fictieve rendement als functie van het vermogen gelijk is aan de marge tussen de rendementspercentages voor overige bezittingen en schuld, gedeeld door het heffingvrije vermogen (in het voorbeeld ongeveer 3% per €50.000), vermenigvuldigd met de waarde van de overige bezittingen (in het voorbeeld ongeveer €10.000.000, dit geeft 600%). Het hoogste marginale belastingtarief ten opzichte van het vermogen is ongeveer een derde daarvan (in het voorbeeld 200%). Het treedt op bij toename van het vermogen vanaf het heffingvrije vermogen. Nog een manier om een en ander te beschouwen is, zoals hierboven in twee gevallen is gedaan, het uitdrukken van het vaste heffingvrije vermogen in een variabel heffingvrij inkomen: dit is afhankelijk van de drie vermogensbestanddelen, en kan zeer groot zijn (tot aan het hele rendement, ook als dat groot is; gunstig voor de belastingplichtige), maar ook sterk veranderen bij een verandering van die parameters (ook in ongunstige zin, wat kan overkomen als onredelijk).

De Wet van 16 december 2020 tot wijziging van enkele wetten houdende aanpassing van de belastingheffing over sparen en beleggen in de inkomstenbelasting (Wet aanpassing box 3)[27][28][29][30][31] heeft het heffingvrije vermogen per 2021 verhoogd tot € 50.000, waarbij de tabelcorrectiefactor geacht wordt al toegepast te zijn. Aangifte van vermogen boven een bepaald lager bedrag (2021: € 31.340, 2022: € 31.747) blijft echter verplicht, omdat zo inzicht wordt verkregen in dit vermogen voor het geval de betrokkene nu of in de toekomst een beroep doet op een inkomensafhankelijke regeling. In verband hiermee is 'Artikel 9.4a. Beschikking bedrag rendementsgrondslag en beschikking bedrag groen beleggen' aan de Wet IB 2001 toegevoegd, en bevat de definitieve aanslag onder het kopje 'Vastgesteld vermogen voor inkomensafhankelijke regelingen' het bedrag van de rendementsgrondslag indien dit meer bedraagt dan € 31.747 (2021), en van de vrijstelling groene beleggingen.

Forfaitaire rendementspercentages[bewerken | brontekst bewerken]

Banktegoeden[bewerken | brontekst bewerken]

Er is een forfaitair rendementspercentage voor banktegoeden (2021: 0,061% oud, in combinatie met schulden 0,03%; 0,01% nieuw[32]; 2022: 0,021% oud, in combinatie met schulden -0,01%). Het oude is het gemiddelde rendement op deposito’s van huishoudens met een opzegtermijn van maximaal drie maanden, in de maanden juli (t-2) t/m juni (t-1). Het nieuwe is het gemiddelde van de maandelijkse percentages op jaarbasis in het kalenderjaar van de gemiddelde rente op deposito’s van huishoudens met een opzegtermijn van maximaal 3 maanden, zoals bijgehouden door De Nederlandsche Bank. Het wordt dus pas na afloop van het belastingjaar vastgesteld.

Overige bezittingen[bewerken | brontekst bewerken]

Het forfaitaire rendementspercentage voor overige bezittingen (2021: 5,69%[32]; 2022: 5,53%; 2023: 6,17%[33]) is het forfaitaire rendementspercentage voor rendementsklasse II voor het desbetreffende kalenderjaar zoals dat tot en met het belastingjaar 2022 al wettelijk geregeld is (artikel 5.2 Wet IB 2001). Het wordt jaarlijks voor jaar t als volgt berekend (herijkt). Het percentage wordt gesteld op de som van 53% van het langetermijnrendement op onroerende zaken, 33% van het langetermijnrendement op aandelen en 14% van het langetermijnrendement op obligaties (de kapitaalmarktrentevoet van de jongste Nederlandse 10-jarige staatsobligatie).[34] Steeds is een rendement de bijbehorende rendementsfactor verminderd met 1 (of uitgedrukt in een percentage: deze uitkomst maal 100%). Voor elke categorie wordt de voor belastingjaar t > 2016 gehanteerde langetermijnrendementsfactor berekend als de 15e-machtswortel uit het product van de 14e macht van de voor belastingjaar t-1 gehanteerde langetermijnrendementsfactor en de betreffende gerealiseerde rendementsfactor (de factor waarmee de waarde vermenigvuldigd is) voor het jaar t-2. Voor de toepassing hiervan voor t = 2017 wordt het langetermijnrendement op onroerende zaken, aandelen en obligaties van het kalenderjaar 2016 gesteld op respectievelijk 4,25%, 8,25% en 4%.

  • Voor onroerende zaken wordt uitgegaan van het CBS-prijsindexcijfer voor Bestaande Koopwoningen. Huur en kosten worden niet meegerekend, er wordt van uitgegaan dat die ttegen elkaar wegvallen.
  • Voor aandelen wordt uitgegaan van de MSCI-index (Europa, bruto, lokale valuta). De startwaarde voor het langetermijnrendement wordt berekend als het gemiddelde van 77 resultaten: het gemiddelde rendement per jaar met als startjaar een willekeurig jaar in de periode 1984-1994 en als eindjaar een willekeurig jaar in de periode 2008-2014.
  • Voor obligaties wordt uitgegaan van de kapitaalmarktrentevoet van de jongste Nederlandse 10-jarige staatsobligatie.

Er wordt bij deze berekeningen geen rekening gehouden met het feit dat aan het houden van aandelen en obligaties kosten zijn verbonden. Het forfaitaire rendement voor 2023 zou bijvoorbeeld 5,57% moeten zijn in plaats van 6,17%. Het lijkt waarschijnlijk dat adviseurs er niet onderuit komen om voor de jaren 2023, 2024 en 2025 standaard bezwaar te maken. Koepelorganisaties hebben alvast gevraagd om een massaal-bezwaaroplossing.[35]

Schulden[bewerken | brontekst bewerken]

Voor schulden in box 3 wordt uitgegaan van een forfaitair rentepercentage (2021: 0,161% oud, 2,46% nieuw[32]). Het oude is dat voor spaargeld plus 0,1 procentpunt. Per saldo is het forfaitaire rendement op spaargeld dat voor sparen, verminderd met 0,031 procentpunt. In de nieuwe regeling is het forfaitaire rendementspercentage het gemiddelde van de maandelijkse percentages op jaarbasis in het kalenderjaar van de gemiddelde rente op het totaal aan uitstaande hypotheken van huishoudens, zoals bijgehouden door De Nederlandsche Bank. Het wordt dus pas na afloop van het belastingjaar vastgesteld.

Oude regeling: forfaitaire vermogensmix[bewerken | brontekst bewerken]

Bij de oude regeling (methode A in de nieuwe versie van het aangifteprogramma) is het forfaitaire rendement slechts afhankelijk van het totale bedrag van de grondslag sparen en beleggen in box 3. Forfaitair wordt de grondslag sparen en beleggen ingedeeld in twee rendementsklassen: de grondslag behoort voor de eerste vermogensschijf (2021: de eerste € 50.000) voor 67% tot rendementsklasse I, voor de tweede vermogensschijf (2021: de volgende € 900.000) voor 21% en voor de rest (de derde vermogensschijf) niet. De rest van de grondslag sparen en beleggen behoort tot rendementsklasse II. Rendementsklasse II betreft verondersteld beleggen. Van rendementsklasse I betreft 131% verondersteld sparen en 31% veronderstelde schuld.

Berekening volgens oude en nieuwe regeling[bewerken | brontekst bewerken]

De forfaitaire vermogensmix die vanaf 2017 is toegepast is, zo heeft de Hoge Raad in het zogenoemde Kerstarrest van 24 december 2021 bepaald, in strijd met het eigendomsrecht en het discriminatieverbod (verdragenrecht). Daarop werden verdere definitieve aanslagen opgeschort. Vervolgens werd vanaf 1 juli 2022 op basis van het Besluit rechtsherstel box 3[36][37] rechtsherstel toegepast, dat vervolgens gecodificeerd is met de Wet van 21 december 2022 tot wijziging van het voordeel uit sparen en beleggen als bedoeld in artikel 5.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001 over de kalenderjaren 2017 tot met 2022 door het lager vaststellen van het voordeel in gevallen waarin dat nodig is om het voordeel in overeenstemming te brengen met de uitspraak van de Hoge Raad van 24 december 2021 (Wet rechtsherstel box 3).[2]

Met rechtsherstel wordt in dit verband correctie van definitieve aanslagen bedoeld, maar ook aanpassing van de normaal gesproken al definitieve regels en die vervolgens toepassen bij komende definitieve aanslagen.

Voor aanslagen over kalenderjaren van 2017 tot en met 2022 die op 24 december 2021 nog niet onherroepelijk vaststonden (waaronder voor elk van de jaren 2017 tot en met 2020 die van deelnemers aan de massaalbezwaarprocedure voor het betreffende jaar, en alle aanslagen over 2021 en 2022) worden twee berekeningen toegepast, en geldt die welke voor de belastingplichtige het gunstigst is.

