Beslag (recht)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Een beslag is een maatregel waarbij een voorwerp of zakelijk recht wordt ontnomen. De begrippen in het hiernavolgende stuk zijn grotendeels dezelfde in Nederland en in België. Zo nodig wordt expliciet aangegeven op welk land iets van toepassing is.

In het strafrecht[bewerken]

Op verboden voorwerpen kan volgens het strafrecht beslag worden gelegd. Dit geldt bijvoorbeeld voor wapens waar geen vergunning voor aanwezig is. In dit geval zal de politie het voorwerp confisqueren, waarna het doorgaans in een gerechtelijke procedure zal worden onttrokken aan het verkeer en zal worden vernietigd.

In België[bewerken]

Het beslag in strafzaken is een voorlopige dwangmaatregel waardoor de bevoegde overheid (conform de wetgeving) een zaak onttrekt aan het vrij beschikkingsrecht van de eigenaar of bezitter. Naargelang het doel van de inbeslagneming, is er sprake van bestuurlijke of gerechtelijke inbeslagneming.

Bestuurlijke inbeslagneming[bewerken]

Artikel 30 van Wet op Politieambt zegt: "De voorwerpen en dieren die een gevaar betekenen voor het leven en de lichamelijke integriteit van de personen en de veiligheid van goederen kunnen, in een voor het publiek toegankelijke plaats, door een politieambtenaar, met het oog op de handhaving van de openbare rust, aan de eigenaar (...) onttrokken worden, die er niet langer vrij over kan beschikken, zolang zulks met het oog op de handhaving van de openbare rust vereist is. Deze bestuurlijke inbeslagneming geschiedt overeenkomstig de richtlijnen en onder verantwoordelijkheid van een officier van bestuurlijke politie."

De meeste bestuurlijke inbeslagnemingen gebeuren tijdens massabijeenkomsten, sportmanifestaties of culturele manifestaties.

Het doel is hier het garanderen van de openbare rust.

De in beslag genomen goederen worden 6 maanden ter beschikking gehouden, tenzij de bevoegde overheid (meestal de burgemeester) ze om dringende redenen besluit te vernietigen. De wettelijke procedure volgens dewelke de voorwerpen bewaard, teruggegeven of vernietigd moeten worden is nog steeds niet geregeld via Koninklijk Besluit.

Gerechtelijke inbeslagneming[bewerken]

Het beslag in strafzaken is een voorlopige dwangmaatregel waardoor de bevoegde overheid (conform de wetgeving) een zaak onttrekt aan het vrij beschikkingsrecht van de eigenaar of bezitter, met het oog op de waarheidsvinding, of om te dienen als overtuigings- of ontlastingsstuk, de bijzondere verbeurdverklaring of de teruggave.

Het doel bestaat erin de voorwerpen die kaderen in het onderzoek naar een misdrijf, tijdelijk ter beschikking te stellen van het gerecht. De gerechtelijke inbeslagneming eindigt wanneer er een definitieve uitspraak is waarbij wordt overgegaan tot de verbeurdverklaring of de teruggave.

Indien goederen of zaken of financiële middelen de opbrengst zijn van een misdrijf en in aanmerking komen voor bijzondere verbeurdverklaring, kunnen zij tijdens het gerechtelijk onderzoek in beslag worden genomen.

Met de wet van 19/12/2002 (de zgn. Kaalplukwet) werd de inbeslagname en verbeurdverklaring uitgebreid op vermoedelijke vermogensvoordelen, verworven uit andere misdrijven waarvoor men werd veroordeeld.

In het strafrechtelijk vooronderzoek[bewerken]

In het strafrechtelijk vooronderzoek kan er beslag worden gelegd op voorwerpen die mogelijk belangrijk bewijsmateriaal opleveren. Wanneer bijvoorbeeld een moord wordt gepleegd kan bijvoorbeeld een vloerkleed waar mogelijk bloed van het slachtoffer op ligt in beslag worden genomen. In de strafprocedure beslist de rechter uiteindelijk wat er met deze in beslag genomen voorwerpen gebeurt. In normale gevallen zullen ze worden teruggeven aan de rechtmatige eigenaar. Wanneer het misdrijf echter gepleegd is met behulp van de voorwerpen, kan de rechter ook beslissen dat de voorwerpen ontnomen worden, verkocht worden ten behoeve van schadevergoeding van slachtoffers, of moeten worden vernietigd.

