Box 1

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

In de Nederlandse Wet inkomstenbelasting 2001 is box 1 een categorie inkomsten: het belastbaar inkomen uit werk en woning.[1] Het is het inkomen uit werk en woning verminderd met de te verrekenen verliezen uit werken en woning.

Het inkomen uit werk en woning[bewerken]

Het inkomen uit werk en woning[2] bestaat uit:

verminderd met:

De persoonsgebonden aftrek vermindert het inkomen uit werk en woning van het kalenderjaar, maar niet verder dan tot nihil. Het inkomen uit werk en woning kan wel negatief zijn, maar het wordt dus niet negatief of sterker negatief door de persoonsgebonden aftrek.

Het belastbaar inkomen uit werk en woning is het inkomen uit werk en woning verminderd met de te verrekenen verliezen uit werk en woning.

Belang van de inkomsten in box 1 voor andere regelingen[bewerken]

De inkomsten in box 1 bepalen niet alleen gedeeltelijk het bedrag van de inkomstenbelasting. Ook de heffing van de premie voor de volksverzekeringen (PVV) neemt als basis het box 1 inkomen tot maximaal de bovengrens van de tweede schijf. In artikel 8 van de Wet financiering sociale verzekeringen (Wfsv) wordt dit inkomen als premie-inkomen benoemd op basis waarop bij aanslag de premie wordt geheven.

De premie volksverzekeringen betreft Anw (2017: 0,1%), Wlz (2017: 9,65%) en tot de eerste dag van de maand waarin men de AOW-leeftijd bereikt[9] 17,9% AOW [10], met dien verstande dat men in het kalenderjaar waarin men de AOW-leeftijd bereikt een tijdsevenredig percentage AOW-premie betaalt over de inkomsten in box 1 in dat hele kalenderjaar. Zie ook onder.

De items winst uit onderneming, loon en resultaat uit overige werkzaamheden zijn van toepassing voor de berekening van de inkomensafhankelijke bijdrage van de zorgverzekering. Wanneer die wordt meegerekend is het tarief niet meer helemaal progressief: het wordt lager bij het bereiken van de maximale grondslag van de bijdrage zorgverzekering.

Het inkomen in box 1 vóór toepassing van de persoonsgebonden aftrek draagt ook bij aan het drempelinkomen (van belang voor bepaalde vormen van persoonsgebonden aftrek) en voor het verzamelinkomen, dat bij diverse inkomensafhankelijke regelingen de basis vormt.

Tarief[bewerken]

De belasting is de som van de volgende componenten:

  • De belasting over het inkomen uit werk en woning, volgens een schijventarief zoals aangegeven in onderstaande tabellen (bij een negatief inkomen uit werk en woning € 0; zie ook verliesverrekening, verderop); het resultaat wordt naar beneden afgerond op hele euro's.
  • Wegens de tariefsaanpassing aftrek kosten eigen woning eventueel belasting over het bedrag van de aftrekbare kosten eigen woning, tegen een gereduceerd tarief: het reguliere tarief in de laatste schijf, verminderd met het zogenoemde aftrektarief.

Op deze belasting plus die over box 2 en box 3 worden nog heffingskortingen toegepast. Daarvan zijn sommige zelf ook afhankelijk van inkomensbestanddelen.

Schijventarief 2017[bewerken]

Schijf Belastbaar inkomen uit werk en woning Belastingtarief Tarief premie volksverzekeringen Totaaltarief
AOW-min AOW'er AOW-min AOW'er
1 € 0 tot en met € 19.981 8,9% 27,65% 9,75% 36,55% 18,65%
2 € 19.982 tot en met € 33.790 13,15% 27,65% 9,75% 40,8% 22,9%
3 € 33.791 tot € 67.071 40,8% 40,8%
4 Vanaf € 67.072 52% 52%

AOW-min geldt tot de eerste dag van de maand waarin men de AOW-leeftijd (65 jaar en 9 maanden) bereikt, AOW'er geldt vanaf die dag. Voor belastingplichtigen die zijn geboren vóór 1946 is de bovengrens van de tweede schijf iets hoger, wat het totaaltarief bij een inkomen in box 1 vanaf de 3e schijf iets lager maakt (zie ook boven).

Over arbeidsinkomen van een zelfstandige, pensioen, lijfrente en partneralimentatie is de IAB 5,4% over maximaal € 53.701.