De nieuwe methode (methode B) is zoals boven beschreven. De oude regeling (methode A) is soms voordeliger, bijvoorbeeld als de belastingplichtige uitsluitend belegde en geen schulden had, omdat de oude regeling er dan van uitging dat hij deels spaarde met een zeer klein rendement.

Overbruggingswet[bewerken | brontekst bewerken]

De Wet van 21 december 2022 tot wijziging van de Wet inkomstenbelasting 2001 om de berekening van het voordeel uit sparen en beleggen in overeenstemming te brengen met het arrest van de Hoge Raad van 24 december 2021 (Overbruggingswet box 3)[3] (eerder ook noodwet en spoedwet genoemd) trad op 1 januari 2023 in werking. De wet bevat geen einddatum, maar is vooralsnog bedoeld voor drie jaar, als overbrugging, tot een vermogensaanwasbelasting wordt ingevoerd. Volgens de planning is dat in 2026.

De wet is gebaseerd op de Wet rechtsherstel box 3, maar dan met de mogelijkheid dat de aanslag hoger is dan volgens het oude systeem van de forfaitaire vermogensmix. Een verschil is verder dat contant geld boven de daarvoor geldende vrijstelling niet meer wordt ingedeeld bij overige bezittingen, maar bij banktegoeden, en dat bij 'groene beleggingen' onderscheid wordt gemaakt tussen groen sparen en daadwerkelijk groen beleggen (dit onderscheid is van belang als het in totaal om een hoger bedrag gaat dan het vrijgestelde bedrag voor 'groene beleggingen'). De eigenaardigheid blijft gehandhaafd dat bij een groot bedrag aan schulden en een groot bedrag aan overige bezittingen, met per saldo een rendementsgrondslag rond het heffingvrije vermogen, iedere euro aan grondslag sparen en beleggen meerdere euro's aan belasting kan kosten (zie de paragraaf Heffingvrij vermogen). Onbedoeld wordt zo bevorderd dat in zo'n geval geen grotere buffer wordt aangehouden dan €57.000 (2023). De reden is het handhaven van de systematiek van het rechtsherstel, met een heffingvrij vermogen, en niet een heffingvrij inkomen.[25][26][38]

Het gelijke forfaitaire rendement van zeer uiteenlopende 'overige bezittingen' blijft.

Het wetsvoorstel voorziet niet in een tegenbewijsregeling (die de belastingplichtige het recht zou geven aan te tonen minder rendement te hebben gehad dan volgens de forfaitaire rendementen). Dit zou de facto de introductie zijn van een stelsel op basis van werkelijk rendement, maar daar is meer tijd voor nodig.

De overbruggingswetgeving geldt niet zoals eerder gepland twee jaar, maar (minstens) drie jaar, maar desondanks zijn verbeteringen van de meeste zwakke punten door het overbruggingskarakter niet mogelijk of niet lonend. Voor aanlevering van extra gegevens door banken en dergelijke is bijvoorbeeld een voorbereidingstijd van twee jaar nodig.[39]

De vraag was al of de wet twee jaar juridisch houdbaar zou zijn, laat staan langer, gezien de zwakke punten.[40]

Van Rij wijst erop dat als veel belastingplichtigen een rechtszaak beginnen als de regeling ongunstig uitpakt, bijvoorbeeld door het hoge forfaitaire rendement op overige bezittingen in 2022 en de grote verliezen op effecten in dat jaar, en er gemeenschappelijke rechtsvragen zijn, daarvoor weer massaal bezwaar kan worden aangewezen.[41]

Rendementen volgens nieuwe regeling[bewerken | brontekst bewerken]

Percentages box 3-inkomen (voor banktegoeden en schulden pas rond februari van het volgende jaar bekend[42][43]; voorlopige percentages voor voorlopige aanslagen staan tussen haakjes)[44]:

Soort vermogen      2017   2018   2019   2020   2021   2022   2023
Banktegoeden        0,25%  0,12%  0,08%  0,04%  0,01%        (0,36%)[23]
Overige bezittingen 5,39%  5,38%  5,59%  5,28%  5,69%  5,53%  6,17%[45]
Schulden            3,43%  3,20%  3,00%  2,74%  2,46%        (2,57%)[23]

Het online programma 'Verzoek of wijziging voorlopige aanslag 2022' is niet aangepast aan de Wet rechtsherstel box 3. Vanaf 1 maart 2023 is er de online aangifte over 2022. Dan zijn ook de fictieve rendementen voor banktegoeden en schulden voor 2022 bekend en erin verwerkt, en wordt net als over 2021 van de oude en nieuwe regeling de voor de belastingplichtige gunstigste toegepast.

Voor een belastingplichtige met 1.000.000 euro verdeeld over 90% spaargeld en 10% aan uitgeleend geld of contanten (deze worden even hoog belast als beleggingen), zal de nieuwe berekening in 2017 zijn: 0,9 x 1 miljoen x 0,25% plus 0,1 x 1 miljoen x 5,39% is 7.640 euro. Rendementspercentage wordt dan 7.640 / 1 miljoen x 100% is 0,76% (want afronding naar beneden). Gezien een heffingsvrij vermogen van 25.000 euro in 2017 is dan het rendementspercentage (1.000.000 - 25.000) x 0,76% = 0,7410%. Wat neerkomt op een voordeel uit sparen en beleggen van 7.410 euro.

Het systeem van een forfaitaire vermogensmix binnen de categorie overige bezittingen (in 2021 53% vastgoed, 33% aandelen en 14% obligaties, hoewel die gebruikt wordt voor de berekening van het forfaitaire rendement voor de hele categorie overige bezittingen) (in 2021 5,69%) blijft gehandhaafd tot een vermogensaanwasbelasting wordt ingevoerd, volgens de planning is dat in 2026.

Belastbaar inkomen uit sparen en beleggen[bewerken | brontekst bewerken]

Het belastbare inkomen uit sparen en beleggen is het "voordeel uit sparen en beleggen" verminderd met het daarvoor in aanmerking komende deel van de persoonsgebonden aftrek. Voor zover de persoonsgebonden aftrek het inkomen uit werk en woning van het kalenderjaar niet vermindert, vermindert de aftrek het belastbare inkomen uit sparen en beleggen van het jaar, maar niet verder dan tot nihil.

Heffing[bewerken | brontekst bewerken]

Artikel 2.13 IB[46] bepaalde tot en met 2020 dat de belasting op het belastbare inkomen uit sparen en beleggen 30% bedroeg. De Wet aanpassing box 3 (zie boven) heeft dit vanaf 2021 verhoogd tot 31%. De wet Belastingplan 2023 heeft dit verhoogd tot 32% in 2023, 33% in 2024 en 34% vanaf 2025[47][48][19]). Bij de nieuwe berekening is de belasting (afgezien van de reductie door de heffingvrije som) op banktegoeden 31% van het forfaitaire rendement van banktegoeden van 0,01% (2021), is 0,0031%, van de grondslag banktegoeden. De belasting op overige bezittingen komt in de nieuwe berekening voor 2021 uit op 31% van 5.69%, is 1,7639%, van de waarde. Dit geldt dus ook voor contant geld in euro's, hoewel dat geen rendement oplevert (vanaf 2023 is dit anders, dan wordt contant geld gelijkgesteld met een banktegoed).

Bij een schuld (alleen het deel boven de drempel) wordt 31% van de 2,46%, is 0,7626% van het bedrag van de schuld van de te betalen belasting afgetrokken. Anders gezegd, voor zover er een schuld in box 3 tegenover staat is bij de nieuwe berekening de belasting 1,0013% van de waarde van het niet vrijgestelde deel van de overige bezittingen (volgens de oude berekening nul).

Ouderenkorting wordt afgebouwd op basis van het verzamelinkomen, met een afbouwpercentage van 15%. Binnen het afbouwtraject is het effectieve belastingtarief op het (fictieve) belastbare inkomen uit sparen en beleggen dus 46% (2021), waardoor voor ouderen de genoemde percentages binnen het afbouwtraject effectief ongeveer anderhalf maal zo hoog zijn.

Indexatie[bewerken | brontekst bewerken]

Alle in de wet genoemde bedragen die te maken hebben met box 3 worden geïndexeerd met de tabelcorrectiefactor. Voor 2023 is deze 1,063, corresponderend met 6,3% inflatie.[49]

Belang voor andere regelingen[bewerken | brontekst bewerken]

Het inkomen in box 3 telt soms wel, soms niet mee bij inkomensafhankelijke bijdragen en toeslagen:

Wel bij:

Niet bij:

Indien wel, dan heeft vrijstelling van vermogensbestanddelen niet alleen voordeel voor de inkomstenbelasting, maar via vermindering van het in aanmerking genomen inkomen ook voor de betreffende regelingen.