In het civiel recht[bewerken]

In het civiel recht kan er beslag worden gelegd op bezittingen van een ander, die òf al procespartij is, òf die door degene, die het beslag laat leggen, binnen de door de wet bepaalde termijn, met een dagvaarding in een procedure wordt betrokken.

Er zijn verschillende vormen van beslag.

Conservatoir en executoriaal beslag[bewerken]

Conservatoir beslag[bewerken]

Als er nog geen proces gaande is, of tijdens een proces, zolang er nog geen uitspraak van de rechter is, kan de eisende partij met een verzoekschrift aan de rechter vragen beslag te mogen laten leggen op vermogensbestanddelen van de debiteur, op voorwerpen of gelden van de gedaagde partij. Als het gaat om zaken die die ander zelf onder zich heeft, zal in het verzoekschrift aannemelijk moeten worden gemaakt dat de debiteur zijn vermogen aan het vervreemden is, door bijvoorbeeld verkoop. 'Vrees voor verduistering' wordt dat genoemd. In het geval dat de eiser beslag wil leggen op vorderingen die de gedaagde op een derde heeft, zoals een banktegoed, of het salaris van een werknemer, geldt het vereiste van de vrees voor verduistering niet. Normaal gesproken wordt degene onder wie beslag wordt gelegd niet op het verzoek gehoord, en verleent de rechter automatisch verlof tot het leggen van beslag. De gedaagde partij krijgt dus in de regel geen waarschuwing vooraf dat er beslag gelegd gaat worden, hetgeen soms een verrassingseffect sorteert. In geval van loonbeslag wordt de debiteur wel altijd voorafgaande aan de toestemming door de rechter gehoord.

In Nederland kan de rechter beslissen dat de eisende partij een bedrag moet storten in de consignatiekas van de rechtbank voor het geval het beslag achteraf onterecht blijft, en de eisende partij wordt veroordeeld tot schadevergoeding.

Bij het verzoek tot verlof om conservatoir beslag te leggen, moet in het verzoekschrift uitdrukkelijk vermeld staan waar beslag op zal worden gelegd. Alleen voor zover dit door de rechter is toegewezen mag beslag worden gelegd. Als er bijvoorbeeld toestemming wordt verleend om onder de ene bank beslag te leggen, mag er niet, op basis van hetzelfde verlof, beslag gelegd worden bij een andere, niet genoemde bank.

De rechter bepaalt tevens een termijn voor het instellen van de hoofdzaak. Meestal is dit 2 tot 3 weken. Binnen die termijn moet de dagvaarding worden betekend. Gebeurt dit niet, dan vervalt het gelegde beslag, en is de eisende partij aansprakelijk voor eventuele schade. Dat is de eisende partij overigens ook wanneer hij in de hoofdzaak ongelijk krijgt en het beslag dus achteraf onterecht was.

Wanneer de eisende partij in de hoofdzaak gelijk krijgt, wordt het conservatoire beslag na betekening van het vonnis van rechtswege executoriaal.

In België wordt eerder van bewarend beslag gesproken, al is het woord 'conservatoir' ook gangbaar. Het eenzijdig bewarend beslag kan toegestaan worden door de beslagrechter van de rechtbank van eerste aanleg. Hiertegen kan verzet worden aangetekend bij dezelfde rechtbank.

Executoriaal beslag[bewerken]

Het executoriaal beslag kan het gevolg zijn van het verkrijgen van een toewijzend vonnis. Wanneer de veroordeelde daaraan niet voldoet, kan de eiser een gerechtsdeurwaarder inschakelen om over te gaan tot beslag.

In Nederland zal, wanneer de rechter een vonnis wijst, de gerechtsdeurwaarder het vonnis betekenen en in naam des Konings bevel doen om binnen een bepaalde termijn (meestal 2 dagen) aan de inhoud van het vonnis te voldoen. Wanneer dit niet gebeurt kan de gerechtsdeurwaarder zonder verdere interventie van een rechter op verzoek van de eisende partij overgaan tot het leggen van beslag op het gehele vermogen van de geëxecuteerde en minus een vrij te laten bedrag op alle inkomsten van de geëxecuteerde.

In België wordt eerder van uitvoerend beslag gesproken, al is het woord 'executoriaal' ook gangbaar.

Verschillende soorten beslagen[bewerken]

Beslag op roerende zaken[bewerken]

Een beslag op roerende zaken omvat een beslag op alle roerende zaken die eigendom zijn van de geëxecuteerde of gedaagde. Sommige roerende zaken zijn uitgesloten van beslag. Voor het onderscheid tussen roerend en onroerend, zie goederen en zaken.

