Box 1

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

In de Nederlandse Wet inkomstenbelasting 2001 is box 1 een categorie inkomsten: het belastbaar inkomen uit werk en woning.[1] Het is het inkomen uit werk en woning verminderd met de te verrekenen verliezen uit werken en woning.

Het inkomen uit werk en woning[bewerken]

Het inkomen uit werk en woning bestaat uit:

verminderd met:

De persoonsgebonden aftrek vermindert het inkomen uit werk en woning van het kalenderjaar, maar niet verder dan tot nihil. Het inkomen uit werk en woning kan wel negatief zijn, maar het wordt dus niet negatief of sterker negatief door de persoonsgebonden aftrek.

Het belastbaar inkomen uit werk en woning is het inkomen uit werk en woning verminderd met de te verrekenen verliezen uit werk en woning.

Belang van de inkomsten in box 1 voor andere regelingen[bewerken]

De inkomsten in box 1 bepalen niet alleen gedeeltelijk het bedrag van de inkomstenbelasting. Ook de heffing van de premie voor de volksverzekeringen (PVV) neemt als basis het box 1 inkomen tot maximaal de bovengrens van de tweede schijf. In artikel 8 van de Wet financiering sociale verzekeringen (Wfsv) wordt dit inkomen als premie-inkomen benoemd op basis waarop bij aanslag de premie wordt geheven.

De premie volksverzekeringen betreft Anw (2015: 0,6%), Wlz (2015: 9,65%) en tot de eerste dag van de maand waarin men de AOW-leeftijd bereikt[4] 17,9% AOW [5], met dien verstande dat men in het kalenderjaar waarin men de AOW-leeftijd bereikt een tijdsevenredig percentage AOW-premie betaalt over de inkomsten in box 1 in dat hele kalenderjaar. Zie ook onder.

De items winst uit onderneming, loon en resultaat uit overige werkzaamheden zijn van toepassing voor de berekening van de inkomensafhankelijke bijdrage van de zorgverzekering. Wanneer die wordt meegerekend is het tarief niet meer helemaal progressief: het wordt lager bij het bereiken van de maximale grondslag van de bijdrage zorgverzekering.

Het inkomen in box 1 vóór toepassing van de persoonsgebonden aftrek draagt ook bij aan het drempelinkomen (van belang voor bepaalde vormen van persoonsgebonden aftrek) en voor het verzamelinkomen, dat bij diverse inkomensafhankelijke regelingen de basis vormt.

Tarief[bewerken]

De belasting is de som van de volgende componenten:

Op deze belasting plus die over box 2 en box 3 worden nog heffingskortingen toegepast. Daarvan zijn sommige zelf ook afhankelijk van inkomensbestanddelen.

Schijventarief 2015[bewerken]

Schijf Belastbaar inkomen uit werk en woning Belastingtarief Tarief premie volksverzekeringen Totaaltarief
AOW-min AOW'er AOW-min AOW'er
1 € 0 tot en met € 19.822 8,35% 28,15% 10,25% 36,5% 18,6%
2 € 19.823 tot en met € 33.589 13,85% 28,15% 10,25% 42% 24,1%
3 € 33.590 tot en met € 57.585 42% 42%
4 Vanaf € 57.585 52% 52%

AOW-min geldt tot de eerste dag van de maand waarin men de AOW-leeftijd (65 jaar en drie maanden) bereikt, AOW'er geldt vanaf die dag. Voor belastingplichtigen die zijn geboren vóór 1946 is de bovengrens van de tweede schijf iets hoger, wat het totaaltarief bij een inkomen in box 1 vanaf de 3e schijf iets lager maakt (zie ook boven).

Over arbeidsinkomen van een zelfstandige, pensioen, lijfrente en partneralimentatie is de IAB 4,85%, dus zijn de AOW-min totaaltarieven IB/PVV/IAB (incl. 2,32% afbouw van de algemene heffingskorting) hierbij: 41,35%, 49,17%, 42%, en 52%, met een brede 49,17%-schijf (tweede en groot deel derde schijf).

De premie voor de nieuwe Wet langdurige zorg is 3%-punt lager dan de vervallen AWBZ-premie bedroeg, en de IB-tarieven van de 1e en 2e schijf zijn (los van de andere wijziging hierin) met 3%-punt verhoogd.