Men krijgt geen huurtoeslag als het vermogen boven het heffingvrije vermogen ligt, zelfs niet als dit vrijgesteld is voor de inkomstenbelasting.

Bij een vermogenstoets gaat het vaak om de "grondslag sparen en beleggen, bedoeld in artikel 5.2, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001", maar soms wordt verwezen naar de rendementsgrondslag en het heffingvrije vermogen. Soms wordt de vrijstelling groene beleggingen niet in aanmerking genomen. Soms wordt verwezen naar het voordeel uit sparen en beleggen.

Voor de bepaling van een eigen bijdrage wordt het betreffende vermogen soms gelijkgesteld met een extra inkomen van 8% van dit vermogen, boven op het forfaitaire rendement, zodat in totaal wordt gerekend met een inkomen gelijk aan dat in box 1 en 2 plus 12% van het betreffende vermogen.

Kerstarrest[bewerken | brontekst bewerken]

De bezwaren tegen de berekening van de box 3-heffing 2017, 2018, 2019 of 2020 zijn aangewezen als massaal bezwaar.[50] Het gaat om bezwaarschriften tegen de definitieve aanslagen inkomstenbelasting die binnen zes weken na de betreffende aanslag zijn ingediend, en de volgende rechtsvraag bevatten:[51][52][53][54][55]

Is de vermogensrendementsheffing, uitgaande van de forfaitaire elementen van het stelsel, in onderlinge samenhang en met inachtneming van het heffingvrije vermogen en het belastingtarief van 30%, op regelniveau in strijd met:
1. artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM), zonder dat de schending van de “fair balance” op het niveau van de individuele belastingplichtige wordt beoordeeld; of
2. het discriminatieverbod van artikel 14 EVRM?

Voor 2020 is dit uitgebreid met de vraag of het voordeel uit sparen en beleggen voor zover gesteld op 5,28% van het gedeelte van de grondslag dat behoort tot rendementsklasse II op de juiste wijze is bepaald.

Met het oog op de beantwoording van bovenstaande rechtsvraag door de bestuursrechter in belastingzaken zijn voor de belastingjaren 2017 en 2018 zes zaken geselecteerd. Deze hebben geleid tot uitspraken van rechtbanken. Tegen één van deze uitspraken is sprongcassatie ingesteld.[56]

Op 1 november 2021 bracht de advocaat-generaal (AG) bij de Hoge Raad het advies uit om de bezwaren tegen de sinds 2017 gewijzigde heffing in box 3 massaal toe te wijzen.[57][58] De AG stelt dat bepalingen die in strijd zijn met het EVRM niet mogen worden toegepast (art. 94 Grondwet), en dat de forfaitaire vermogensmix daartoe behoort. De verdeling over de twee rendementsklassen sparen en beleggen zou moeten worden bepaald door de werkelijke vermogensmix van de individuele belastingplichtige. Het systeem van een forfaitair rendement per rendementsklasse zou niet gewijzigd hoeven te worden.

De Hoge Raad heeft op 24 december 2021 uitspraak gedaan (het zogenoemde Kerstarrest), en de betreffende rechtsvraag beantwoord:[59]

Naar de strekking van de Wet IB 2001 moeten buiten de heffing blijven de voordelen die de belastingplichtige niet heeft genoten, maar had kunnen behalen als hij zijn bezittingen daaraan dienstbaar had gemaakt en/of als hij meer geluk had gehad. (...) Voor het met ingang van 2017 geldende forfaitaire stelsel is geen toereikende rechtvaardiging aan te wijzen. Voor degene die, zoals belanghebbende in de onderhavige jaren, door dit forfaitaire stelsel wordt geconfronteerd met een heffing naar een voordeel uit sparen en beleggen dat hoger is dan het werkelijk behaalde rendement leidt dit tot een schending van zijn door artikel 1 EP, in samenhang met artikel 14 EVRM, gewaarborgde rechten.

Merk op dat (bij een gegeven procentueel tarief zoals 31%) deze uitspraak dat hoogstens over het werkelijke rendement belasting mag worden geheven veel verder gaat dan dat de belasting hoogstens gelijk mag zijn aan het werkelijke rendement (wat vooralsnog voor de jaren 2013 tot en met 2016 kort gezegd het criterium is). Wel kan het werkelijke rendement op het heffingvrije vermogen worden meegerekend.

In het individuele proefproces heeft de Hoge Raad bij wijze van rechtsherstel de aanslagen verminderd tot aanslagen berekend naar het lagere werkelijke inkomen uit sparen en beleggen. Daardoor moet de Belastingdienst de aanslagen 2017 en 2018 waartegen belastingbetalers op het onderwerp van de betreffende rechtsvraag bezwaar maakten, opnieuw beoordelen op basis van het werkelijke rendement (dus anders dan volgens het advies van de AG). Van het individuele geval werden de bedragen van het werkelijke inkomen uit sparen en beleggen niet betwist. Daarom heeft de Hoge Raad niet voorgeschreven hoe het werkelijke rendement berekend moet worden. Het gaat daarbij onder meer om de vraag of de fiscus gerealiseerde vermogenswinst (waardestijging gevolgd door verkoop) mag meerekenen, en zo ja, of dat ook mag voor ongerealiseerde vermogenswinst (alleen waardestijging, ook vermogensaanwas genoemd).

Reacties en maatregelen naar aanleiding van het Kerstarrest (algemeen)[bewerken | brontekst bewerken]

Dit arrest is volgens staatssecretaris Marnix van Rij bijzonder, ook om de reden dat er direct rechtsgevolg aan gegeven wordt. Het is meteen geldend recht geworden. Dat gebeurt volgens hem bijna nooit. Het is volgens hem misschien vier keer gebeurd, en daarbij ging het om minder grote zaken.[60][61][62]

Op 4 februari 2022, precies binnen de geldende termijn van 6 weken, heeft de Belastingdienst officieel uitspraak gedaan over de massaalbezwaarprocedures over de belastingjaren 2017 en 2018, en meteen ook over de jaren 2019 en 2020: alle ruim 200.000 bijbehorende bezwaarschriften zijn gegrond verklaard.[56][63] Dit betreft een bevestiging dat de regering het oordeel van de Hoge Raad respecteert, maar nog geen toekenning van concrete restitutiebedragen. Binnen zes maanden moest uitvoering gegeven worden aan de gegrondverklaring, dus uiterlijk 4 augustus 2022. Toen moest per bezwaarmaker vastgesteld zijn of daadwerkelijk een restitutie zou worden verleend, en zo ja hoeveel.[64][65] In 60% van de gevallen is de aanslag van de bezwaarmakers verminderd.

Dekking voor terugbetalingen en mogelijk lagere belasting bij nieuwe aanslagen moet zoveel mogelijk binnen box 3 gevonden worden. De mogelijkheden hiervoor zijn beperkt, want bij een lager heffingvrij vermogen of inkomen wordt het aantal aangiftes waarbij box 3 een rol speelt vergroot. Wel staan verhogingen van het tarief van 31% gepland, zie boven. Voor verdere dekking is een optie dat de belasting over beleggingsvermogen in box 2, zoals vastgoed, verhoogd wordt, al kan het soms lastig zijn dat van ondernemingsvermogen in box 2 te onderscheiden.[60][65][66][67][68][69][70]

Wegens de grote aantallen is een zoveel mogelijk geautomatiseerde procedure op basis van al beschikbare gegevens nagestreefd. Daarbij helpt dat vermogensgegevens op de peildata al uitgesplitst in spaar- en beleggingsvermogens beschikbaar zijn. Omdat er weinig rendementsgegevens zijn is de belasting over de belastingjaren tot en met 2025 hier niet van afhankelijk gemaakt.

Vergelijking met plan uit 2019[bewerken | brontekst bewerken]

De nieuwe regeling van het rechtsherstel en de overbruggingsregeling zijn ongeveer hetzelfde als een plan uit 2019 dat toen niet doorging.[71][72][73][74] Er wordt ook daar gewerkt met drie forfaitaire rendementspercentages, voor spaargeld, schulden en overige bezittingen. Voor het rendement op overige bezittingen blijft een meerjarig gemiddelde gehanteerd worden. Het verschil met de oude regeling (wet IB in 2022) is het genoemde uitgaan van de werkelijke samenstelling van het vermogen. Onder andere de AFM vond het ongewenst dat elke vorm van beleggen gelijk wordt belast omdat voor defensief beleggen de belasting dan te hoog is en dit daardoor uiterst onaantrekkelijk, zo niet zinloos wordt.[75][76][77] Onder andere daarom ging het plan niet door. Dit bezwaar geldt echter ook bij de rechtsherstel en de overbruggingsregeling. Een verschil met het eerdere plan is dat daarin het heffingvrije vermogen vervangen werd door een heffingvrij inkomen (indicatie: €400). Het oude plan zou er toe leiden dat mensen die lenen om te beleggen in box 3 zwaarder zouden worden belast (wat goed paste in het kabinetsbeleid om de fiscale bevoordeling van vreemd vermogen te verminderen), behalve als zoveel zou worden geleend dat het vermogen niet boven het heffingvrije vermogen uit zou komen. Voor een belegger zou er echter een abrupte overgang (harde knip) zijn bij overgang van het vermogen van €30.845 naar €30.846, die nog sterker zou zijn voor wie met geleend geld belegde. Bij het rechtsherstel en de overbruggingsregeling geldt deze harde knip niet, maar bij beleggen met geleend geld neemt de verschuldige belasting wel sterk toe als functie van het vermogen als dat beperkt meer is dan het heffingvrije vermogen.