Schijventarief 2018[bewerken]

Schijf Belastbaar inkomen uit werk en woning Belastingtarief Tarief premie volksverzekeringen Totaaltarief
AOW-min AOW'er AOW-min AOW'er
1 € 0 tot € 20.142 8,9% 27,65% 9,75% 36,55% 18,65%
2 € 20.142 tot € 33.994 13,2% 27,65% 9,75% 40,85% 22,95%
3 € 33.994 tot € 68.507 40,85% 40,85%
4 Vanaf € 68.507 51,95% 51,95%

AOW-min geldt tot de eerste dag van de maand waarin men de AOW-leeftijd (66 jaar) bereikt, AOW'er geldt vanaf die dag. Voor belastingplichtigen die zijn geboren vóór 1946 is de bovengrens van de tweede schijf iets hoger, wat het totaaltarief bij een inkomen in box 1 vanaf de 3e schijf iets lager maakt (zie ook boven).

Inclusief afbouw van de algemene heffingskorting (AOW-min 4,683%, AOW'er 2,390%):

Schijf Belastbaar inkomen uit werk en woning Totaaltarief
AOW-min AOW'er
1 € 0 tot € 20.142 36,55% 18,65%
2 € 20.142 tot € 33.994 45,533% 25,34%
3 € 33.994 tot € 68.507 45,533% 43,24%
4 Vanaf € 68.507 51,95%

Een en ander is gebaseerd op eerdere wetswijzigingen en op indexatie. Het aanhangige Belastingplan 2018 en het regeerakkoord 2017 bevatten voor 2018 geen wijzigingen met betrekking tot box 1.

Houdbaarheidsbijdrage[bewerken]

Bij het schijventarief voor de inkomstenbelasting wordt in het kader van de zogenaamde houdbaarheidsbijdrage[11] onderscheid gemaakt tussen belastingplichtigen die zijn geboren vóór 1946 (voor hen geldt de maatregel niet) en belastingplichtigen die zijn geboren na 1945.[12]

De maatregel behelst voor laatstgenoemden met ingang van 2011 dat de bovengrens van de tweede schijf maar voor 75% geïndexeerd wordt, zodat vergeleken met volledige indexatie de tweede schijf verkort wordt en de derde schijf verlengd.[13] Aangezien voor belastingplichtigen jonger dan de AOW-leeftijd de totaaltarieven van de tweede en derde schijf sinds 2013 gelijk zijn is deze maatregel alleen van belang voor belastingplichtigen vanaf de AOW-leeftijd, die geboren zijn na 1945 en dan uiteraard alleen nog bij inkomsten in box 1 hoger dan de bovengrens van de tweede schijf.

De houdbaarheidsbijdrage betreft een verdere, zeer geleidelijke fiscalisering van de AOW, met in principe als eindresultaat het combineren van de tweede en derde schijf, waarbij voor belastingplichtigen vanaf de AOW-leeftijd het totaaltarief alleen nog in de eerste schijf lager is dan voor anderen. Er wordt vaak van uitgegaan dat dit vervolgens wordt toegepast op de bovengrens van de eerste schijf. Gezien de netto-netto koppeling van de AOW-uitkering aan het minimumloon is het eindresultaat materieel bereikt als de bovengrens van de eerste schijf gelijk is aan de AOW-uitkering, en kan de fiscalisering vervolgens in één keer voltooid worden. Schattingen geven aan dat fiscalisering zo in ca. 2150-2200 voltooid is[14] of (Commissie Van Dijkhuizen) in 2075[15]

In 2010 was de bovengrens van de tweede schijf € 32.738. De inflatiecorrectie voor 2011 van 0,6% was dus € 196, en 75% hiervan is € 147, d.i. € 49 minder. Het verschil tussen het totale tarief van de tweede en derde schijf voor belastingplichtigen vanaf de AOW-leeftijd is 17,95%, dus in 2011 was de effectieve houdbaarheidsbijdrage slechts maximaal € 9 op jaarbasis. Voor 2012 was de inflatiecorrectie 1,7%, en bedroeg de houdbaarheidsbijdrage (cumulatief effect m.b.t. twee inflatiecorrecties) € 34.[16] In 2013 en 2014 [17] is de houdbaarheidsbijdrage € 36. Over 2015 is het verschil € 89. Uiteindelijk gaat het om een begroot bedrag van maximaal € 950 per jaar in 2030.

