Dyslexie

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Esculaap Neem het voorbehoud bij medische informatie in acht.
Raadpleeg bij gezondheidsklachten een arts.
Dyslexie
Lezende kinderen
Lezende kinderen
Coderingen
ICD-10 F81.0, R48.0
ICD-9 315.02, 784.61
OMIM 127700 127700 604254 606896 606616 608995 300509
DiseasesDB 4016
MeSH D004410
Portaal  Portaalicoon   Geneeskunde

Dyslexie (uit het Grieks δυς- dys- ("beperkt") en λέξις lexis ("woord"), dus beperkt lezen; ook wel (onterecht) als woordblindheid aangeduid) is een term die in de wetenschap gebruikt wordt voor ernstige problemen met het kunnen lezen van woorden. Over het ontstaan is nog veel discussie, maar doorgaans neemt men aan dat de oorzaak van het leesprobleem gelegen is in het slecht functioneren van fonologische taalverwerking. Iemand met dyslexie heet een dyslecticus of dyslectica, meervoud respectievelijk dyslectici en dyslecticae, maar wordt geslachtsneutraal meestal 'dyslect' (meervoud 'dyslecten') genoemd.

Onderzoek[bewerken]

Al in 1881 werd de aandoening door Oswald Berkhan beschreven, maar het was Rudolf Berlin die in 1887 hiervoor de term 'dyslexie' bedacht. De term werd gebruikt om het geval van een jongen te beschrijven die ernstige moeite had met het leren lezen en schrijven, terwijl hij buiten deze gebieden wel over een normale intelligentie leek te beschikken.

Onderzoek heeft uitgewezen dat dyslexie een neurologische oorzaak heeft. Ook al zijn er talrijke varianten en oorzaken voor dyslexie, in veel gevallen zijn de hersenen niet goed in staat visuele of auditieve informatie te interpreteren. De hersenen kunnen dit op verschillende manieren deels, of in het geval van een milde vorm volledig compenseren door andere hersenfuncties te gebruiken. Dit is afhankelijk van de omvang van de aandoening. Op jonge leeftijd kan stimulering en training van de hersenen tot betere compensatie leiden. Dyslexie heeft voornamelijk invloed op leesvaardigheid, spelling en woordenschat.

Vormen van dyslexie[bewerken]

Onderzoek vanuit de neuropsychologie heeft aangetoond dat er verschillende vormen van dyslexie bestaan. Deze hangen samen met specifieke problemen die men kan ondervinden bij het lezen van woorden.[1] Dyslexie kan optreden bij kinderen als ontwikkelingsstoornis, of als gevolg van hersenbeschadiging. Kinderen die het predicaat 'dyslexie' krijgen, blijken een heterogene groep te vormen. Er kunnen problemen zijn in het herkennen van het visuele woordbeeld, of problemen in de sfeer van begrijpen van taal en klanken. De meeste dyslectische kinderen (85%) blijken daarbij niet zozeer moeite te hebben met het herkennen van het visuele woordbeeld, maar met het verbinden van een letter met een klank.[2] Twee vormen die bij patiënten met hersenbeschadiging kunnen optreden worden hierna beschreven. Oppervlaktedyslexie wil zeggen dat men problemen heeft met het herkennen van het woordbeeld. Bij fonologische dyslexie is het net andersom: men heeft geen moeite met het woordbeeld maar met het uitspreken van woorden. Hierbij ondervindt men vooral problemen bij het lezen van onbekende of onzinwoorden. Mogelijk hangen deze stoornissen samen met beschadigingen van specifieke gebieden in de hersenen. Bij fonologische dyslexie is dit het centrum van Broca[3] en bij oppervlaktedyslexie de linker temporale kwab.[4]

Diagnose[bewerken]

In Nederland mag de diagnose dyslexie enkel gesteld worden door een arts, gezondheidszorgpsycholoog of een orthopedagoog die is opgenomen in het BIG-register. In Vlaanderen zijn ook Masters en Bachelors in de logopedie daarvoor opgeleid.

