Windsurfen

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Windsurfer Robby Naish tijdens de wereldkampioenschappen in Sylt, Duitsland
Boards
Twee midzwaarden
Vroeg type surfplank
De gijp
Voorwaartse rol
Tekening uit de patentaanvraag op het idee van de windsurfplank
Professioneel windsurfster Silvia Alba Orozco E-67 op Gran Canaria ( Pozo )
Windsurfer in actie op de Plage du Prado, Marseille, bij aantrekkende Mistralwind

Windsurfen of plankzeilen is een watersport die wordt beoefend met behulp van een surfplank waarop een zeil is gemonteerd. Daarnaast wordt een giek gebruikt om het zeil te bedienen, en zit er een vin onder de surfplank. Voor beginnelingen is er ook in het midden van de plank een zwaard gemonteerd dat vermijdt af te drijven. In tegenstelling tot golfsurfen zijn om te kunnen windsurfen geen grote golven nodig, behalve met de variant "waven". De naam zegt het al. Uiteraard moet er wel voldoende wind zijn om deze sport te kunnen uitoefenen.

Geschiedenis[bewerken]

Het Engelse hooggerechtshof bepaalde in 1982 dat de twaalfjarige Peter Chilvers in 1958 een prototype van een zeilplank had ontworpen. Het pionierswerk op het stuk van het plankzeilen werd echter geleverd door de Amerikanen Jim Drake en Hoyle Schweitzer. NASA-ingenieur Drake experimenteerde met nieuwe vormen van zeilen en ontmoette eind van de jaren zestig golfsurfer Schweitzer. De eerste planken - windsurfern het merk van Schweitzer - verschenen op de Europese markt in 1972. Sindsdien ontwikkelde het plankzeilen zich op een spectaculaire manier in Europa.

Windsurfen in België[bewerken]

Nuvola single chevron right.svg Zie Vlaamse sportgeschiedenis#Windsurfen voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Disciplines[bewerken]

  • Slalom (zo snel mogelijk een parcours afleggen dat halve wind ligt)
  • Wave (springen en golfrijden in de golven)
  • Freestyle (springen en trucjes uithalen op vlak water)
  • Course Race (zo snel mogelijke een parcours afleggen dat zowel halve wind als in de wind ligt)
  • Formula (variant van course race waarbij gebruikgemaakt wordt van een veel groter zeil (9,5-12m²) en board (100 cm))
  • Olympische Klasse (Formula): eenheidsklasse dat wil zeggen iedereen vaart op hetzelfde (merk en type) materiaal. In 1984 was windsurfen voor het eerst present op de Spelen, het board was destijds een Windglider (Stephan van den Berg won Goud). De spelen er na was het merk Lechner met de rondbodem en later Mistral met de One design dat het materiaal leverde. In 2008 (Beijing) leverde Neil Pryde de RSx.
  • RSx van Neil Pryde was ook in London, 2012 de Olympische surfplank. (Dorian van Rijsselberghe, won goud). [STARBOARD] Formula One Design was overigens ook kandidaat.
  • Speedsurfen (zo hard mogelijk varen, bij voorkeur op een ruimewindse koers en gericht op pieksnelheden of bijvoorbeeld een gemiddelde over 10 seconden of een vaste baan van 500m)
  • Super-X (een slalomparcours moet worden afgelegd waarbij verplichte obstakels worden genomen en verplichte trucjes worden uitgevoerd. Bij elke boei moet een duckgijp worden gedaan. Verder is het eigenlijk gewoon een slalomwedstrijd, wie het eerst de finish haalt wint.)
  • Techno 293 (jeugdklasse met lage instapdrempel waar je zo snel mogelijk een parcours moet afleggen dat zowel halve wind als in de wind ligt)


Uitrusting[bewerken]

De surfplank[bewerken]