Loonbelasting[bewerken]

De Nederlandse loonbelasting wordt geheven over de volgende onderdelen van box 1:

De loonbelasting is in principe een voorheffing van de inkomstenbelasting, dat wil zeggen de betaalde loonbelasting komt geheel in mindering van de verschuldigde inkomstenbelasting, en als de betaalde loonbelasting meer is dan de in totaal verschuldigde inkomstenbelasting (op basis van de inkomsten in alle boxen) wordt het meerdere terugbetaald. Er gelden dan ook overeenkomstige schijventarieven. In bepaalde gevallen is de loonbelasting echter een zogenoemde eindheffing.

Middeling[bewerken]

Als in drie opeenvolgende kalenderjaren de inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen (in het vervolg: IB/PVV) exclusief de eventuele belasting over het bedrag van de aftrekbare kosten eigen woning, in box 1 (zonder aftrek van heffingskortingen en op basis van de leeftijd bij aanvang van de periode van drie jaar[18]) samen meer is dan als het totale inkomen in deze box gelijk verdeeld zou zijn over de drie kalenderjaren, en het verschil is meer dan het drempelbedrag van € 545, dan kan men dit meerdere (de middelingsteruggaaf) terugkrijgen. Deze jaren vormen dan het middelingstijdvak.

Als door de middeling bijvoorbeeld € 20.000 zou verhuizen van een schijf 2/3 van 41% naar een schijf 1 van 37% dan zou de IB/PVV € 800 euro minder worden. Men krijgt dan € 800 min € 545 is € 255 terug. In dit geval levert het verhuizen van € 13.625 niets op, en krijgt men 4% van € 6.375 terug.

Doordat geen rekening gehouden wordt met heffingskortingen kan de middelingsregeling niet gebruikt worden om heffingskortingen meer te benutten. De heffingskortingen worden niet volledig benut als in een kalenderjaar de verschuldigde belasting vóór toepassing van de heffingskortingen in totaal minder is dan het totaal aan heffingskortingen waar men in principe recht op heeft. Ook al is de IB/PVV na middeling wel meer in elk jaar, men krijgt dan toch niet meer heffingskorting: de verlaging van de heffingskorting wegens de regel "De gecombineerde heffingskorting bedraagt maximaal het bedrag van de gecombineerde inkomensheffing" wordt gehandhaafd ("gecombineerd" slaat hier op combinatie van IB en PVV, niet op combinatie van de drie jaren). Zie ook verschil, ten aanzien van middeling, met een tarief met een schijf van 0% en benutting algemene heffingskorting.

Doordat geen rekening gehouden wordt met de afbouw naar inkomen van de algemene heffingskorting wijkt het effect van de middelingsregeling, nog afgezien van de € 545 die eraf gaat, behoorlijk af van het effect van daadwerkelijk elk jaar het gemiddelde inkomen hebben. Het fictief verschuiven van inkomen van box 2/3 naar box 1 heeft hierdoor een veel kleiner effect dan het daadwerkelijk verschuiven (omdat bij het laatste ook de afbouw minder zou worden), terwijl het fictief verschuiven van inkomen van box 4 naar box 2/3 juist een groter effect heeft dan het daadwerkelijk verschuiven (omdat bij het laatste de afbouw meer zou worden). Bij een afbouwpercentage van 5% zou echte middeling in het voorbeeld betekenen dat € 20.000 zou verhuizen van een schijf van effectief 46% naar een schijf van 37%; de IB/PVV zou dan € 1800 euro minder worden. Men zou dan € 1800 min € 545 is € 1255 terug moeten krijgen. Als door de middeling € 20.000 zou verhuizen van een schijf 4 van 52% naar een schijf 2/3 van 41% zou de IB/PVV € 2200 euro minder worden. Men krijgt dan € 2200 min € 545 is € 1655 terug. Bij een afbouwpercentage van 5% zou echte middeling in het voorbeeld betekenen dat € 20.000 zou verhuizen van een schijf van 52% naar een schijf van effectief 46%; de IB/PVV zou dan € 1200 euro minder worden. Men zou dan € 1200 min € 545 is € 655 terug moeten krijgen.

Toekomst[bewerken]

Als het nieuwe schijvenstelsel volgens de plannen van het regeerakkoord 2017 (zie onder) in 2019 ingaat, kan middeling met een middelingstijdvak beginnend in of na 2019 alleen nog aan de orde zijn als er inkomen is in de laatste schijf, en in het geval van een middelingstijdvak dat begint op of na de dag van het bereiken van de AOW-leeftijd.