Verlaging van het belaste rendement verlaagt het verzamelinkomen en kan daardoor drie van de vier toeslagen (de zorgtoeslag, het kindgebonden budget en de kinderopvangtoeslag) verhogen, en ook de ouderenkorting. De betrokkene hoeft hier niets voor te doen. Er zijn ook nog diverse andere inkomensafhankelijke regelingen, waarbij een verlaging met terugwerkende kracht van het verzamelinkomen mogelijk gevolgen heeft.[78]

Dekking[bewerken | brontekst bewerken]

De inkomstenderving voor de overheid met betrekking tot bezwaarmakers in de belastingjaren 2017 t/m 2020 en potentieel iedere grote spaarder in de belastingjaren 2021 t/m 2024 (vooral 2021 en 2022) wordt volgens de Voorjaarsnota 2022 binnen de kabinetsperiode gedekt door de lasten (met name in box 2 en box 3) vanaf belastingjaar 2023 te verhogen. De wet Belastingplan 2023 bepaalt dat de afbouw van de algemene heffingskorting vanaf 2025 wordt gebaseerd op het verzamelinkomen, dus ook het inkomen in box 2 en 3. Voor box 2 worden de lasten hoger door de bredere maatregelen om bij de vennootschapsbelasting de schijfgrens van €395.000 te verlagen naar €200.000, en verder door de doelmatigheidsmarge te verlagen van 25% naar 15%, wat betekent dat een hoger loon voor de dga verplicht wordt. Verder komt er in box 2 een tarief van 26 procent voor de eerste 67.000 euro aan inkomsten per persoon en een tarief van 29,5 procent voor het meerdere. Voor een deel zijn dit structurele maatregelen, dus niet alleen voor het rechtsherstel.

Verworpen gedeeltelijk rechtsherstel 2017 - 2020 voor niet-bezwaarmakers; massaal bezwaar plus[bewerken | brontekst bewerken]

Op 20 mei 2022 heeft de Hoge Raad bepaald dat iemand die niet tijdig bezwaar heeft gemaakt, maar op een later tijdstip ambtshalve vermindering aanvraagt, geen recht heeft op rechtsherstel.[79] De regering was van plan het arrest hierover af te wachten, alvorens een herberekening in deze gevallen toe te passen. Voor gevallen zonder recht op rechtsherstel overwoog de regering eventueel toch de herberekening toepassen, met eventueel de mogelijkheid de doelgroep te beperken, of anderszins een soberder regeling toe te passen. Dit zou dan in een wet worden vastgelegd, zodat juridische risico's zouden worden beperkt (in een technische briefing op 29 april kwam naar voren dat het juridisch niet mogelijk zou zijn om van degenen die geen bezwaar hebben gemaakt, alleen bij nader te definiëren "kleine spaarders" de nieuwe berekening toe te passen[80]).

In het Memo doelgroep herstel box 3 politieke vierhoek 12 april[81][82][83] wordt verduidelijkt dat bij herstel via de belastingaanslag voor de niet-bezwaarmakers, het naar verwachting juridisch onhoudbaar is deze anders te behandelen dan bezwaarmakers. Wel is er de mogelijkheid van een aparte wettelijk geregelde compensatieregeling, zoals die bij de toeslagenaffaire. Daarbij kunnen wel andere regels gelden dan de normale voor bezwaar en ambtshalve vermindering. Een ander verschil is dat de regeling dan valt onder de uitgavenkant van de begroting, waardoor de dekking niet specifiek van box 3 en box 2 hoeft te komen.

Onder meer Mahir Alkaya en zijn partij (SP) wilden geen onderscheid tussen bezwaarmakers en anderen, omdat zij dat rechtvaardiger vinden, maar ook wijzen zij erop dat anders mensen tegen allerlei beschikkingen van de overheid voortaan voor de zekerheid bezwaar gaan maken, wat voor de betreffende instanties veel werk geeft.[84]

In juli presenteerde Van Rij diverse opties voor eventueel gedeeltelijk rechtsherstel[85] Met Prinsjesdag 2022 meldde de regering echter te kiezen voor helemaal geen compensatie, omdat gedeeltelijke compensatie ingewikkeld is en juridisch mogelijk niet houdbaar, en maatregelen om de gevolgen van inflatie en dure energie te verzachten al veel geld kosten.[86][87][48][88] Tijdens het daarop volgende Kamerdebat op 6 oktober over de Algemene Financiële Beschouwingen[89] bleek dat de politiek geen financiële compensatie wil bieden voor de circa 1 miljoen spaarzame burgers die géén bezwaar hebben ingediend tegen de box 3-heffing in hun belastingaangifte voor de jaren 2017 tot en met 2020.[90] Tijdens dit debat werd een motie ingediend door Derk Jan Eppink (JA21) en Olaf Ephraim (Groep Van Haga), waarin deze opriepen om een compensatieregeling in het leven te roepen voor de kleine spaarders in box 3.[91] Deze motie werd gesteund door 44 Kamerleden van Ja21, Groep Van Haga, PVV, SP, FVD, SGP, BIJ1, Fractie Den Haan en Omtzigt. Tegen stemden de regeringspartijen maar ook PvdA, GroenLinks, PvdD, ChristenUnie, DENK, Volt en Gündogan. Daarmee werd de motie verworpen. Ook een deel van de Eerste Kamer reageerde zeer kritisch.[92]

Op grond hiervan adviseerde de Bond voor Belastingbetalers aan de gedupeerde spaarders om bij de Belastingdienst een verzoek te doen tot ambtshalve vermindering.[93][90] De Consumentenbond sloot zich aan bij de Bond voor Belastingbetalers[94] en begon ook een actie.[95] Als grondslag voor een verzoek tot ambtshalve vermindering noemde de Bond voor Belastingbetalers onder meer een in de Staatscourant gepubliceerde aanwijzing[96] uit 2015 waarin gesteld werd dat men geen bezwaar meer hoefde te maken om toch aangesloten te zijn bij het massaal bezwaar.[97][98] Het meest urgent is een verzoek voor het belastingjaar 2017, omdat dat op uiterlijk 31 december 2022 door de Belastingdienst moet zijn ontvangen. Doordat een massaalbezwaarprocedure alleen betrekking kan hebben op massale rechtszaken en niet op massale verzoeken tot ambtshalve vermindering, moet het verzoek door iedere belastingplichtige apart worden ingediend. Aangekondigd is dat de Belastingdienst dan elk verzoek zal afwijzen. Daartegen kan de belastingplichtige dan bezwaar maken. Vervolgens wordt dat ook afgewezen. De belastingplichtigen kunnen dan elk afzonderlijk in beroep gaan. Pas in die fase kan de kwestie eventueel worden aangewezen als massaalbezwaarprocedure, zodat slechts een beperkt aantal rechtszaken hoeven te worden gevoerd. Bezien wordt nog hoe chaotische toestanden kunnen worden vermeden.[89] Partijen zijn ook bezig een conceptrechtsvraag te formuleren.[99][100]

De 2e nota van wijziging Overbruggingswet box 3[101] bevat een extra wijziging van de Wet IB 2001 die aan deze wet 'Artikel 9.7 Bijzondere regels voor massaal bezwaar' toevoegt, dat het mogelijk maakt om een procedure ‘massaal bezwaar plus’ aan te wijzen. Het wordt daarmee mogelijk om een procedure massaal bezwaar aan te wijzen wanneer dezelfde rechtsvraag van belang is voor de beslissing op een groot aantal verzoeken tot ambtshalve vermindering. Ook wordt het mogelijk ook verzoeken om ambtshalve vermindering onder een reguliere procedure massaal bezwaar te brengen. Net zoals bij de huidige procedure massaal bezwaar wordt een zaak (of een aantal zaken) geselecteerd en aan de belastingrechter voorgelegd. De rest van de verzoeken wordt aangehouden en na afloop van de procedure met één collectieve beslissing afgedaan. Op basis van de eerste gedachtewisselingen met de belangenorganisaties over de rechtsvraag, komt deze neer op de vraag of niet-bezwaarmakers in aanmerking moeten komen voor rechtsherstel op gronden die niet (expliciet) aan de orde zijn geweest in het arrest van 20 mei 2022. Om te voorkomen dat alle niet-bezwaarmakers toch een verzoek moeten indienen heeft Van Rij toegezegd dat alle niet-bezwaarmakers voor de jaren 2017 tot en met 2020 aanspraak kunnen maken op een uitspraak van de Hoge Raad naar aanleiding van de procedure 'massaal bezwaar plus', over de vraag of niet-bezwaarmakers net zoals de bezwaarmakers in aanmerking komen voor rechtsherstel. Belastingplichtigen hoeven volgens hem daarom nu geen verzoek in te dienen. Met de inwerkingtreding van de Overbruggingswet box 3 is door de wijziging per 1 januari 2023 een wettelijke basis gecreëerd voor de procedure 'massaal bezwaar plus'. Van Rij heeft begin 2023 een aanwijzing voor de procedure 'massaal bezwaar plus' gedaan.[102][103][104] De al ingediende verzoeken worden apart gehouden tot er een uitspraak is.