Je hebt verschillende typen windsurfplanken, voor ieder onderdeel is een aparte shape nodig. Een van de belangrijkste dingen aan de plank is het volume of drijfvermogen. Meer drijfvermogen is stabieler en zorgt ervoor dat de plank eerder planeert, nadeel is dat de plank bij hardere wind 'te groot' wordt en vaak letterlijk gaat opstijgen. Kleiner volume is geschikt voor de hardere dagen en gevorderde surfers en kinderen. 150L drijfvermogen betekent dat de plank 150 kilogram kan dragen, om het benodigde volume te bepalen om te blijven drijven tel je je eigen gewicht op bij dat van je tuigage (grofweg 10-15KG) plus 15-20L maar dit verschilt ook door je niveau en het type plank. Voor freestyle en formula heb je altijd al een groter formaat van plank nodig dan voor wave en slalom. Beginners varen meestal met planken van meer dan 150 liter en brede planken.

Behalve het volume is ook de breedte van de plank belangrijk. Hoe breder de plank, hoe meer stabiliteit. De kern van de plank bestaat uit schuim, de huid bestaat uit in een vorm geblazen polyetheen of een samenstelling van materialen.

Elke plank heeft een vin (ook wel een skeg genoemd). Zonder de vin zou de plank geen koers houden en zou de tail (de achterkant van de plank) slippen. Vinnen kunnen vervaardigd worden van koolstofvezel, van verstevigd fiberglas of een combinatie hiervan. In de loop van de jaren zijn er verschillende vinbox-types verschenen, de meest gebruikte types zijn: Powerbox (1 bout, niet verstelbaar), US-Box (1 bout, verstelbaar) en Tuttlebox (2 bouten, niet verstelbaar). Vinnen zijn er in vele soorten en maten.

Verder zit er nog boven op de plank een mastrail, waarin de voet van het tuig vast zit aan de plank. Er zijn twee verschillende typen mastrailen: vast en verstelbaar. De vaste rail bestaat uit een rail met groeven midden op de plank. De tuigage wordt bevestigd met een schuifplaat, die met een bout en hamermoer overal in de rail kan worden geplaatst. Na het vastzetten blijft de tuigage op haar plaats.

Op de surfplank kan een zwaard zitten (= belangrijk kenmerk van longboards). Het kan worden neergelaten of in de romp worden weggeklapt. Wanneer het zwaard is neergelaten, functioneert het als de kiel van een schip(maar er hangt geen gewicht onder). Het biedt extra stabiliteit en maakt het eenvoudiger hoogte te lopen (aan de wind varen).

Vaak zitten er op een surfboard voetbanden. Wanneer een windsurfer planeert staat hij/zij in de voetbanden, dit om de krachtoverbrenging van het tuig zo direct mogelijk te krijgen en om stabiel op de plank te blijven bij hoge snelheden. Als een surfer in de voetbanden staat kan hij in overpowerde condities meer hangen aan het zeil en ook verder buiten de plank gaan hangen. Hierdoor ontstaat er meer liftwerking waardoor de surfer nog harder planeert. Dit is echter een vaardigheid die soms wat lastig te leren is.

Het zeil[bewerken]

Surfzeilen zijn opgebouwd uit banen zeildoek die aan elkaar worden geplakt en genaaid. Ze worden gemaakt van een combinatie van monofilm (dunne laag doorzichtig pvc) en gekleurd dacron (geweven polyester). Tegenwoordig wordt er ook al x-ply gebruikt voor extra stevigheid. Het zeil wordt ondersteund door roeden van fiberglas, zeillatten genoemd, die worden bevestigd in nauwsluitende lattenzakjes. De zeillatten zorgen voor het profiel van het zeil. Vaak worden kevlar en/of dynema draden gebruikt om het zeil te verstevigen (bepantseren). Dit gebeurt vooral bij zeilen die veel te verduren krijgen (zoals zeilen die gebruikt worden om op zee te gebruiken). Bij deze zeilen komt het ook voor dat er andere monofilmachtige (maar veel stevigere) materialen gebruikt worden, zoals X-ply etc.