In Nederland zijn bijvoorbeeld uitgesloten van beslag het bed, beddengoed en voedsel voor 30 dagen, werktuigen en gereedschappen voor het uitvoeren van zijn of haar beroep. De gerechtsdeurwaarder zal meestal een ronde door het huis of kantoor doen en opschrijven waar beslag op wordt gelegd. Binnen 3 dagen brengt de deurwaarder zijn proces-verbaal uit. In dit proces-verbaal staat omschreven waar beslag op gelegd is. Hoe alles precies omschreven wordt, hangt af van de aard van de zaak. De spullen waar beslag op ligt mogen niet worden vervreemd (verkocht of bezwaard) door de beslagene; dit is strafbaar. Om dit te voorkomen, kan de deurwaarder de spullen die in beslag zijn genomen in bewaring geven bij een bewaarder.

Bij een conservatoir beslag zal de deurwaarder doorgaans de spullen niet meenemen, omdat het uitgangspunt bij een conservatoir beslag is dat iemand zo min mogelijk wordt gehinderd in de dagelijkse werkzaamheden. Bij executoriaal beslag worden in de beslag-fase vaak ook geen voorwerpen ingenomen. Dit gebeurt alleen wanneer de deurwaarder ernstige verdenking heeft dat de voorwerpen zullen worden vervreemd, bijvoorbeeld doordat dit eerder een keer is gebeurd. Wanneer er executoriaal beslag is gelegd, krijgt de geëxecuteerde een bepaalde termijn om alsnog aan het vonnis te voldoen, of te proberen een betalingsregeling te treffen met de deurwaarder. Gebeurt dit niet, dan zal de gerechtsdeurwaarder de executie-verkoop aanzeggen. Wanneer de geëxecuteerde dan nog niet in actie komt, zal de verkoop worden aangekondigd in regionale dagbladen, en zal er een aanslagbiljet op het pand worden geplakt waar de spullen zich bevinden. Op de dag van de verkoop komt de deurwaarder, en zal alles bij opbod worden verkocht.

In de praktijk komt het zelden tot een executie-verkoop omdat de baten vaak niet opwegen tegen de kosten van de verkoop. Over het algemeen zal een gerechtsdeurwaarder geen beslag op roerende zaken leggen wanneer er beslag op inkomsten of een derden-beslag gelegd kan worden.

In België wordt gesproken van beslag op roerende goederen; dit omvat niet alleen voorwerpen, maar ook financiële rekeningen en andere roerende waarden.

Beslag op onroerende zaken[bewerken]

In Nederland is het beslag op onroerende zaken een zogenaamd bureaubeslag. De deurwaarder legt dit beslag op zijn kantoor en laat het beslag daarna inschrijven bij het Kadaster. Het beslag wordt binnen 3 dagen na inschrijving bij het kadaster, op straffe van nietigheid van het beslag, betekend aan de beslagene. Tevens wordt de hypotheekhouder nadat er beslag is gelegd ingelicht (binnen 4 dagen na inschrijving, niet op straffe van nietigheid). De hypotheek-houder krijgt vervolgens een bepaalde termijn (wettelijk 14 dagen) waarin deze de executie kan overnemen. Wanneer het daadwerkelijk tot executie komt, zullen eerst de kosten van de gerechtsdeurwaarder en de notaris worden betaald; dan zal de hypotheek-houder betaald worden, en als er dan nog iets overblijft, zal dat ten behoeve komen van de schuldeiser.

In België geeft het onroerend beslag recht op een al dan niet bijkomende hypothecaire inschrijving.

Derdenbeslag op inkomsten[bewerken]

Het meest voorkomende beslag is een beslag op de vordering van periodieke inkomsten (loon of uitkering) die de schuldenaar heeft op een derde, zijnde de werkgever of (pensioen)uitkeringsinstantie. Er is dan sprake van een zogenaamd loonbeslag onder die derde. Niet het hele loon of uitkering is vatbaar voor beslag. Het meest voorkomende beslag is een beslag op periodieke inkomsten (loon of uitkering), een zogenaamd loonbeslag. Niet het hele loon of uitkering is vatbaar voor beslag.