Voor het vaststellen van de diagnose moet worden uitgesloten dat de lees- en spellingproblemen een andere oorzaak hebben, zoals een andere stoornis of slecht lees- en spellingonderwijs op de basisschool.[5] Daarnaast moet worden aangetoond dat met kwalitatief goede bijlessen de achterstand niet ingelopen wordt.[6]

Erfelijkheid[bewerken]

Dyslexie heeft de neiging familiegebonden te zijn, en familieleden van dyslectici hebben vaak andere taalproblemen. Dyslexie komt vaker voor bij jongens dan bij meisjes en er zijn sterke aanwijzingen dat het erfelijk is. De kans dat een jongen dyslectisch wordt als zijn vader het ook is, is wellicht 50%. Dit is iets lager voor meisjes. Genmarkers op de chromosomen 1 en 15 zijn geïdentificeerd in dyslectische families en een connectie met chromosoom 6 in het gebied van het menselijk leukocyt complex verklaart wellicht een veel gerapporteerde associatie tussen dyslexie en auto-immuniteitsziekte[bron?]. Er zijn ook ontwikkelingen op neurologisch gebied. Er zijn aanwijzingen die wijzen in de richting van de regio perisylvia en na onderzoek op overledenen werd een ongewone symmetrie van het planum temporale met corticale dysplasie en littekens gevonden[bron?].

De resultaten van grootschalig onderzoek[bron?] bij tweelingen suggereren dat de gevoeligheid voor spraakklanken, gemeten door het gevoel voor rijm te testen, correleert met fonologische leesvaardigheden.

Kenmerken[bewerken]

Vroege jeugd[bewerken]

Dyslexie is een ontwikkelingsstoornis die personen van alle leeftijden betreft, maar de symptomen verschillen per leeftijd. In onderzoek bij kinderen met een erfelijk risico op dyslexie worden moeilijkheden met de spraakproductie en grammaticale ontwikkeling gemeld bij een leeftijd van 30 maanden, gevolgd door een tragere verwerving van de woordenschat gedurende de jaren voordat ze naar school gaan, resulterend in achterstanden in fonologische ontwikkeling en kennis van het alfabet bij jonge schoolkinderen. Meldingen van ouders van achterstanden met spraak en taal bij kinderen met leesmoeilijkheden zijn gewoon in epidemiologische studies.

Latere jeugd[bewerken]

Dyslexie toont zich in volle omvang bij kinderen in de schoolgaande leeftijd. Hoewel in de meeste gevallen de spraakwaarneming intact is, hebben dyslectische kinderen moeite om na te denken over de geluidsstructuur van gesproken woorden. Door zulke fonologische problemen is het moeilijk voor hen om verband te leren leggen tussen klanken en letters van gedrukte woorden. De meeste dyslectische kinderen hebben moeite met een fonetische benadering bij het lezen, en bij het spellen zijn ze niet in staat de klankstructuur van woorden weer te geven.

Hoewel dyslectische kinderen veel van hun problemen overwinnen, hebben ze later als volwassenen subtiele problemen met luisteren en lees- en schrijfvaardigheid. Door functioneel hersenonderzoek beginnen we te begrijpen waarom dit zo is. Het is gebleken dat wanneer dyslectische volwassenen moeten zeggen of woorden rijmen, en dus verbale kortetermijngeheugen taken moeten uitvoeren, ze alleen een deel van de hersengebieden gebruiken die normaal betrokken zijn. Waarschijnlijk is, dat hun fonologische moeilijkheden het gevolg zijn van een zwakke verbinding tussen de taalgebieden aan de voor- en achterkant van de linkerhersenhelft.

Onderzoeksresultaten[bewerken]

Kennis van de indicatoren voor leesvaardigheden en dyslexie heeft tot vernieuwingen in de behandeling geleid. Een baanbrekend onderzoek toonde aan dat kinderen die slecht presteerden in een fonologische verwerkingstaak voordat zij schoolgaand waren, duidelijk baat hadden bij een training in klankcategorisatie door middel van rijm en alliteratie, vooral wanneer dit gecombineerd werd met het leren van letterklanken. Als gevolg hiervan is bewezen dat training op het gebied van fonologische bewustheid gecombineerd met gestructureerde leesoefeningen, een effectieve behandeling is voor slechte lezers. Het geeft betere vooruitgang dan training in lezen of fonologische bewustheid alleen.