De zeilkeuze wordt bepaald door het lichaamsgewicht, de vaardigheid van de surfer, windomstandigheden en bovenal door de discipline (wavers en freestylers gebruiken veel kleinere zeilen dan bijvoorbeeld slalommers of Formula-riders). Hoe zwaarder de surfer is, hoe meer zeil hij nodig heeft om gebruik te maken van de wind, en hoe groter de windsnelheid, hoe kleiner het benodigde zeil. Met de windsnelheid zal namelijk ook de kracht op het zeil toenemen, waardoor meer inspanning en techniek nodig is om het onder controle te houden.

Over powered surfen: Surfen met een te groot zeil in verhouding tot de windkracht. Zeil minderen: Het terugbrengen van de zeilgrootte. Zeil bijzetten: Het vergroten van de zeilgrootte.

Er zijn grofweg drie typen zeilen:

  • Speed-, slalom- en racezeilen zijn prestatiegericht en bedoeld om met grote snelheid in een rechte lijn te surfen. Ze hebben een ontwerp dat een zo groot mogelijk kracht geeft en zijn herkenbaar aan een ruimere mastslurf, lange giek, lager voorlijk (deel van het zeil dat dicht bij de mast ligt), en een grote hoeveelheid zeillatten met cambers. Deze zeilen zijn vaak laag uitgesneden zodat de surfer het zeil op de plank kan leggen en dus geen windverlies heeft onder het zeil. Dit zorgt voor hogere snelheden.
  • Allround, Freeride-zeilen zijn voornamelijk bedoeld voor recreatief gebruik. Veel voorkomende kenmerken zijn de vijf of zes zeillatten en een vorm die tussen die van een racezeil en een wavezeil in ligt.
  • Wavezeilen zijn makkelijker te hanteren onder ruige omstandigheden. Ze hebben een kortere giek, minder zeillatten en een hoger opgesneden onderlijk. Dit zeil is hoger opgesneden omdat de golven dan minder snel tegen het zeil aankomen en dus comfortabeler gevaren kan worden.

De mast en de giek[bewerken]

Tegenwoordig bestaan de meeste masten uit twee gedeelten, zodat ze makkelijk kunnen worden opgeborgen. In de meeste gevallen zijn ze gemaakt van epoxyfiberglas met een variërend koolstofgehalte. Hoe hoger het koolstofgehalte van de mast, des te hoger de reactiesnelheid en des te sneller het profiel van het zeil hersteld is na een windvlaag. Daarnaast is een mast met een hoger koolstofgehalte vaak lichter dan een mast met enkel epoxyfiberglas. Om deze redenen geven de meeste surfers de voorkeur aan een mast met een hoger koolstofgehalte, maar helaas wordt de mast dan ook duurder. Daarnaast zijn masten met veel koolstof vaak kwetsbaarder. Om dit probleem tegen te gaan heeft men een aantal jaren geleden de RDM (Reduced Diameter Mast) ontwikkeld. De mast heeft een kleinere (reduced) diameter, waardoor de mastdikte groter kan zijn bij hetzelfde gewicht (en dus stijver). Om met zo'n mast te kunnen varen heb je een mastadapter nodig (om een normale mastdikte te simuleren op de plaats waar de mast in contact staat met de giek), of een giek die ook RDM-masten aankan. Ook is een dunnere verlenger vereist. Met een mastverlenger is de mastlengte precies aan te passen aan het zeil.

De giek is meestal van aluminium, zodat hij sterk genoeg is om het lichaamsgewicht van de surfer te dragen. Er zijn ook koolstofvezel (carbon) gieken, deze zijn stijver dan alu-gieken, waardoor het tuig op het horizontale vlak minder vervormt. Een giek is bedekt met gripmateriaal en wordt bevestigd aan de mast met een kunststof klem. Aan de andere zijde (schoothoek) is de giek bevestigd aan het zeil met een lijntje dat in een lus door een oogje in het zeil loopt. De giek kan worden aangepast aan verschillende zeilgroottes door een uitschuifbaar 'achtereinde', waarmee de lengte van de giek is aan te passen aan de grootte van het zeil. De aanbevolen gieklengte wordt afgedrukt op het zeil.