Schuiven met inkomen[bewerken]

Soms heeft iemand bepaalde keuzemogelijkheden ten aanzien van de verdeling van inkomen in box 1 over kalenderjaren, bijvoorbeeld de keuze van een pensioen- of lijfrente-ingangsdatum[19]. Voor zover de laatste schijf niet bereikt wordt gaat volgens het regeerakkoord 2017 een vast schijventarief gelden; samen met de afbouw van de algemene heffingskorting is dit ongeveer 42%. Ook de IAB is een vast percentage. Ten opzichte van dit vaste tarief zijn er potentiële voordeelmogelijkheden die men zou kunnen proberen maximaal te benutten:

  • Maximaal benutten van het feit dat per saldo geen belasting wordt betaald over inkomen waar heffingskortingen tegenover staan, dus voorkomen dat heffingskortingen niet volledig kunnen worden benut door een te laag inkomen in de drie boxen. In box 1 is het voordeel ongeveer 42% van het betreffende inkomen (inclusief het hieronder genoemde tweede voordeel, en het eventuele derde).
  • Maximaal benutten van het afbouwvrije eerste inkomenstraject van de algemene heffingskorting (tot ongeveer € 20.000 in box 1). Het voordeel is ongeveer 5% van het betreffende inkomen.
  • Maximaal benutten van de vrijstelling van betaling van AOW-premie voor AOW-gerechtigden (heeft betrekking op het inkomen in box 1 tot ongeveer € 34.000). Het voordeel is 17,9% van het betreffende inkomen.

Ook toeslagen en inkomensgrenzen voor sociale huur kunnen een rol spelen.

Verliesverrekening[bewerken]

Een verlies (doordat men bijvoorbeeld verlies uit een onderneming had, of weinig inkomen uit werk maar wel hypotheekrente-aftrek) wordt niet verrekend met positief inkomen in een andere box, maar onder voorwaarden wel met een positief inkomen in box 1 van een ander jaar. Indien men in vorige jaren een negatief inkomen uit werk en woning had, wordt dit eerst verrekend met een positief inkomen in box 1 uit de afgelopen 3 jaar, te beginnen met het oudste jaar. Indien dit niet mogelijk is, of als er niet genoeg positief inkomen in box 1 is om mee te verrekenen, wordt het (resterende) verlies in de komende negen jaar verrekend met eventueel positief inkomen in box 1.

Overigens betekent een vermindering van het inkomen in box 1 in het andere jaar niet altijd een vermindering van de in totaal over dat jaar verschuldigde inkomstenbelasting, namelijk niet als die door heffingskortingen al nul was. Het betreffende verliesbedrag geldt dan toch als verrekend, al wordt het effect van de verrekening dan dus tenietgedaan door het niet of minder kunnen benutten van de heffingskortingen.

Toekomst[bewerken]

Wijziging percentages schijventarief en verdere verlaging aftrektarief kosten eigen woning[bewerken]

De artikelen 3.7 t/m 3.31 van de Wet maatregelen woningmarkt 2014 II wijzigen met ingang van respectievelijk 2018 t/m 2042 de tarieven van box 1. Ze regelen dat geleidelijk het gecombineerde tarief in de tweede schijf en het tarief in de derde schijf tot en met 2042 in totaal met 4 %-punt wordt verlaagd, en wel vanaf 2018 achtereenvolgens negen keer met 0,05 %-punt per jaar, vijf keer met 0,1 %-punt per jaar, drie keer met 0,15 %-punt per jaar, vier keer met 0,2 %-punt per jaar, een keer met 0,3 %-punt, en drie keer met 0,5 %-punt per jaar. Het tarief van de vierde schijf wordt tot en met 2039 met dezelfde percentages verlaagd, in totaal dus met 2,5 %-punt.[20]

Het Belastingplan 2016 verhoogt aanvullend het tarief van de tweede en derde schijf met 0,1%-punt in de jaren 2018, 2020 en 2023 en met 0,05%-punt in de jaren 2019, 2021, 2022 en 2024 tot en met 2031, dus in totaal met 0,85%-punt. Gecombineerd met het bovenstaande regelen ze dus dat het tarief in de tweede en derde schijf tot en met 2042 per saldo met 3,15 %-punt wordt verlaagd, en wel in 2018, 2020 en 2023 wordt verhoogd met 0,05 %-punt, en vanaf 2027 achtereenvolgens vijf keer met 0,1 %-punt per jaar verlaagd wordt, drie keer met 0,15 %-punt per jaar, vier keer met 0,2 %-punt per jaar, een keer met 0,3 %-punt, en drie keer met 0,5 %-punt per jaar.[21]