De Consumentenbond spreekt van een eerste succes. De betrokken belangenorganisaties gaan samen met het ministerie vragen uitwerken waarover de rechter zich moet uitspreken. En ze selecteren een aantal geschikte voorbeeldzaken.[105]

De koepelorganisaties hebben opnieuw overleg gevoerd met het ministerie om te voorkomen dat de belastingplichtige mogelijk toch nog minder rechten heeft als hij niets doet. Het ministerie heeft hier op vrijdag 25 november nog wat over geschreven.[106][107][108] Voor als het nodig is, is er alvast een uitgebreide Modelbrief Verzoek ambtshalve vermindering box 3 voor niet-bezwaarmakers van het Register Belastingadviseurs.[109]

Daarnaast kan een belastingplichtige uiteraard over 2022, en eventueel nog over 2021, gewoon op tijd bezwaar maken tegen de individuele uitkomst van toepassing van de Wet rechtsherstel box 3, wegens strijd met de EVRM, en te zijner tijd over latere jaren tegen de individuele uitkomst van toepassing van de Overbruggingswet box 3, bijvoorbeeld als gevolg van het op één hoop gooien van overige bezittingen, het negeren van kosten en het toepassen van een forfaitair rendement op overige bezittingen dat veel hoger is dan het rendement in het betreffende belastingjaar, door te middelen over een lange periode (zie ook hieronder Plan B, een verfijning van de overbruggingsregeling waarbij deze zwakke punten, juridische kwetsbaarheden, worden aangepakt, als de geplande box 3-heffing op basis van vermogensaanwas te complex blijkt). Daar kunnen de gewone massaalbezwaarprocedure en plusvariant ook van pas komen.

Fiscale partners[bewerken | brontekst bewerken]

Bij fiscale partners wordt het rendementspercentage berekend op basis van de gezamenlijke bezittingen en schulden. Voor de gezamenlijke grondslag sparen en beleggen wordt het dubbele heffingvrije vermogen in acht genomen. De partners mogen per belastingjaar kiezen hoe de gezamenlijke grondslag sparen en beleggen over beide verdeeld wordt, los van wie wat werkelijk bezit. Het gaat alleen om het verdelen van het bedrag; in termen van verdeling van vermogensbestanddelen komt het er op neer dat de verhouding banktegoeden : overige bezittingen : schulden voor beide partners gelijk gehouden wordt en dat het gezamenlijke heffingvrije vermogen in dezelfde verhouding wordt verdeeld als het vermogen. Bij een gezamenlijke aangifte wordt het bepalen wat het voordeligst is gefaciliteerd.

In de Overbruggingswet is dit per abuis niet zo expliciet terechtgekomen als in de Wet rechtsherstel. Uit de MvT en andere toelichtingen is volgens Van Rij afdoende af te leiden wat bedoeld is. De formulering in de wet wordt met ingang van 2024 verduidelijkt.[110][111]

Voor jaren waarin de voor de belastingplichtige gunstigste van de twee methoden (methode A en B) wordt toegepast, wordt dit voor de partners afzonderlijk bepaald, op basis van de gekozen verdeling. Dit kan bij die keuze dus meespelen. Als een van beide partners geen inkomen heeft kan het aan deze partner toerekenen van vermogen helpen diens algemene heffingskorting zoveel mogelijk te benutten.

In het geval van een vordering van een echtgenoot op de andere echtgenoot kan het, net als in andere gevallen dat iemand op een ander een vordering heeft, per saldo fiscaal onvoordelig zijn dat het fictieve rendement van de vordering groter is dan het negatieve fictieve rendement van de schuld.[112]

Peildatumarbitrage[bewerken | brontekst bewerken]

Een onderdeel van de Overbruggingswet heeft per 1 januari 2023 aan de wet IB artikel 5.24 toegevoegd, met een regeling tegen peildatumarbitrage. Deze is bedoeld om tegen te gaan dat overige bezittingen voor de peildatum worden omgezet in banktegoeden en na de peildatum weer worden omgezet in dezelfde of andere overige bezittingen, met het doel om belasting te besparen. Dit zou vooral gemakkelijk kunnen bij effecten. In het eenvoudigste geval gaat het om één verkoop voor de peildatum en één aankoop erna. Als er minder dan drie maanden tussen de verkoop en de aankoop zit wordt de verkoop niet in aanmerking genomen voor zover de waarde van de overige bezittingen door de aankoop weer hoger wordt: als de waarde van de aankoop groter is dan die van de verkoop dus helemaal niet, en anders alleen voor hoeveel de waarde van de overige bezittingen per saldo vermindert. Anders gezegd: de waarde van de overige bezittingen wordt gesteld op het kleinste van twee bedragen: de waarde voor de verkoop en de waarde na de aankoop.

Een voorbeeld met meer verkopen en aankopen is als volgt. Als op 16 november voor €20.000 en 1 december voor €10.000 aan beleggingen worden verkocht en op 17 februari voor €3.000 en op 2 maart voor €13.000 aan aandelen gekocht dan geldt alleen voor 1 december en 17 februari dat er minder dan 3 maanden maar wel de jaarwisseling tussen zit, en wordt een deel van de verkoop, ter waarde van €3.000, en de hele aankoop van €3.000 geacht niet te hebben plaatsgevonden. Als de verkoop van 1 december verschillende aandelen betreft is niet duidelijk of de belastingplichtige mag kiezen welke daarvan, met een waarde €3.000 op 1 december, in aanmerking worden genomen voor het vermogen op 1 januari (die welke het minste rendement in die maand zouden hebben opgeleverd is voor hem het voordeligst).

Met betrekking tot schulden is er een soortgelijke bepaling.

Een en ander geldt niet voor zover de belastingplichtige aannemelijk maakt dat aan zijn handelingen niet-fiscale zakelijke overwegingen ten grondslag lagen.

De wetstekst is ingewikkelder doordat deze zich niet kan beperken tot eenvoudige gevallen. De banktegoeden, overige bezittingen en schulden van elke dag in de maanden oktober tot en met maart kunnen van belang zijn. Ook moet bepaald worden welke mutaties het gevolg zijn van een handeling. Koersschommelingen zijn niet het gevolg van handelingen, maar ook bij de schommelingen in het saldo van de betaalrekening moet worden onderscheiden welke het gevolg zijn van een handeling, en of die eraan bijdraagt dat op de peildatum de waarde van de banktegoeden hoger is dan de laagste waarde, enz. De MvT geeft weinig toelichting, namelijk ook alleen voor enkele eenvoudige gevallen.

De Afdeling advisering van de Raad van State merkt op dat uit de wettekst niet duidelijk blijkt wanneer de periode van drie maanden precies aanvangt, en dat dit betekent dat de belastingplichtige over een periode van zes maanden (drie voor, en drie na de peildatum) rekening moet houden met omkering van de bewijslast, en langdurig bewijs van niet-fiscale overwegingen moet bewaren.

In het nieuwe artikel 5.24, derde lid, Wet IB is geregeld dat bij ministeriële regeling nadere regels kunnen worden gesteld omtrent toepassing van de genoemde arbitragebepaling. Deze delegatiebepaling is uit voorzorg alvast opgenomen. Vooralsnog is er geen concrete invulling voor.

Bij de aangifte inkomstenbelasting zullen mogelijk de volgende drie aanvullende vragen worden gesteld:[113]

  1. Heeft u in een periode van drie maanden (waarin een peildatum is gelegen) box 3-vermogensbestanddelen met een hoog forfaitair rendement verkocht en vervolgens na afloop van de peildatum vermogensbestanddelen met een hoog forfaitair rendement weer aangekocht?
  2. Zo ja, is dit gedaan om hoofdzakelijk fiscale redenen (arbitrage)?
  3. Zo ja, voor welk bedrag?

Als de eerste twee vragen met ja worden beantwoord wordt het bedrag opgeteld bij de waarde van de overige bezittingen.