De afbouw geschiedt tot een inkomen van € 56.934, iets minder dan de bovengrens van de derde schijf.

Schijventarief 2016[bewerken]

Schijf Belastbaar inkomen uit werk en woning Belastingtarief Tarief premie volksverzekeringen Totaaltarief
AOW-min AOW'er AOW-min AOW'er
1 € 0 tot en met € 19.922 8,4% 28,15% 10,25% 36,55% 18,65%
2 € 19.923 tot en met € 33.715 12,25% 28,15% 10,25% 40,4% 22,5%
3 € 33.716 tot € 66.421 40,4% 40,4%
4 Vanaf € 66.421 52% 52%

Inclusief afbouw van de algemene heffingskorting (AOW-min 4,796%, AOW'er 2,444%):

Schijf Belastbaar inkomen uit werk en woning Totaaltarief
AOW-min AOW'er
1 € 0 tot € 19.922 36,55% 18,65%
2 € 19.922 tot € 33.715 45,196% 24,944%
3 € 33.715 tot € 66.421 45,196% 42,844%
4 Vanaf € 66.421 52%

AOW-min geldt tot de eerste dag van de maand waarin men de AOW-leeftijd (65 jaar en 6 maanden) bereikt, AOW'er geldt vanaf die dag. Voor belastingplichtigen die zijn geboren vóór 1946 is de bovengrens van de tweede schijf iets hoger, wat het totaaltarief bij een inkomen in box 1 vanaf de 3e schijf iets lager maakt (zie ook boven).

Over arbeidsinkomen van een zelfstandige, pensioen, lijfrente en partneralimentatie is de IAB 5,5% over maximaal ongeveer € 52.000, dus zijn de AOW-min totaaltarieven IB/PVV/IAB (incl. afbouw van de algemene heffingskorting) hierbij: 42,05%, 50,696%, 45,196% en 52%, met een brede 50,696%-schijf (tweede en eerste deel derde schijf). Voor AOW'ers: 24,15%, 30,444%, 48,344%, 42,844% en 52%.

Houdbaarheidsbijdrage[bewerken]

Bij het schijventarief voor de inkomstenbelasting wordt in het kader van de zogenaamde houdbaarheidsbijdrage[6] onderscheid gemaakt tussen belastingplichtigen die zijn geboren vóór 1946 (voor hen geldt de maatregel niet) en belastingplichtigen die zijn geboren na 1945.[7]

De maatregel behelst voor laatstgenoemden met ingang van 2011 dat de bovengrens van de tweede schijf maar voor 75% geïndexeerd wordt, zodat vergeleken met volledige indexatie de tweede schijf verkort wordt en de derde schijf verlengd.[8] Aangezien voor belastingplichtigen jonger dan de AOW-leeftijd de totaaltarieven van de tweede en derde schijf sinds 2013 gelijk zijn is deze maatregel alleen van belang voor belastingplichtigen vanaf de AOW-leeftijd, die geboren zijn na 1945 en dan uiteraard alleen nog bij inkomsten in box 1 hoger dan de bovengrens van de tweede schijf.

De houdbaarheidsbijdrage betreft een verdere, zeer geleidelijke fiscalisering van de AOW, met in principe als eindresultaat het combineren van de tweede en derde schijf, waarbij voor belastingplichtigen vanaf de AOW-leeftijd het totaaltarief alleen nog in de eerste schijf lager is dan voor anderen. Er wordt vaak van uitgegaan dat dit vervolgens wordt toegepast op de bovengrens van de eerste schijf. Gezien de netto-netto koppeling van de AOW-uitkering aan het minimumloon is het eindresultaat materieel bereikt als de bovengrens van de eerste schijf gelijk is aan de AOW-uitkering, en kan de fiscalisering vervolgens in één keer voltooid worden. Schattingen geven aan dat fiscalisering zo in ca. 2150-2200 voltooid is[9] of (Commissie Van Dijkhuizen) in 2075[10]

In 2010 was de bovengrens van de tweede schijf € 32.738. De inflatiecorrectie voor 2011 van 0,6% was dus € 196, en 75% hiervan is € 147, d.i. € 49 minder. Het verschil tussen het totale tarief van de tweede en derde schijf voor belastingplichtigen vanaf de AOW-leeftijd is 17,95%, dus in 2011 was de effectieve houdbaarheidsbijdrage slechts maximaal € 9 op jaarbasis. Voor 2012 was de inflatiecorrectie 1,7%, en bedroeg de houdbaarheidsbijdrage (cumulatief effect m.b.t. twee inflatiecorrecties) € 34.[11] In 2013 en 2014 [12] is de houdbaarheidsbijdrage € 36. Over 2015 is het verschil € 89. Uiteindelijk gaat het om een begroot bedrag van maximaal € 950 per jaar in 2030.