Twijfels[bewerken]

Hoewel de term dyslexie onderwerp van discussie is, zijn er zeer sterke aanwijzingen dat onverwachte leesproblemen bij kinderen veroorzaakt worden door taalstoornissen in het fonologisch gebied. Uit recent onderzoek blijkt dat dyslectische kinderen niet alleen moeite hebben met lezen, maar ook met het begrijpen van gesproken taal. Het laatste zou mogelijk te maken kunnen hebben met stoornissen in het verbale werkgeheugen.[7] Kinderen met leesmoeilijkheden hebben vaak ook vele psychosomatische problemen: klachten over hoofdpijn en moeilijkheden met zien, zijn gewoon. Met een gedetailleerde beschrijving van het geval en de familiegeschiedenis kunnen dyslectische problemen ontdekt worden. Met standaardtesten bij kinderen voor de schoolgaande leeftijd kan gemakkelijk kennis van kinderrijmpjes en letters onderzocht worden.

Klinische (behandelings-) ervaringen laten zien dat het met betrekking tot dyslexie verkeerd is af te wachten en te zien hoe het kind zich ontwikkelt. Een vertraging bij het leren lezen kan snel veranderen in een aanzienlijke leesstoornis als er niets aan gedaan wordt.

Didactische verwaarlozing[bewerken]

Dyslexie kan enkel worden vastgesteld als er kan worden uitgesloten dat het kind slecht onderwijs heeft gehad. In Nederland leert 25% van de kinderen onvoldoende vlot en foutloos lezen op de basisschool.[8] Hiervan is 10% functioneel analfabeet.[8] De schattingen over het percentage dyslectici lopen uiteen van 1%-3,5%.[9] Toch kunnen bijna alle kinderen leren lezen.[10] Dat betekent dat een groot deel van de kinderen onvoldoende leert lezen door andere factoren dan dyslexie. Er zou dan niet gesproken moeten worden van dyslexie, maar van een kwaliteitsprobleem. De kwaliteit van de instructie is cruciaal om goed te leren lezen. De diagnose dyslexie wordt soms ten onrechte gesteld en is feitelijk sprake van didactische verwaarlozing. De oorzaak hiervan is dat scholen, leerkrachten en ouders de problemen vaak in het kind zoeken en daarbij onvoldoende oog hebben voor de eigen rol.[bron?]

Zie ook[bewerken]

Externe links[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties
  1. Carlson,N.R. (2001). Physiology and behavior. 7th Edition. Allyn and Bacon, Boston.
  2. Boder, E. (1973). Developmental dyslexia: A diagnostic approach based on three reading spelling patterns> Dev. Med. and Child Neurol., 15, 663
  3. Fiez, J.A. & Petersen, S.E. (1998). Neuroimaging studies of word reading. Proc. Nat.Ac. Sc. 94, 914-921
  4. McCarthy, R.A. & Warrington, E.K. (1990). Cognitive Neuropsychology: A Clinical Introduction. San Diego: Academic Press
  5. De Jong, P.F. (2008). Van ernstige problemen met lezen en/of spellen naar dyslexie: commentaar op het voorgestelde Protocol Dyslexie Diagnostiek en Behandeling. Tijdschrift voor Orthopedagogiek, nr. 3, maart 2008, p.146-152
  6. Onbekende auteur (2005). Veelgestelde vragen. Website Stichting Dyslexie Nederland. Verkregen op 16 maart 2008 van www.stichtingdyslexienederland.nl.
  7. www.uu.nl
  8. a b Vernooy, K. (2009). Lezen stopt nooit! Lectorale intreerede in verkorte vorm uitgesproken bij de installatie als lector Doorlopende leerlijnen: Effectief taal- en leesonderwijs. Hogeschool Edith Stein/Onderwijskundigcentrum Twente en Expertis Onderwijsadviseurs, Hengelo (O). Hengelo: Expertis.
  9. zoleerjekinderenlezenenspellen.nl; Hoogleraar Anna Bosman pleit voor gerichte instructie. Oefenen in de klas, zonder toeters of bellen. Didaktief nr 1-2 jrg 2008.
  10. Download onderwijsinspectie.nl; Iedereen kan leren lezen. Uitgave in eigen beheer, 2006.