In Nederland geldt steeds een wettelijk vastgestelde beslagvrije voet voor de eerste noodzakelijke kosten van levensonderhoud ("brood, bed en zorg"). Deze standaard beslagvrije voet bedraagt 90% van de toepasselijke bijstandsnorm. Dat is minder dan het vrij te laten bedrag dat doorgaans bij een minnelijke schuldhulpverlening en de wettelijke schuldsanering en bij faillissement gehanteerd wordt. Van belang is de individuele beslagvrije voet. Dat is de standaard beslagvrije voet die enerzijds eventueel is verhoogd met een tweetal componenten en anderzijds wordt verlaagd met ander periodiek inkomen van de schuldenaar waarop geen (ander) beslag ligt en met het periodieke inkomen van een eventuele (huwelijks)partner waarop geen beslag ligt. Deze laatste vermindering bedraagt maximaal 50% van de beslagvrije voet, welk maximum de beslaglegger ook mag toepassen als de beslagene geen informatie verstrekt over het partnerinkomen. De twee componenten waarmee de standaard beslagvrije voet wordt verhoogd zijn enerzijds de nominale zorgpremie voor zo ver die meer bedraagt dan de som van de in de bijstandsnorm begrepen normpremie en de eventuele zorgtoeslag voor zo ver daarop geen beslag ligt. Anderzijds met de woonlasten - beperkt tot de (kale) rekenhuur of de hypotheekrente met enige eigenaarslasten die een huurder niet heeft - voor zo ver die woonlasten meer bedragen dan de som van de in de bijstandsnorm begrepen normhuur en de eventuele huurtoeslag, voor zo ver daarop geen beslag ligt. Deze verhoging met woonlasten is aan een maximum gebonden, gelijk aan de maximaal mogelijke huurtoeslag. Wanneer de beslagene in het buitenland woont) dat geldt in beginsel een beslagvrije voet van nihil. Als in deze situatie de beslaglegger niet bereid is om niettemin vrijwillig een beslagvrije voet in acht te nemen kan de beslagene die kan aantonen daardoor geen toereikende middelen meer te bezitten om te voorzien in de (lokale) kosten van "brood, bed en zorg", de Nederlandse kantonrechter verzoeken om een wel toereikende beslagvrije voet vast te stellen.

Wanneer loonbeslag wordt gelegd, moet de werkgever of uitkeringsinstantie maandelijks alles waarmee de periodieke (loon)uitkering de beslagvrije voet overschrijdt, afdragen aan de gerechtsdeurwaarder of andere beslaglegger. Dit geldt slechts eveneens voor jaarlijks te betalen uitkeringen zoals vakantiegeld, een eventuele eindejaarsuitkering (13e maand) en winstdelingsregeling tenzij de (4-)wekelijkse of maandelijkse (loon)uitkering ten tijde van het beslag op jaarbasis minder bedraagt dan het twaalfvoud van de beslagvrije voet. In dat geval komt de jaarlijkse (extra) (loon)uitkering in eerste instantie (deels) toe aan de beslagene tot het verschil tussen het beslagen periodieke inkomen op maandbasis en de door de wet gegarandeerde individuele beslagvrije voet die de beslaglegger (en niet de werkgever of uitkeringsinstantie) moet vaststellen.


In België is het beslag op inkomsten een bijzondere vorm van het derden-beslag (zie verder).

Het vrij te laten bedrag ("leefgeld") wordt bij wet vastgelegd en geregeld aangepast.

Overige derdenbeslagen(en)[bewerken]

Behalve een vordering van loon of uitkering kan een schuldenaar ook andere voor beslag vatbare zaken bezitten die zich bij een andere derde bevinden (of daar bewust worden ondergebracht in een poging om aan het beslag daarop te ontsnappen). Evenals bij loonbeslag is de derde verplicht die zaken aan de beslaglegger af te dragen of - bij conservatoir beslag - onder zich te houden. Dit kan bijvoorbeeld een familielid of een afnemer zijn die onbetaalde of geleende goederen onder zich heeft van, of schulden heeft aan de geëxecuteerde (schuldenaar). Bij een conservatoir derden-beslag is de derde-beslagene verplicht om alles wat aan de geëxecuteerde toebehoort of aan hem verschuldigd is onder zich te houden. Doet de derde-beslagene dit niet, dan kan deze zelf worden aangesproken alsof hij zelf de schuldenaar was. Dit geldt ook wanneer de derde-beslagene niet de wettelijk vereiste verklaringen invult, niet afdraagt op een executoriaal beslag of het derdenbeslag op een andere manier tegenwerkt. Hetgeen de derde verplicht overeenkomstig de derdenverklaring betaalt of afdraagt aan de (gerechtsdeurwaarder namens) de beslaglegger, geldt juridisch als betaling of afdracht van de derde aan de geëxecuteerde. De derde is "bevrijd", hetgeen wil zeggen dat de derde door de schuldenaar niet kan worden verweten of aangesproken voor hetgeen de derde overeenkomstig zijn derdenverklaring aan de beslaglegger heeft betaald of afgedragen in plaats van voldaan of teruggegeven aan de schuldenaar zelf. Dat is ook logisch omdat de derde met de afdracht de schuld van de geëxecuteerde heeft verminderd en diens vermogenspositie (het totaal van bezittingen, vorderingen en schulden) door de afdracht dus niet is gewijzigd.