Loonbelasting[bewerken]

De Nederlandse loonbelasting wordt geheven over de volgende onderdelen van box 1:

De loonbelasting is in principe een voorheffing van de inkomstenbelasting, dat wil zeggen de betaalde loonbelasting komt geheel in mindering van de verschuldigde inkomstenbelasting, en als de betaalde loonbelasting meer is dan de in totaal verschuldigde inkomstenbelasting (op basis van de inkomsten in alle boxen) wordt het meerdere terugbetaald. Er gelden dan ook overeenkomstige schijventarieven. In bepaalde gevallen is de loonbelasting echter een zogenoemde eindheffing.

Middeling[bewerken]

Als in drie opeenvolgende kalenderjaren de inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen (in het vervolg: IB/PVV) in box 1 (zonder aftrek van heffingskortingen en op basis van de leeftijd bij aanvang van de periode van drie jaar[13]) samen meer is dan als het totale inkomen in deze box gelijk verdeeld zou zijn over de drie kalenderjaren, en het verschil is meer dan het drempelbedrag van € 545, dan kan men dit meerdere (de middelingsteruggaaf) terugkrijgen.

Als door de middeling bijvoorbeeld 20.000 euro zou verhuizen van een schijf van 42% naar een schijf van 37% dan zou de IB/PVV 1000 euro minder worden. Men krijgt dan 1000 euro min 545 euro is 455 euro terug.

Doordat geen rekening gehouden wordt met heffingskortingen kan de middelingsregeling niet gebruikt worden om heffingskortingen meer te benutten. De heffingskortingen worden niet volledig benut als in een kalenderjaar de verschuldigde belasting vóór toepassing van de heffingskortingen in totaal minder is dan het totaal aan heffingskortingen waar men in principe recht op heeft. Ook al is de IB/PVV na middeling wel meer in elk jaar, men krijgt dan toch niet meer heffingskorting: de verlaging van de heffingskorting wegens de regel "De gecombineerde heffingskorting bedraagt maximaal het bedrag van de gecombineerde inkomensheffing" wordt gehandhaafd ("gecombineerd" slaat hier op combinatie van IB en PVV, niet op combinatie van de drie jaren). Zie ook verschil, ten aanzien van middeling, met een tarief met een schijf van 0% en benutting algemene heffingskorting.

Verliesverrekening[bewerken]

Een verlies (doordat men bijvoorbeeld verlies uit een onderneming had, of weinig inkomen uit werk maar wel hypotheekrente-aftrek) wordt niet verrekend met positief inkomen in een andere box, maar onder voorwaarden wel met een positief inkomen in box 1 van een ander jaar. Indien men in vorige jaren een negatief inkomen uit werk en woning had, wordt dit eerst verrekend met een positief inkomen in box 1 uit de afgelopen 3 jaar, te beginnen met het oudste jaar. Indien dit niet mogelijk is, of als er niet genoeg positief inkomen in box 1 is om mee te verrekenen, wordt het (resterende) verlies in de komende negen jaar verrekend met eventueel positief inkomen in box 1.

Overigens betekent een vermindering van het inkomen in box 1 in het andere jaar niet altijd een vermindering van de in totaal over dat jaar verschuldigde inkomstenbelasting, namelijk niet als die door heffingskortingen al nul was. Het betreffende verliesbedrag geldt dan toch als verrekend, al wordt het effect van de verrekening dan dus tenietgedaan door het niet of minder kunnen benutten van de heffingskortingen.

Toekomst[bewerken]

Wijziging percentages schijventarief en verdere verlaging aftrektarief kosten eigen woning[bewerken]

Het Belastingplan 2014 bepaalt dat met ingang van 2016 het tarief van de eerste schijf verhoogd wordt met 0,06 %-punt. Samen met het Belastingplan 2016 resulteert dit in het bovenvermelde tarief.