De beantwoording kan aanleiding geven tot het stellen van aanvullende vragen en het starten van nader onderzoek. Gelet op de bewijslastverdeling, de informatiepositie van de Belastingdienst en het subjectieve element in de arbitragebepaling (namelijk het motief van belastingplichtige) zal de Belastingdienst hierop risicogericht handhaven.[114]

Bij amendement is aan het wetsvoorstel toegevoegd dat de anti-peildatumarbitrage uiterlijk in 2024 wordt geëvalueerd.[115][116] In de quickscan wordt erop geattendeerd dat na slechts een jaar geldingsduur van de wetgeving mogelijk gaat blijken dat de te evalueren gegevens ontoereikend zijn. Voorts is onzeker of en in hoeverre de uitkomst van de evaluatie ertoe kan leiden dat de wetgeving - met een beperkte gelding - ingrijpend wordt aangepast.[117]

Verzwegen vermogen[bewerken | brontekst bewerken]

Van Rij heeft gereageerd op berichten dat het verzwijgen van banktegoeden en contant geld vanaf 2017 sinds het Kerstarrest niet leidt tot een navordering omdat hier weinig of geen forfaitair rendement van toepassing is, en dat, aangezien de boete hieraan gerelateerd is, die ook niet wordt opgelegd.[118][119]

De Wet rechtsherstel box 3 wordt toegepast voor een ieder wiens aanslag inkomstenbelasting over kalenderjaren vanaf 2017 op 24 december 2021 nog niet onherroepelijk vaststond of aan wie daarna over deze kalenderjaren een belastingaanslag inkomstenbelasting is of wordt opgelegd. Dit kunnen ook belastingplichtigen zijn aan wie na 24 december 2021 een belastingaanslag opgelegd wordt wegens niet eerder aangegeven box 3-vermogensbestanddelen, bijvoorbeeld vanwege in het buitenland aangehouden vermogen of contant gehouden vermogen. In het geval van banktegoeden zijn deze belastingplichtigen onbedoeld in het voordeel ten opzichte van niet-bezwaarmakers. Het is juridisch niet mogelijk dit te veranderen.

Er zijn echter nog steeds mogelijkheden om na te vorderen, te beboeten en strafrechtelijk te vervolgen. De navorderingstermijn bij in het buitenland gehouden of opgekomen inkomen of vermogen is twaalf in plaats van vijf jaar, gerekend vanaf het einde van het belastingjaar. Verder valt contant geld in de jaren 2017-2022 bij de nieuwe regeling in de categorie overige bezittingen (als bijvoorbeeld iemands vermogen geheel uit contant geld bestond dan is de nieuwe regeling ongunstiger dan de oude, dus dan geldt de oude regeling en is er, nog los van de boete die dan wel degelijk kan worden opgelegd, geen voordeel ten opzichte van niet-bezwaarmakers). Ook kunnen zwartspaarders nog steeds te maken krijgen met belastingheffing ter zake van de oorsprong van het niet eerder aangegeven inkomen of vermogen. Hier kan bijvoorbeeld sprake zijn van na te vorderen inkomstenbelasting ter zake van inkomen in box 1 of box 2 of na te vorderen erf- of schenkbelasting en – indien de omstandigheden daartoe aanleiding geven – een vergrijpboete.

Van Rij wil bezien welke mogelijkheden er voor de toekomst zijn om de koppeling tussen de hoogte van een vergrijpboete en het te betalen bedrag van een belastingaanslag, los te laten.

Geplande box 3-heffing op basis van vermogensaanwas[bewerken | brontekst bewerken]

Bij de vormgeving van het nieuwe stelsel voor box 3 gaat het kabinet uit van een vermogensaanwasbelasting,[8][120][121][122][123] niet te verwarren met een belasting op de toename van het vermogen: de grondslag (het rendement op basis van dit systeem) bestaat uit de vruchten (zoals rente-inkomsten, dividenden en huuropbrengsten) en de toename van de waarde van de vermogensbestanddelen, en bevat niet de vermogenstoename doordat inkomen uit box 1 of box 2 niet geheel besteed wordt, of bijvoorbeeld door een erfenis of een loterijprijs. Omgekeerd is de vermogenstoename kleiner dan het rendement als naast het netto inkomen uit box 1 en box 2 ook een deel van het vermogen wordt besteed.

Als het vermogen bijvoorbeeld bestaat uit een beleggingsrekening met aandelen (waaronder aandelen in beleggingsfondsen), obligaties en een gelddeel, en verder alleen een renteloze betaalrekening en spaarrekeningen, met alle geldtegoeden uitgedrukt in euro's, dan is het rendement gelijk aan de rente (op de obligaties, het gelddeel en de spaarrekeningen) en het dividend, en de waardestijging van de aandelen en obligaties in het deel van het jaar dat de belastingplichtige ze bezit, verminderd met de kosten van de beleggingsrekening en de bijkomende kosten van de transacties. Het rendement is tevens gelijk aan de toename van de totale waarde van de beleggingsrekening, plus de rente op de spaarrekeningen, verminderd met het bedrag dat per saldo van de betaalrekening naar de beleggingsrekening wordt ingebracht, inclusief de eventueel vanuit de betaalrekening betaalde kosten van de beleggingsrekening en bijkomende kosten van de transacties. Saldo's van de betaalrekening en de spaarrekeningen komen in deze berekeningswijzen niet voor, maar anno 2022 is aangifte van vermogen boven € 31.340 verplicht, ook al is de heffingvrije som hoger, omdat zo inzicht wordt verkregen in dit vermogen voor het geval de betrokkene nu of in de toekomst een beroep doet op een inkomensafhankelijke regeling, dus ook bij de vermogensaanwasbelasting zou de aangifte naar saldo's kunnen vragen die voor de heffing niet van belang zijn.

Er zal nader worden uitgewerkt voor welke schulden de rente aftrekbaar wordt, bijvoorbeeld alleen als ze zijn aangegaan voor de aankoop van bezittingen die tot belaste vermogensaanwas kunnen leiden..

De vermogensaanwasbelasting zou in 2025 gerealiseerd worden (inmiddels: 2026, maar daarmee blijft de planning ambitieus[124][123]), waarbij al of niet de waardeontwikkeling van onroerende zaken aanvankelijk nog forfaitair wordt bepaald. Van de vruchten van onroerende zaken (huur en pacht) zou net als van de vruchten van de andere vermogensbestanddelen wel de echte waarde al direct vanaf 2026 worden belast. Verliezen kunnen worden verrekend met de box 3 inkomsten in hetzelfde jaar en een nader te bepalen aantal andere jaren. Het heffingvrije vermogen wordt vervangen door een heffingvrij inkomen. De grondslag voor het nieuwe box 3-stelsel is het totale inkomen uit box 3 voor zover dit het heffingvrije inkomen overschrijdt.

Kostenaftrek zal nader worden geregeld.

Er is nog niet besloten of het rendement belast wordt volgens een vlaktaks of een progressief tarief. Volgens de Voorjaarsnota 2022 wordt vanaf 2025 de algemene heffingskorting afgebouwd op basis van het verzamelinkomen. Effectief wordt daardoor het tarief van de vermogensrendementsheffing (in 2021 en 2022 31%, gepland voor 2025 34%[47]) in 2025 ongeveer 6 %-punt hoger (voor een AOW'er ongeveer 3 %-punt, die voor een deel van het inkomenstraject bovenop de genoemde 15 %-punt door de afbouw van de ouderenkorting komt), tenzij het verzamelinkomen meer dan ongeveer € 70.000 is (omdat de algemene heffingskorting dan al nul is).[125][126]

Op 20 juni 2022 was er een technische briefing van de Vaste commissie voor Financiën over de vermogensaanwasbelasting.[127][128] Sommige Kamerleden wezen erop dat de Tweede Kamer nog geen keuze voor een vermogensaanwasbelasting heeft gemaakt, en dat de vermogenswinstbelasting ook nog een optie is. Verder kwam naar voren dat invoering in 2025 in verband met de IV-capaciteit afhankelijk kan zijn van het uitstellen van andere projecten, zoals digitale IB-aangifte bij overlijden, en verder van vlotte totstandkoming van de betreffende wetgeving, met een niet te ingewikkeld resultaat. Bij vertraging zou de overbruggingswetgeving langer moeten gelden, maar de vraag was al of deze de geplande twee jaar juridisch houdbaar zou zijn, laat staan langer. Er werd gesteld dat zolang WOZ-waarden meer dan een jaar na de peildatum worden vastgesteld, deze niet bruikbaar zijn voor de vermogensaanwasbelasting omdat voor de aangifte voor bijvoorbeeld het belastingjaar 2026, de waarde nodig is die het vastgoed op 1 januari 2027 heeft, en deze waarde dan pas in 2028, en daarmee veel te laat, zou worden vastgesteld. Op 28 juni volgde er een commissiedebat.[129] Vooruitlopend hierop heeft Van Rij een meer gedetailleerde planning gepubliceerd. Hij meldde ook dat het onzeker is geworden of de gewenste inwerkingtreding per 2025 haalbaar is.[130] In het debat pleit Omtzigt ervoor om bij rendementen, waaronder waardeontwikkelingen, rekening te houden met inflatie, vooral nu deze hoger geworden is en mogelijk een aantal jaren hoog blijft.

