Anton van Bourgondië (1421-1504)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Anton met de Orde van het Gulden Vlies - schilderij van Rogier van der Weyden, waarschijnlijk 1463

Anton van Bourgondië (waarsch. Lizy, 1421 -Tournehem 5 mei 1504) (niet te verwarren met Anton van Bourgondië, zoon van Filips de Stoute) droeg de titels van graaf van La Roche, Sainte-Menehould, Guînes, heer van Crèvecoeur en Tournehem en na de dood van zijn halfbroer Corneille van Bourgondië tevens heer van Beveren en Vlissingen. Hij was echter zeker niet de werkelijke heerser van het graafschap Guînes.

Leven[bewerken]

Wapen als Ridder van het Gulden Vlies.

Anton was de tweede zoon van Filips de Goede, en van één van zijn maîtresses Jeanne de Presle de Lizy. Hij droeg de benijde titel van Groot-bastaard van Bourgondië (Grand bâtard de Bourgogne) en zou samen met de oudere Corneille van Bourgondië de lievelings-bastaard van Filips geweest zijn. Hij werd opgevoed aan het Bourgondisch hof samen met zijn jongere halfbroer, graaf van Charolais, later Karel de Stoute, de laatste der hertogen van Valois en Bourgondië, met wie een nauwe band groeide. In 1459 trouwde hij met Marie de la Viesville, bij wie hij vijf kinderen had.

Minstens vanaf 1451 vocht hij voor zijn vader in diverse militaire campagnes, bijvoorbeeld de Slag bij Nevele (1452). In 1456 werd hij tot ridder van de Orde van het Gulden Vlies geslagen en kreeg de bijhorende prestigieuze ketting, die in die tijd slechts het bezit van 29 anderen was. In 1464 trok hij mee in een kruistocht tegen de Turken, waarbij hij hielp aan de belegering van Ceuta. Hij nam deel aan de slag van Montlhéry (1465) en zou daarbij het leven hebben gered van de graaf van Charolais, nadat hij was afgescheiden van zijn manschappen en in de nek gewond. In 1466 was hij met Karel aanwezig bij de belegering van Dinant. In hetzelfde jaar, tot de zomer van 1467, verbleef hij bij koning Eduard IV in Engeland en hield toen een steekspel tegen Anthony Woodville, de broer van de koningin. Tijdens dat verblijf stierf zijn vader, Filips de Goede, en Anton haastte zich terug over het Kanaal.

Nadien nam Anton deel aan bijna iedere nieuwe veldtocht geleid door zijn halfbroer Karel de Stoute, te beginnen bij de Luikse veldtocht van 1467, toen hij het grootste contingent van 1353 man aanvoerde. In 1468 duidde Karel hem aan als eerste kamerheer, hoofd van 99 andere kamerheren en dertien huiskapelanen, die allemaal de hertog dienden. Karel vertrouwde Anton onvoorwaardelijk en deze loyaliteit werd nooit in vraag gesteld. Anton diende zijn halfbroer militair en diplomatiek met aanzienlijk succes, tot aan Karels dood op de Slag bij Nancy in 1477. In 1475 werd hij weer als diplomaat gezonden naar de Koning van Engeland, de Hertog van Bretagne, de koningen van Sicilië, Portugal, Aragon en Napels, en naar Venetië en de paus, die hem met groot eerbetoon ontvingen. Tussen deze reizen door slaagde hij er in tijd te maken voor de (mislukte) belegering van Neuss (14731474), en later dat jaar nam hij deel aan de verovering van het hertogdom Lotharingen. In 1476-1477 stond hij aan de zijde van Karel de Stoute bij de drie grote veldslagen van Grandson, Murten en Nancy. Op het einde van deze laatste werd hij gegijzeld door René II, hertog van Lotharingen, en uitgeleverd aan Lodewijk, de koning van Frankrijk, die verlangde dat Bourgondië nooit meer in opstand zou komen. Anton bood Lodewijk zijn diensten aan om de hachelijke politieke toestand te helpen stabiliseren. Hij was behulpzaam in het regelen van het huwelijk (19 augustus 1477 te Gent) van Maria van Bourgondië, enig kind van Karel de Stoute, en aartshertog Maximilaan van Oostenrijk, later keizer Maximiliaan I. In 1480 koos hij het kasteel van Wakken als residentie. De jonge Karel VIII van Frankrijk legitimiseerde Anton in 1485 en benoemde hem in de Orde van de Heilige Michaël. Hij overleed te Tournehem bij Calais in 1504.

Anton behaalde ook sportieve successen; de pijl die hij vasthoudt in het schilderij van Rogier van der Weyden, wordt verondersteld verband te houden met zijn jaar als "boogschutterskoning" in 1463, na de winst van de jaarlijkse wedstrijd van de boogschuttersgilde van de Sint-Sebastiaangilde te Brugge. In die stad, in de Sint-Jorisstraat had hij volgens de overlevering zijn stadsverblijf. Hij was ook een veelbetekenend verzamelaar van miniaturen, meestal van de hand van de beste Vlaamse miniaturisten en schriftgeleerden.