Het aftrektarief kosten eigen woning, dat in 2017 50% bedraagt, daalt jaarlijks met 0,5 %-punt, maar wordt niet lager dan het tarief in de tweede en derde schijf. In 2037 is het 40%, net als het tarief in de tweede en derde schijf. Vervolgens blijft het daaraan gelijk, en daalt dus mee: een keer met 0,2 %-punt, een keer met 0,3 %-punt, en drie keer met 0,5 %-punt per jaar.

Het gereduceerde belastingtarief voor inkomen besteed aan kosten eigen woning is steeds het tarief in de vierde schijf, verminderd met het aftrektarief. In 2017 bedraagt het dus 2% (zie ook boven), en stijgt het achtereenvolgens negen keer met 0,45 %-punt per jaar tot 6,05% in 2026, vijf keer met 0,4 %-punt per jaar tot 8,05% in 2031, drie keer met 0,35 %-punt per jaar tot 9,1% in 2034, drie keer met 0,3 %-punt per jaar tot 10% in 2037. Het blijft vervolgens twee keer gelijk, en vanaf 2040 stijgt het weer, en wel drie keer met 0,5 %-punt per jaar tot 11,5% in 2042.

Zoals altijd ligt het tarief van de tweede schijf voor AOW'ers steeds 17,9 %-punt lager dan de bovengenoemde percentages voor wie jonger is.

De wetstechnische vormgeving is als volgt. De Wet maatregelen woningmarkt 2014 II wijzigt met ingang van vele toekomstige jaren de Wet inkomstenbelasting 2001, onder meer in die zin dat deze met ingang van 1 januari van elk betreffend jaar de in art. 2.10, eerste lid, IB opgenomen percentages van het tarief in de tweede, derde en eventueel vierde schijf met het aangegeven aantal %-punt verlaagt.

Artikel 10.2a IB (Jaarlijkse aanpassing correctie tarief aftrekbare kosten eigen woning) bepaalt dat bij het begin van het kalenderjaar het in artikel 2.10, tweede lid vermelde percentage (het gereduceerde belastingtarief voor inkomen besteed aan kosten eigen woning) verhoogd wordt met 0,5%-punt en vervolgens verminderd of vermeerderd wordt met eenzelfde aantal procentpunten als het aantal procentpunten waarmee het tarief van de vierde schijf wordt verlaagd, respectievelijk verhoogd. Het wordt echter niet meer dan het verschil tussen het tarief van de vierde en dat van de derde schijf. Voor het geval het tarief van de vierde schijf met een andere wijzigingswet in enig jaar zou worden verlaagd tot onder het beoogde aftrektarief van dat jaar, wordt alvast bepaald dat het gereduceerde belastingtarief voor inkomen besteed aan kosten eigen woning dan niet negatief wordt maar nul, dus dat het aftrektarief dan extra verlaagd wordt, tot het nieuwe tarief van de vierde schijf.

Met ingang van 2018 wordt de 2% dus verhoogd met 0,5%-punt en vervolgens verminderd met eenzelfde aantal procentpunten als het aantal procentpunten waarmee het tarief van de vierde schijf wordt verlaagd, te weten 0,05 %-punt, met als resultaat 2,45 % (per saldo een verhoging met 0,45 %-punt, zoals hierboven al vermeld). Het aftrektarief kosten eigen woning bedraagt in 2018 dus 49,5%.

Verlenging derde schijf[bewerken]

De Wet maatregelen woningmarkt 2014 II na toepassing van het Belastingplan 2016 en de bijstellingsregelingen t/m Bijstellingsregeling directe belastingen 2017 wijzigt met ingang van de jaren 2018 t/m 2031 de Wet inkomstenbelasting 2001 ook in die zin dat de derde schijf jaarlijks wordt verlengd, met € 891 in elk van de jaren 2018 t/m 2021 (art. 3.7 t/m 3.10), € 886 in elk van de jaren 2022 t/m 2025, en vervolgens licht afnemende bedragen in elk van de jaren 2026 t/m 2031. [22]. De bovengrens van de derde schijf wordt daarnaast ook hoger door de inflatiecorrectie. In 2018 is deze grens bijvoorbeeld in totaal € 1435 hoger dan in 2017.