Van Rij meldde in een wetgevingsoverleg op 31 oktober 2022[4] dat als onverhoopt dit stelsel niet (tijdig) haalbaar blijkt, een plan B zou kunnen zijn om als "definitieve" regeling in de overbruggingsregeling de vermogenscategorie overige bezittingen onder te verdelen in subcategorieën, met bijvoorbeeld aparte subcategorieën aandelen en obligaties, en met per subcategorie als forfaitair rendement het gemiddelde rendement in het betreffende belastingjaar, als benadering van het echte rendement ('spaarvariant met verfijnd forfait'). Hij waarschuwde wel dat de opbrengst van box 3 daardoor zou dalen van 4 naar 2 miljard per jaar, en dat er dan aanvullend een vermogensbelasting zou moeten komen. Omtzigt zei dat hij daar wel van schrok, omdat dat zou betekenen dat de bestaande overbruggingsregeling de belastingplichtigen 2 miljard te veel laat betalen. Op 9 november ging Van Rij hier nog kort op in,[131] dit zou komen door veel grotere wisselingen van het forfaitaire rendement van jaar tot jaar dan bij een langjarig meetkundig gemiddelde.

Belasten van reëel inkomen uit vermogen[bewerken | brontekst bewerken]

Er is vanuit het draagkrachtbeginsel geen goede reden om bij inkomen uit vermogen ook inflatie te belasten als inkomen. Voor het deel van het rendement op vermogen dat betrekking heeft op een inflatievergoeding is namelijk geen sprake van een stijging van de koopkracht. Voor zover de nominale waarde van een bezitting toeneemt door inflatie, is er geen toename van de economische waardering van de bezitting, maar van een afname van de waarde van geld.[132]

De door de regering aangevoerde argumenten om dit te negeren, zelfs bij het ontwerp van de geplande box 3-heffing op basis van vermogensaanwas:[112]

  • De belastingopbrengst zou lager zijn.
  • Het is ingewikkelder.
  • Het wordt ook niet toegepast op werkkapitaal in box 1 en vermogen in box 2.
  • Het is lastig uitlegbaar als spiegelbeeldig extra belasting wordt geheven in het geval van negatieve inflatie (deflatie).

Geschiedenis[bewerken | brontekst bewerken]

Box 3 vervangt de vroegere vermogensbelasting (2000: 0,7% met een vrijstelling van ƒ 200.000 (€ 90.756)) en de inkomstenbelasting over de werkelijke inkomsten uit vermogen in de vorm van onder andere rente, dividend en huur. Er was een rentevrijstelling (sinds 1978, toen ƒ 200) en een dividendvrijstelling (2000: elk ƒ 1000 (€ 454)). Er gold een schijventarief voor het totaal van alle inkomsten (dus bij bijvoorbeeld een hoog loon moest ook veel belasting over de rente betaald worden). Sinds 1987 was er een informatieplicht voor banken inzake aan klanten uitgekeerde rente (renterenseignering).

Waardeaangroei van aandelen was echter niet belast. Dit leidde tot beleggingsfondsen op basis van liquiditeiten en obligaties waarbij de rente niet als dividend werd uitgekeerd, maar de koers deed stijgen: groeifondsen.[133] Deze moesten wel 35% vennootschapsbelasting over de winst betalen, maar dat was vaak minder dan het marginale inkomstenbelastingtarief van de aandeelhouders. Deze fondsen zijn sinds 2001 niet interessant meer (zelfs niet na omzetting in een variant die geen vennootschapsbelasting verschuldigd is) en daarom rond die tijd veelal omgezet in gewone obligatiefondsen, die dividend uitkeren, en ook geen vennootschapsbelasting verschuldigd zijn. Ook waren aandelen populair die onbelast stockdividend uitkeerden.

Aftrekbaarheid van betaalde rente is in de loop van de tijd steeds meer beperkt. Zoals blijkt uit het bovenstaande is deze er nu slechts in die zin dat schulden, op € 2800 na, van de bezittingen worden afgetrokken voor de bepaling van de vermogensrendementsheffing. Dit geeft alleen een belastingvoordeel voor zover de bezittingen groter zijn dan het heffingsvrije vermogen. De zaak ligt anders voor hypotheekrenteaftrek voor de eigen woning, deze valt in box 1, er hoeft dus geen vermogen tegenover te staan en de rente kan al worden afgetrokken als er überhaupt andere inkomstenbestanddelen zijn.

Het forfaitaire rendement bedroeg van 2001 tot en met 2016 4%. De vermogensrendementsheffing kwam hiermee uit op 1,2%.

De vermogensbestanddelen werden van 2001 tot en met 2010 gewaardeerd per 1 januari en 31 december, van deze waarden werd het gemiddelde genomen.

Tot en met 2012 was er behalve voor groene beleggingen ook een vrijstelling voor sociaal-ethische beleggingen (fondsen die beleggen in microkredieten of ontwikkelingsprojecten), culturele beleggingen en beleggingen in durfkapitaal. Naar aanleiding van het in 2012 gesloten Begrotingsakkoord is de Wet uitwerking fiscale maatregelen Begrotingsakkoord 2013 (UFM) aangenomen waarbij de vrijstellingen voor deze drie soorten beleggingen (sociaal-ethische fondsen, culturele beleggingen en durfkapitaal) per 1 januari 2013 werden afgeschaft, evenals de heffingskortingen voor deze beleggingen. De vrijstelling voor groen beleggen is gehandhaafd; bovendien ging een eerder geplande afschaffing van de heffingskorting voor groen beleggen niet door: deze heffingskorting is gehandhaafd op het niveau van 2012 (0,7%).

Per 2016 is de ouderentoeslag afgeschaft.[134]

Proefprocessen over jaren vóór 2017[bewerken | brontekst bewerken]

Tegen de vermogensrendementsheffing zijn diverse processen gevoerd. Op basis van de uitspraak van minister Gerrit Zalm,[135]

Elke sukkel haalt meer dan 4% rendement. Wie dat niet lukt kan bij mij staatsobligaties krijgen, met een procent of 6 rendement.

startte accountants- en adviesorganisatie Grant Thornton in maart 2014 in samenwerking met de Bond voor Belastingbetalers[136] een proefproces om de rechtmatigheid van de vermogensrendementsheffing te laten beoordelen aan de hand van de casus van een individuele belastingbetaler.[137]

In februari 2016 oordeelde advocaat-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden (AG) Niessen in een advies aan de Hoge Raad der Nederlanden dat deze belasting in strijd is met het recht van eigendom zoals vastgelegd in artikel 1 van het eerste protocol van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM).[138][139]

  • Hij wijst erop dat de moderne belastingwetgeving is gebaseerd op individuele draagkracht en een heffing die uitgaat van een fictief gemiddelde is daarmee in tegenspraak.[138] Belastingplichtigen zijn vrij om hun financiën zelf in te richten en zij zouden daarom niet moeten worden belast op basis van een opbrengst die zij volgens de wetgever hadden kunnen halen. (grief 1 : Fictief tegen individueel)
  • Wanneer dit vaste percentage belasting niet kan worden betaald uit de opbrengst van het vermogen is er sprake van een oneigenlijke ontneming.[138] (grief 2 : Oneigenlijke ontneming)
  • Tot slot is de zekerheid van een rendement van 4% na de aanslagen op 11 september 2001 en de kredietcrisis ondermijnd. De AG adviseert de wetgever een termijn te geven voor aanpassing of vervanging van de regeling.[138] Zolang dat niet is gebeurd, kan de rechter beslissen dat de regeling buiten toepassing moet blijven in gevallen waarin een belastingplichtige verlies lijdt op zijn vermogen.[138] Uitdrukkelijk verwijst hij naar de unaniem aangenomen motie van Arnold Merkies om het werkelijk behaalde rendement op vermogen te belasten.[140] (grief 3: Steeds lagere rendementen in het verschiet sinds 2001)

De aangespannen zaak van de belanghebbende dient te worden verwezen volgens de conclusie van de AG:

"De conclusie strekt ertoe dat het beroep in cassatie van belanghebbende gegrond dient te worden verklaard en dat het geding ter verdere behandeling en beslissing van de zaak wordt verwezen."[bron?]