De Wet maatregelen woningmarkt 2014 II regelt dat geleidelijk het gecombineerde tarief in de tweede schijf en het tarief in de derde schijf wordt verlaagd van 42% naar 38% in 2042, en wel vanaf 2018 achtereenvolgens negen keer met 0,05 %-punt per jaar, vijf keer met 0,1 %-punt per jaar, drie keer met 0,15 %-punt per jaar, vier keer met 0,2 %-punt per jaar, een keer met 0,3 %-punt, en drie keer met 0,5 %-punt per jaar. Ook het tarief van de vierde schijf wordt verlaagd, en wel zo dat dit tarief 10 %-punt hoger blijft dan het tarief in de tweede en derde schijf, totdat het 49,5% is in 2039, waarna uitsluitend het tarief in de tweede en derde schijf, zoals gezegd, drie keer met 0,5 %-punt per jaar daalt.[14]

Het aftrektarief kosten eigen woning, dat in 2016 50,5% bedraagt, daalt jaarlijks met 0,5 %-punt, maar wordt niet lager dan het tarief in de tweede en derde schijf. In 2037 is het 40%, net als het tarief in de tweede en derde schijf. Vervolgens blijft het daaraan gelijk, en daalt dus mee: een keer met 0,2 %-punt, een keer met 0,3 %-punt, en drie keer met 0,5 %-punt per jaar.

Het gereduceerde belastingtarief voor inkomen besteed aan kosten eigen woning is steeds het tarief in de vierde schijf, verminderd met het aftrektarief. In 2016 bedraagt het dus 1,5% (zie ook boven), het is 2% in 2017, en stijgt vervolgens achtereenvolgens negen keer met 0,45 %-punt per jaar tot 6,05% in 2026, vijf keer met 0,4 %-punt per jaar tot 8,05% in 2031, drie keer met 0,35 %-punt per jaar tot 9,1% in 2034, drie keer met 0,3 %-punt per jaar tot 10% in 2037. Het blijft vervolgens twee keer gelijk, en vanaf 2040 stijgt het weer, en wel drie keer met 0,5 %-punt per jaar tot 11,5% in 2042.

Zoals altijd ligt het tarief van de tweede schijf voor AOW'ers steeds 17,9 %-punt lager dan de bovengenoemde percentages voor wie jonger is.

De wetstechnische vormgeving is als volgt. De Wet maatregelen woningmarkt 2014 II wijzigt met ingang van vele toekomstige jaren de Wet inkomstenbelasting 2001, onder meer in die zin dat deze met ingang van 1 januari van elk betreffend jaar de in art. 2.10, eerste lid, IB opgenomen percentages van het tarief in de tweede, derde en eventueel vierde schijf met het aangegeven aantal %-punt verlaagt.

Artikel 10.2a IB (Jaarlijkse aanpassing correctie tarief aftrekbare kosten eigen woning) bepaalt dat bij het begin van het kalenderjaar het in artikel 2.10, tweede lid vermelde percentage (het gereduceerde belastingtarief voor inkomen besteed aan kosten eigen woning) verhoogd wordt met 0,5%-punt en vervolgens verminderd of vermeerderd wordt met eenzelfde aantal procentpunten als het aantal procentpunten waarmee het tarief van de vierde schijf wordt verlaagd, respectievelijk verhoogd. Het wordt echter niet meer dan het verschil tussen het tarief van de vierde en dat van de derde schijf. Voor het geval het tarief van de vierde schijf met een andere wijzigingswet in enig jaar zou worden verlaagd tot onder het beoogde aftrektarief van dat jaar, wordt alvast bepaald dat het gereduceerde belastingtarief voor inkomen besteed aan kosten eigen woning dan niet negatief wordt maar nul, dus dat het aftrektarief dan extra verlaagd wordt, tot het nieuwe tarief van de vierde schijf.

Verlenging derde schijf[bewerken]

De Wet maatregelen woningmarkt 2014 II wijzigt met ingang van vele toekomstige jaren de Wet inkomstenbelasting 2001 ook in die zin dat de derde schijf jaarlijks wordt verlengd, met bedragen die dalen van € 540 in 2015 naar € 10 in 2037 en 2038, en vervolgens € 435 in 2039, € 490 in 2040, € 1830 in 2041, en verreweg de grootste verlenging met € 11.700 in 2042, waarbij de bovengrens van de derde schijf van € 68.481 naar € 80.181 gaat.