Regeerakkoord 2017[bewerken]

Regeerakkoord 2017:

Er wordt een zogenoemd "tweeschijvenstelsel" ingevoerd met een basistarief van 36,93% en een toptarief van 49,5% (qua belastingopbrengst grotendeels ingaand in 2019, en deels in 2020 en 2021). De eerste schijf bestaat uit een deel waarover premies volksverzekeringen zijn verschuldigd (zoals nu in de eerste en tweede schijf) en een deel waarbij hetzelfde totale tarief alleen uit belasting bestaat (zoals nu in de derde schijf, in relatie tot de tweede schijf). Voor AOW-gerechtigden worden het dus drie schijven. Het aantal schijven (nu vier, maar voor niet-AOW-gerechtigden effectief drie, en voor AOW-gerechtigden daadwerkelijk vier) wordt dus voor beide groepen effectief één minder, door afschaffing van de huidige eerste schijf. Bij de huidige manier van tellen wordt het een tarief van drie schijven. Het beginpunt van de laatste schijf wordt gedurende de kabinetsperiode bevroren op niveau 2018 van het beginpunt van de huidige laatste, dit is op ca. € 68.600.

De maximale algemene heffingskorting wordt verhoogd. Waar de afbouw begint (nu bij het begin van de huidige tweede schijf, dat binnen de nieuwe eerste schijf komt te liggen; het zou bij hetzelfde inkomen of bijvoorbeeld bij € 0 kunnen zijn) is niet in het regeerakkoord opgenomen.

De terminologie qua aantal en nummering van de schijven moet nog uitkristalliseren. Effectief blijft het voor zover bekend een stelsel met vier schijven:

  • een schijf zonder afbouw van algemene heffingskorting, en met PVV (tenzij de afbouw gaat beginnen bij een inkomen van € 0)
  • een schijf met afbouw en PVV
  • een schijf met afbouw en alleen belasting (met voor AOW-min hetzelfde totaaltarief als de voorgaande schijf)
  • een schijf zonder afbouw van algemene heffingskorting (omdat die al nul is), en met alleen belasting, met een hoger tarief ("laatste schijf" is hiervoor in ieder geval een eenduidige term)

Het begrotingsbedrag aan algemene heffingskorting stijgt in 2019, 2020 en 2021.

In 2020 wordt het systeem van de tariefsaanpassing aftrek kosten eigen woning verbreed naar andere aftrekposten. Er is dus eventueel belasting verschuldigd over het bedrag van bepaalde aftrekposten, tegen een gereduceerd tarief: het reguliere tarief in de laatste schijf, verminderd met het zogenoemde aftrektarief. Dit aftrektarief waartegen aftrekposten aftrekbaar zijn wordt in 2020 voor alle aftrekposten gelijkgetrokken met het dan geldende aftrektarief van de hypotheekrente (dat is in 2019 49% en in 2020 46%, zie boven) en met 3%-punt per jaar naar het toekomstige basistarief van 36,93% afgebouwd. Het aftrektarief komt volgens het regeerakkoord in 2021 op 43% uit. Dit zou betekenen dat in 2020 het aftrektarief naar 46% gaat, dus dat dan het gelijktrekken en de eerste stap van 3%-punt cumuleren tot een grotere stap.

Het regeerakkoord noemt expliciet de zelfstandigenaftrek, maar vermeldt ook dat deze maatregel gaat gelden voor "alle aftrekposten". Dit vraagt wel om verduidelijking, want voor bijvoorbeeld de kosten die bij een eenmanszaak van de omzet worden afgetrokken om de winst te berekenen ligt de maatregel minder voor de hand.

Geschiedenis[bewerken]

  • 2001 - invoering Wet inkomstenbelasting 2001
    • de aftrekbaarheid van kosten voor het verwerven van loon, deels forfaitair (onder meer via de 4%-regeling), vervalt; er is alleen nog reisaftrek
    • invoering boxen, alleen voor box 1 is er nog een schijventarief
  • 2014 - de algemene heffingskorting wordt inkomensafhankelijk, waardoor het feitelijke schijventarief hoger wordt dan het nominale
  • 2014 - de systematiek van het schijventarief wordt enigszins doorbroken door de tariefsaanpassing aftrek kosten eigen woning

Zie ook de geschiedenis van de inkomstenbelasting.

Zie ook[bewerken]

Externe link[bewerken]