Accessoires[bewerken]

Vaak dragen surfers een wetsuit. Een wetsuit zorgt voor bescherming van het lichaam en voor warmte. Naarmate de lucht koeler en de temperatuur van het water lager is, is een dikker pak dat een groter deel van het lichaam bedekt nodig. Een wetsuit kan één- of tweedelig zijn. De eendelige pakken (steamers) zijn het warmst omdat er weinig ruimte is voor koud water om naar binnen te stromen. De tweedelige pakken bestaan uit een tuinbroek (long-john) en een kort jasje (bolero). Dit type wordt tegenwoordig niet meer gebruikt. Een windsurfer kan speciale surflaarzen of -schoenen aantrekken. Ze hebben veel grip, zijn soepel en bieden bescherming, zowel tegen onderdelen van de plank als tegen natuurlijke gevaren, zoals blokken en stenen op de bodem. Ook dienen ze (vooral de laarzen) voor isolatie, waardoor de voeten warm blijven.

Bij het optrekken van het zeil en het hangen aan de giek hebben de handen van de windsurfer het zwaar te verduren. Handschoenen beschermen de huid, maar belemmeren uw greep, waardoor de onderarmen snel vermoeid kunnen raken.

Een trapeze bestaat uit een gordel waar een haak aan zit en een trapezelijn. De trapezelijn moet aan de giek worden vastgemaakt, en de gordel wordt aangetrokken door de surfer. Met de haak kan de surfer zich aan de trapezelijn vastmaken. Een trapeze verlicht de belasting van de armen. Een trapezelijn heeft meestal een vaste lengte, maar kan soms ook onder het varen verstelbaar zijn. Er zit een trapeze aan beide zijden van het zeil aan de giek vast, precies tussen de handen van de surfer. De surfer kan zichzelf altijd losmaken van de trapezelijn, maar zit wel tijdelijk vast aan het tuig (mast + zeil + giek). Het gebruik van een trapeze is voor meer gevorderde surfers.

Tegenwoordig hebben sommige windsurfers ook een GPS om. Hier meten zij hun snelheid mee en de afstand die zij hebben gesurft.

Geschiedenis[bewerken]

Informatieve polygoonjournaalfilm uit 1975 over het fenomeen "windsurfing"

Windsurfen werd 'uitgevonden' in 1969 door twee Amerikanen, Jim Drake en Hoyle Schweitzer. Hun bedoeling was om een zeil op een surfplank te plaatsen zodat het zeil wind zou vangen en vooruit zou gaan. Het was eenvoudiger dan de zeilsport, omdat de plank en het tuig veel makkelijker te vervoeren waren. In de jaren 70 kwam het in de VS tot bloei. En in de jaren 80 werd deze sport verspreid over de hele wereld. Hoewel het materiaal in de beginperiodes heel zwaar en onhandig was, werd het vanaf die tijd snel een zeer populaire watersport.

Locaties[bewerken]

In België wordt er gesurft aan zee en op de grotere meren met sportinfrastructuur zoals Egleghemvijver, Hazewinkel, Domein Hofstade of het Meer van Bütgenbach. In Nederland wordt de sport vooral beoefend op zee, in Zeeland en op de randmeren van Flevoland en de meren in Friesland.

Een goede en bekende plek om te windsurfen is op de Canarische Eilanden, bv. op Gran Canaria, vanwege de uitstekende omstandigheden om deze sport te beoefenen. Op Gran Canaria wordt ook elk jaar een onderdeel van de wereldkampioenschappen gehouden, de zgn. PWA-tour, waar de beste windsurfers bij elkaar komen om tegen elkaar te strijden en de meeste punten proberen te pakken op verschillende onderdelen.

Ook op de andere eilanden van de Canarische Archipel is het windsurfen populair, met name op de eilanden Lanzarote, Fuerteventura en Tenerife en ook op deze eilanden wordt elk jaar de WK gehouden met de professionals op dit gebied. Één van deze professionals is Björn Dunkerbeck en 36-voudig PWA-tour wereldkampioen, die veelal op Gran Canaria is te vinden.

Zie ook[bewerken]