Bij het bovengenoemde alternatief (waarbij ook het percentage in de vierde schijf wordt verlaagd) gaat de verlenging van de derde schijf iets sneller, maar stopt deze als de bovengrens van de derde schijf in 2031 € 66.086 bedraagt.

Winstbox[bewerken]

Volgens het Regeerakkoord 2012 komt er een winstbox: een aparte box voor winst. Daarbij worden fiscale faciliteiten in versoberde vorm omgezet in een lager en meer proportioneel tarief voor ondernemers.

Commissie Van Dijkhuizen[bewerken]

De Commissie Van Dijkhuizen stelt voor de eerste drie schijven samen te voegen tot één schijf met een totaaltarief van 37%[15] en het tarief van de vierde (dan tweede) schijf te verlagen tot 49%, met de grens bij een inkomen van ongeveer € 62.500.

De Commissie Van Dijkhuizen stelt bovendien voor de AOW-premie geleidelijk door belasting te vervangen (versnelde fiscalisering).[16] De AOW-premie van 17,9% wordt vanaf 2014 in jaarlijkse stappen van 1 procentpunt in 18 stappen vervangen door een verhoging van de belasting. Als de eerste per 1 januari 2014 is dan is de laatste per 1 januari 2031 (volgens het rapport in 2032).

Het totaaltarief voor wie de AOW-leeftijd nog niet heeft bereikt (in 2013 in de huidige eerste schijf 37% en in de huidige tweede schijf 42%) wordt in 2014 37%, dus wordt (bij gelijkblijvende premies Anw en AWBZ, samen 13,25%) de belasting 6,85% (1 procentpunt meer dan in 2013 in de eerste schijf en 4% minder dan in 2013 in de tweede schijf) en de AOW-premie 16,9%. In 2015 wordt de belasting 7,85% en de AOW-premie 15,9%, enz. In 2031 wordt de belasting 23,75% en de AOW-premie nul. Het totaaltarief voor wie de AOW-leeftijd heeft bereikt (in 2013 in de huidige eerste schijf 19,1% en in de huidige tweede schijf 24,1%) wordt dus in 2014 20,1%[17], in 2015 21,1%, enz. In 2031 wordt het dan 37%, net als voor anderen.

Voor wat betreft het AOW-deel van het inkomen levert dit voor de AOW-gerechtigde in combinatie met de hogere algemene heffingskorting geen nadeel op door de netto-netto koppeling van de AOW-uitkering aan het minimumloon.

Het nadeel van fiscalisering van de AOW zou zonder verdere tariefwijzigingen voor iemand die de AOW-leeftijd heeft bereikt zijn 17,9% van maximaal ongeveer € 33.000 min € 13.000, is ongeveer € 3600 per jaar. Als wordt meegerekend dat het tarief van de huidige tweede schijf 37% wordt is het nadeel maximaal ongeveer € 2900 (maar tegenover die "verlaging" van het tarief staat in het voorstel wel verhoging van de btw, enz.).

De fiscalisering komt materieel neer op onder meer een (extra) "korting" op de aanvullende pensioenen en lijfrenten van (voor zover binnen de huidige eerste schijf) 17,9 procentpunt op 75,9% (100% min 19,1% totaalpremie en 5% IAB), is 24%.

Daarnaast betekent het het afschaffen van het fiscale voordeel van werken na de AOW-leeftijd.

Daar staat tegenover dat fiscalisering het voordeel van hypotheekrenteaftrek (voor zover men daar op deze leeftijd nog aanspraak op kan maken gezien de maximumtermijn van 30 jaar) groter wordt.

Per saldo levert het een koopkrachtdaling op tot 12% (dit maximum treedt op bij een inkomen van € 33.000, de bovengrens van de huidige tweede schijf)[18].

Geschiedenis[bewerken]

Tot 2001 gold er een schijventarief voor het gehele inkomen.

Tot 2001 waren kosten voor het verwerven van loon aftrekbaar, deels forfaitair (onder meer via de 4%-regeling). Nu is er alleen nog reisaftrek.

Zie ook[bewerken]

Externe link[bewerken]