Anno 2017 lopen nog steeds diverse processen, waarin de aanspanners het forfaitair rendement over individuele jaren als onrechtmatig aanmerken. De rechtbank te Breda oordeelde in januari van dat jaar dat de heffing over 2013 en 2014 niet ongegrond was, aangezien het forfaitair rendement niet als onhaalbaar moet worden beschouwd.[141] De Hoge Raad acht het forfaitair rendement echter niet haalbaar voor de jaren 2013 en 2014[142] December 2019 deed het gerechtshof in Den Haag uitspraak over de jaren 2015 en 2016. Het oordeel was mede gebaseerd op een eerdere uitspraak van de Hoge Raad. De spaarder die minder rendement maakte als spaarder dan de verschuldigde belasting (1,2%) werd in het gelijk gesteld. Het Hof gaf geen directe compensatie maar verwees de spaarder terug naar de overheid.[143] Die trok de controversiële conclusie dat een rendement van 1,2% destijds haalbaar was.[144]

In januari 2022 lopen er procedures bij het EHRM over de jaren 2013 tot en met 2016.[145]

Varianten van een toekomstig systeem met minder ficties (Kamerbrief juni 2021)[bewerken | brontekst bewerken]

Er wordt gewerkt aan een nieuw systeem met minder ficties.[146][147][148]

Er worden drie varianten overwogen:

Variant A is in de basis een vermogensaanwasbelasting op alle vermogensbestanddelen waar de Belastingdienst voldoende over weet, en een forfaitaire heffing voor de overige vermogensbestanddelen. Belastbaar zijn:

  • Bank-, spaartegoeden en overige vorderingen: de werkelijke rente
  • Aandelen, obligaties en derivaten: de werkelijke vermogensaanwas, dus de koerswinst, de rente en de dividenden van dat jaar
  • Onroerende zaken en overig vermogen: een forfaitair inkomen

Variant B is een vermogenswinstbelasting op alle vermogensbestanddelen waar de Belastingdienst voldoende over weet, en een forfaitaire heffing voor de overige vermogensbestanddelen. Belastbaar zijn:

  • Bank-, spaartegoeden en overige vorderingen: de werkelijke rente
  • Aandelen, obligaties en derivaten: de werkelijke rente en dividenden; verder vermogenswinst bij realisatie, bijvoorbeeld door verkoop
  • Onroerende zaken en overig vermogen: een forfaitair inkomen

In beide varianten wordt voor bank- en spaartegoeden en effecten het werkelijke, individueel behaalde rendement belast.

In variant C wordt het rendement voor elke vermogenstitel over een belastingjaar achteraf forfaitair vastgesteld. Het vermogen van de belastingbetaler aan het begin van het jaar wordt toegerekend aan de bestanddelen spaargeld, aandelen, obligaties, onroerend goed en overig. Op de waarde van ieder van die bestanddelen wordt na afloop van het jaar bij de individuele belastingbetaler forfaitair het gemiddelde (macro) rendement van ieder van die bestanddelen toegepast. Door het gemiddelde rendement na afloop van het jaar te nemen, wordt ontwijking op de peildatum – door te schuiven in de vermogensmix – minder voorspelbaar en dus minder aantrekkelijk.

In alle varianten is er voor de inkomsten uit vermogen een heffingvrije voet.

Voorstellen voor een formele vermogensbelasting[bewerken | brontekst bewerken]

Diverse politieke partijen willen naast de vermogensrendementsheffing vermogensbelasting herinvoeren:[149]

  • PvdA: voor het deel van het vermogen tussen 100.000 en 500.000 euro een tarief van 1%, tussen 500.000 en 1 miljoen euro 2%, tussen 1 mln en 5 mln euro 3%, tussen 5 mln en 10 mln euro 4% en boven 10 mln euro 5%[150]
  • D66, GroenLinks en SP: 1% belasting over het deel van het vermogen tussen de 1 miljoen en 2 miljoen euro, en 2% over vermogen boven 2 miljoen euro

In februari 2022 is een concept gepubliceerd van de Memorie van Toelichting van een Voorstel van wet van de leden Nijboer (PvdA), Alkaya (SP) en Maatoug (GroenLinks) ter introductie van een progressieve vermogensbelasting.[61][151][152][153] Het lijkt op bovenstaand plan van de PvdA. Dit zou box 3 vervangen als deze afgeschaft zou moeten worden: "Door de uitspraak van de Hoge Raad valt de grondslag onder box 3 mogelijk in het geheel weg. Daarvoor biedt dit wetsvoorstel een alternatief, zodat vermogens belast blijven nu rendement op vermogen via de vermogensrendementsheffing onbelast dreigt te worden." Beoogd wordt om voor de grondslag aan te sluiten bij het vermogen volgens de huidige box 3. Alles overwegende, mede aan de hand van het proefschrift Eigendomsgrondrecht en belastingen van T.C. Gerverdinck (sluitingsdatum kopij 30 november 2019),[154] achten de indieners deze vermogensbelasting geoorloofd onder het EVRM.

Omtzigt is van mening dat 5% vermogensbelasting heffen niet werkt, omdat vermogens nogal vloeibaar zijn en snel naar een ander land gaan.[61]

De regering kiest voor de langere termijn niet voor een vermogensbelasting, maar voor de genoemde vermogensaanwasbelasting, en ook niet voor invoering van een tijdelijke formele vermogensbelasting ter overbrugging van de jaren 2013 en 2014, omdat dit praktisch en juridisch niet goed mogelijk zou zijn.[155]

Aanhangig is sinds juli 2022 het Voorstel van wet van de leden Nijboer, Alkaya, Van Raan en Gündoğan houdende regels omtrent invoering van een vermogensbelasting (Wet vermogensbelasting 2024). Voorgesteld wordt dat de eerste €100.000 wordt vrijgesteld, terwijl verder een schijventarief geldt met een belasting van 1% over de volgende €400.000, 2% over de volgende €500.000, 3% over de volgende €1.000.000, 4% over de volgende €3.000.000 en 5% over de rest (dus het vermogen boven €5.000.000). De bedoeling van de initiatiefnemers is dat de wet in 2024 ingaat. Het wetsvoorstel wordt gepresenteerd als alternatief voor box 3. Het bevat echter geen bepaling dat box 3 wordt afgeschaft. Over de samenhang met de aangekondigde Overbruggingswet box 3 wordt niets vermeld.[156]

Coalitieakkoord 2021 – 2025 en Voorjaarsnota 2022[bewerken | brontekst bewerken]

De budgettaire bijlage van het coalitieakkoord 2021 – 2025 vermeldt de volgende plannen:

  • Per 2023 wordt de leegwaarderatio afgeschaft.
  • Per 2025 wordt sparen en beleggen op reëel rendement belast. Dit is later veranderd in 2026.
  • De vrijstelling in box 3 zou worden verhoogd naar ca. 80.000 euro. Volgens de Voorjaarsnota 2022 gaat dit niet door.[157]

Sparen in box 2 als alternatief of aanvulling[bewerken | brontekst bewerken]

Een alternatief voor sparen in box 3 is het onderbrengen van het spaargeld in een bv, bijvoorbeeld een speciale eigen spaargeld-bv.[158][159] De winst is dan het werkelijke rendement op het spaargeld, verminderd met de kosten van de bv. Bij een winst tot € 200.000 is de vennootschapsbelasting 16,5%, en is het dividend in box 2 belast tegen een tarief van 26,25%, dit is (als de kosten even buiten beschouwing worden gelaten en de nettowinst geheel als dividend wordt uitgekeerd) bij elkaar 38,42% van het werkelijke rendement op het spaargeld. Voor de beoordeling van dit alternatief kan dit worden vergeleken met de 31% van het belaste rendement op spaargeld in box 3. Sinds het Kerstarrest is het verschil bij sparen klein. Obligaties in box 3 behoren echter tot 2026 nog tot dezelfde vermogenscategorie als aandelen, daarvoor kan box 2 nog voor twee peildata van box 3 (1 januari 2024 en 1 januari 2025) wel een gunstig alternatief zijn. Box 2 kan ook van pas komen bij een groot bedrag aan beleggingen in box 3 met geleend geld. Het is dan fiscaal aantrekkelijk als (per saldo) het vermogen in box 3 niet groter is dan het heffingvrije vermogen (zie boven).[160] Extra vermogen in box 2 kan dan de risico's opvangen.

De spaarder/dga kan belastingvrij het spaargeld geheel of gedeeltelijk opnemen uit de bv door middel van een teruggave van gestort aandelenkapitaal, zolang de teruggave niet hoger is dan de verkrijgingsprijs, de algemene vergadering (de spaarder/dga zelf) hiertoe besluit en de nominale waarde van de aandelen bij statutenwijziging met een gelijk bedrag is verminderd. Vergeleken met gewoon sparen is zo'n opname dus omslachtiger en brengt deze (net als de oprichting) notariskosten met zich mee. Liquidatie gaat op soortgelijke wijze. Alleen de eventuele winst die wordt uitgekeerd, tussendoor en/of bij liquidatie (bij sparen niet of nauwelijks van toepassing, mede gezien de aftrekbare kosten), is in box 2 belast. Een andere manier van 'geld opnemen' uit de bv is lenen. Dit moet dan wel tegen een zakelijk rentepercentage. Aangenomen is de Wet excessief lenen bij eigen vennootschap, waarbij vanaf 2023 overschrijding van een schuld van € 700.000 eenmalig als inkomen in box 2 wordt belast.

Bij een toekomstige box 3-heffing op basis van vermogensaanwas is er mogelijk minder reden uit te wijken naar box 2.[161]

Zie ook[bewerken | brontekst bewerken]

Externe link[bewerken | brontekst bewerken]