Zaak-Scientology tegen Karin Spaink

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
T-shirt dat XS4ALL cadeau gaf aan zijn abonnees ter gelegenheid van het winnen van de rechtszaak

Scientology tegen Karin Spaink en XS4ALL was een belangrijke rechtszaak over de rol van de journalistiek en de persvrijheid. De Scientologykerk wenste niet dat bepaalde interne documenten in 1996 openbaar werden gemaakt door de publiciste Karin Spaink op haar website bij XS4ALL. De rechter gaf Spaink steeds gelijk. Ook de aangeklaagde internetproviders werden vrijgepleit.

Feiten en achtergrond[bewerken]

In 1995 verschenen teksten van de Scientologykerk op een aantal websites. Scientology vond dat zo inbreuk gemaakt werd op haar auteursrechten en spande een kort geding aan tegen een groot aantal internetproviders en publiciste Karin Spaink, die een aantal teksten ook publiceerde op haar site. Zij had de teksten ook weer van het internet verkregen.

De achtergrond van het bezwaar bleek echter te zijn, dat Scientology nadelige effecten van deze negatieve publicaties vreesde en daarom dit beroep op haar auteursrecht deed. Spaink vond dat de teksten juist eens temeer duidelijk maakten waarom Scientology verwerpelijk was, en publiceerde deze daarom, in haar rol als publiciste.

Kort geding in Den Haag[bewerken]

De president van de Haagse rechtbank wees op 12 maart 1996 de vorderingen af. Karin Spaink had intussen haar website aangepast en de teksten zijn volgens de president nog slechts citaten van rechtmatig openbaar gemaakte teksten en die zijn toegestaan op grond van art. 15a van de Auteurswet (citaatrecht). De betrokken internetproviders, ook door Scientology aangeklaagd, zijn volgens de president niet aansprakelijk voor inbreuken op het auteursrecht door derden (klanten). Deze uitspraak veroorzaakte onder rechtskundigen enige beroering, omdat bijvoorbeeld kranten en omroepen wel aansprakelijk zijn voor meningen van derden die zij publiceren.

Bodemprocedure[bewerken]

De bodemprocedure bevestigde op 9 juni 1999 het vonnis over Karin Spaink: zij heeft geen inbreuk gepleegd. De rechtbank wees de vorderingen tegen de internetproviders af, maar sprak wel uit dat indien er sprake is van een "onmiskenbare auteursrechtinbreuk" zij ofwel de bewuste documenten van hun systemen dienen te verwijderen, ofwel de gegevens dienen te verstrekken van de klanten die bewust inbreuk maken. Beide partijen gingen in hoger beroep.

Uitspraak van Gerechtshof in Den Haag[bewerken]

Het Gerechtshof te ’s-Gravenhage oordeelde op 4 september 2003 – anders dan de rechtbank – dat het voor een deel om "niet rechtmatig openbaar gemaakte werken" gaat. Maar het Hof is van oordeel dat het recht op informatievrijheid, zoals gewaarborgd in artikel 10 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, in deze zaak zwaarder moet wegen dan het auteursrecht van de Scientology. Ook de providers die "slechts technische faciliteiten verschaffen om openbaarmaking van gegevens van anderen mogelijk te maken", kon geen inbreuk op het auteursrecht verweten worden. In hoger beroep werden alle vorderingen tegen Karin Spaink en de providers afgewezen. De Scientology-kerk stelt cassatieberoep in.

Uitspraak van de Hoge Raad[bewerken]

Advocaat-generaal en auteursrechtspecialist Feer Verkade adviseerde de Hoge Raad op 18 maart 2005 om het cassatieberoep van de Scientology te verwerpen. Op 24 juni 2005 verklaarde Scientology echter haar cassatieberoep te willen intrekken, omdat de betekenis van het bestreden arrest "voor de situatie in andere landen" onvoldoende "wezenlijke betekenis had". De providers en Spaink hebben daarop verklaard niet met die intrekking in te stemmen; zij achtten het verzoek tot intrekking te laat gedaan en in strijd met een goede procesorde. Advocaat-generaal Verkade adviseerde de Hoge Raad vervolgens om, hoewel Scientology volgens hem het beroep zou moeten kunnen intrekken en daarmee het beroep zou moeten worden verworpen, toch zodanige inhoudelijke overwegingen in het arrest op te nemen "als de Hoge Raad, met het oog op de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling, dan wel gelet op het belang voor de praktijk, dienstig zal oordelen". De Hoge Raad volstond op 16 december 2005 echter met verwerping van het cassatieberoep en wijdde niet nog inhoudelijke overwegingen aan de zaak.

Zie ook[bewerken]

Externe links[bewerken]