Aart van der Leeuw

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Aart van der Leeuw als student (mei 1899). Foto gemaakt door Van der Leeuws vriend Adama van Scheltema (1877-1924).

Aart van der Leeuw (Hof van Delft, 23 juni 1876Voorburg, 17 april 1931) was een Nederlands prozaschrijver en dichter.

Inhoud

[bewerken] Leven

Aart van der Leeuw kwam uit een koopmansfamilie en volgde een gymnasiumopleiding in Delft, die hij met moeite na herexamens in 1898 wist af te ronden op een leeftijd van 22 jaar. Daarna ging hij Rechten studeren aan de Gemeente Universiteit van Amsterdam. De keuze voor deze studie was niet zozeer door een interesse voor dat vak ingegeven, maar eerder bepaald door de duur ervan en de maatschappelijke vooruitzichten. Na zijn promotie werkte hij korte tijd op het gemeentearchief van Delft, en daarna als 'chef de bureau' bij de Levensverzekeringsmaatschappij Dordrecht (1903). In datzelfde jaar trouwde hij met zijn vroegere schoolvriendin Antonia Johanna Kipp. Uit dit huwelijk zijn geen kinderen voortgekomen.

Van der Leeuw had het bij de Dordtse verzekeringmaatschappij niet naar zijn zin. De lange werkdagen en een verplichte avondstudie boekhouden lieten hem weinig tijd voor zijn creatieve drang. Zijn zwakke gezondheid greep hij uiteindelijk aan om in 1907 ontslag te nemen. Door het overlijden van zijn schoonouders viel hem en zijn vrouw een bescheiden erfenis ten deel, net genoeg om zelfstandig voort te kunnen leven. Hierna vestigde het paar zich in Voorburg, waar Van der Leeuw zich overgaf aan vioolspelen en zijn schrijverschap. In 1928 werd hem de Van der Hoogtprijs toegekend door de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde te Leiden.

Van der Leeuw werd tijdens zijn leven geplaagd door woordblindheid en een toenemende doofheid. Beide aandoeningen droegen bij aan de problemen die hij bij zijn studie en werk ondervond.

[bewerken] Werk

Hij schreef niet een zeer omvangrijk oeuvre, maar zijn Ik en mijn speelman uit 1927 en De kleine Rudolf uit 1930 worden gezien als klassiekers van de Nederlandse 20ste-eeuwse letterkunde. Opmerkelijk aan zijn poëzie is dat hij zich toelegde op het prozagedicht.

[bewerken] Bibliografie

  • Sint Veit (1908)
  • Liederen en balladen (1911)
  • Kinderland (1914)
  • Herscheppingen (1916)
  • Sint-Veit en andere vertellingen (1919)
  • De mythe van een jeugd (1921)
  • Opvluchten (1922)
  • De gezegenden (1923)
  • Vluchtige begroetingen (1925)
  • De zwerftochten van Odysseus (1926)
  • Het aardsche paradijs (1927)
  • Ik en mijn speelman (1927)
  • De kleine Rudolf (1930)
  • De opdracht (1930)
  • Verspreid proza, nagelaten (1932)
  • Die van hun leven vertelden (1934)
  • Vertellingen (1935)
  • Monumenten van schoonheid en bezinning (1947)
  • Verzamelde gedichten (1950)
  • De briefwisseling tussen P.N. van Eyck en Aart van der Leeuw, bezorgd door Piet Delen (1973)

[bewerken] Literaire bronnen

[bewerken] Externe links

Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Hulpmiddelen
Afdrukken/exporteren
In andere talen