Vijgenboom

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Vijgenboom
Ficus carica Panascè.jpg
Taxonomische indeling
Rijk: Plantae (Planten)
Stam: Embryophyta (Landplanten)
Klasse: Spermatopsida (Zaadplanten)
Clade: Bedektzadigen
Clade: 'nieuwe' Tweezaadlobbigen
Clade: Fabiden
Orde: Rosales
Familie: Moraceae (Moerbeifamilie)
Geslacht: Ficus
Soort
Ficus carica
L. (1753)
Vijgen aan een tak
Vijgen aan een tak
Tak van een vijgenboom met vruchten
Tak van een vijgenboom met vruchten
Portaal  Portaalicoon   Biologie

De vijgenboom (Ficus carica), of kortweg vijg, is een plant uit de moerbeifamilie (Moraceae).

Illustration Ficus carica0.jpg

De boom komt van nature voor in westelijk Azië. Al in de oudheid werd de soort daar gekweekt. De boom wordt aangeplant om de eetbare vruchten, de vijgen. Met name in Zuid-Europa zijn vijgenbomen een algemene verschijning. Dankzij de steeds zachtere winters kan de vijgenboom tegenwoordig ook goed in België en Nederland gehouden worden. Vaak wordt de plant tegen een muur geplant. De boom wordt circa 10 m hoog.

De vijgenboom is een uitgespreide struik of een iets overhellende boom met omhooggaande, knobbelige takken met een gladde metaalgrijze schors. Als de boom ouder wordt, ontstaat er een donkergrijs patroon.

De bladeren zijn dik en leerachtig. Ze kunnen 30 x 25 cm groot worden. De bladeren hebben een hartvormige voet en zijn drie- tot vijflobbig. De middelste lob is altijd het grootst. De bladsteel is 5-10 cm lang. De bovenzijde van het blad is donkergroen en ruwbehaard; de onderzijde is eveneens behaard en heeft witte nerven.

De vijgenboom heeft kleine bloemen. Ze zijn opgesloten in een bijna gesloten bloembodem die vlezig is. De mannelijke bloemen zitten vlak bij de opening.

Vijgexportatie in 2005

De vijgen zijn donkergroen en peervormig. Als ze rijpen, worden ze violet of zwart. De vruchten worden vers of gedroogd gegeten. Ze hebben laxerende eigenschappen.

Volgens onderzoek van de FAO bedroeg de vijgenproductie in 2005 1.057.000 ton, met Turkije als topproducent (280.000 ton).

Snoeien[bewerken]

Een vijgenboom is sterk en kan gesnoeid worden zonder echt risico. Het wordt aangeraden de vijg te snoeien in het voorjaar, omdat de sapproductie dan op een laag pitje staat, zo kan de boom niet doodbloeden. Het sap kan allergische reacties veroorzaken in de ogen en op de huid. Bij alle snoeivormen gebruikt men best een korte snoeischaar, wat de kleinste wond geeft.

Kelkvormig
Als men een kelkvormige boom wil bereiken, snoeit men de top van de boom op de gewenste maximumhoogte af, haalt men dood hout weg en snijdt men de takken af tot één of twee ogen. Zo blijven de takken kort en worden ze steviger. Lange, zwakke takken snijdt men ook weg.

Waaiervormig
Wil men een waaiervormige boom die tegen een hek of muur steunt, dan snoeit men alle takken weg behalve twee recht tegenover elkaar staande sterke zijtakken.

Stam
Als men een boom wil met een (korte of lange) stevige stam, dan knipt men de top van de boom af op de plaats waar de kruin moet beginnen. Onder deze snee zullen veel nieuwe zijtakken ontspruiten en een kruin vormen.

Vruchten[bewerken]

In de noordelijke streken van Europa worden alleen parthenocarpe soorten geweekt. Dat zijn soorten waarvan de vruchten zich ontwikkelen zonder dat er bevruchting plaatsvindt. De insecten die in het zuiden van Europa voor de bevruchting zorgen, komen in het noorden immers niet voor. Een vijgenboom heeft drie reeksen vruchten. Van de eerste reeks vruchten zit de knop al gereed van voor de winter; deze knop moet dus overwinteren. In het gematigde klimaat van België en Nederland kan het gebeuren dat deze knoppen bevriezen en dat de eerste reeks vruchten niet uitkomt. Dit is echter de enige reeks vruchten die in ons noordelijke klimaat zeker zal rijpen. De tweede reeks vruchten kan in uitzonderlijk warme en lange zomers ook nog tot rijping komen, maar dat is niet zo dikwijls het geval. De derde reeks heeft geen enkele kans om te rijpen in ons klimaat.

Vermeerderen[bewerken]

Een vijgenboom is gemakkelijk te stekken door een- of tweejarige takjes zonder bloemen of vruchten van ongeveer vijfentwintig centimeter enkele dagen in een glas water te zetten. Wanneer er wortels verschijnen, plant men de takjes bij een temperatuur van 20 °C in goede potgrond met 1/3 klei. Andere methoden van vermeerdering zijn: laag groeiende takken afleggen; een bundel stekken voor driekwart ingraven en oppotten zodra ze aanslaan; stekken in vochtig krantenpapier gewikkeld in een doorzichtige plastic zak op een zonnige plek leggen en na circa een maand oppotten als ze wortels krijgen.


Externe link[bewerken]