Heeft de schuldenaar een positief saldo op zijn bankrekening dan heeft hij een vordering op zijn bank-instelling die dan als de derde geldt. Op deze vordering - ter hoogte van dat saldo - is eveneens derdenbeslag mogelijk. We spreken dan van een "bankbeslag"). Het gevolg van een bankbeslag is dat de toegang tot de bankrekening van de geëxecuteerde wordt geblokkeerd. Dit gebeurt overigens niet door (de gerechtsdeurwaarder namens) de beslaglegger, maar door de bankinstelling op basis van hun algemene voorwaarden. De bankinstelling is dan verplicht om het op de dag van het beslag geldende positieve saldo van de bankrekening af te dragen aan de beslaglegger tot maximaal het bedrag van diens - met de executiekosten vermeerderde - vordering. Evenals bij loonbeslag moet de derde (hier dus de bankinstelling) NA 4 weken een "derdenverklaring" afgeven aan (de gerechtsdeurwaarder namens) de beslaglegger waarin staat of en hoeveel er onder het beslag valt. Het bankbeslag vervalt direct na het moment waarop het wordt gelegd. Bedragen die na beslaglegging op de bankrekening worden gestort en voor een nieuw positief saldo zorgen, vallen dus niet eveneens onder het zelfde bankbeslag. De frequentie waarmee de beslaglegger opnieuw bankbeslag mag leggen is beperkt. Ook gelden er beperkingen ter voorkoming van misbruik of het frustreren van de wettelijke bescherming van de beslagvrije voet in het geval het periodieke loon- of uitkeringsbedrag op de bankrekening wordt overgemaakt.

Fiscaal bodemrecht (Nederland)[bewerken]

Elke crediteur kan beslag leggen op het gehele vermogen van zijn debiteur. Als dat gebeurt, is de kans aanwezig dat onder de in beslag genomen zaken, eigendommen van derden zitten. Deze kunnen daarom bezwaar maken tegen die inbeslagname waarna de beslaglegger het beslag ongedaan moet maken.

Op deze regel - de mogelijkheid van verzet tegen de inbeslagname door een derde - bestaat een belangrijke uitzondering, namelijk indien het beslag door de belastingdeurwaarder namens belastingdienst wordt gelegd. Deze uitzondering, het fiscale bodemrecht genoemd, wordt in de spreektaal bodem-beslag genoemd, hoewel elke crediteur beslag kan leggen op alle zaken die hij op de bodem van zijn debiteur aantreft. Gevolg van dit bodemrecht, is dat de derde, indien aan bepaalde voorwaarden is voldaan, géén verzet kan aantekenen tegen het beslag en de belastingdienst zich dus op die zaken kan verhalen. Het bodemrecht gaat bovendien voor stille pandrechten.

Dit betekent in praktijk dat met name zaken geleverd onder eigendomsvoorbehoud door de belastingdienst beslagen en uitgewonnen kunnen worden, ondanks het eigendomsvoorbehoud. Ook wanneer de ondernemer samenwoont of buiten gemeenschap van goederen getrouwd is kan de belastingdienst goederen van de partner beslaan.

Er bestaan overigens wel manieren waarop crediteuren het fiscale bodemrecht kunnen omzeilen. Pandhouders kunnen bijvoorbeeld hun verpande goederen komen ophalen zodat ze niet meer op de bodem van de belastingplichtige staat. Een andere methode, waar wel de medewerking van de belastingplichtige voor vereist is, is 'de bodem wegslaan'. Doordat de crediteur snel een huurovereenkomst met de belastingplichtige tekent is de crediteur huurder en staan de goederen niet meer op de bodem van de belastingplichtige maar die van de crediteur. Ook in dit geval vist de fiscus dan achter het net.

Beslag op tak- en wortelvaste vruchten (België)[bewerken]

Het Belgische gerechtelijk wetboek voorziet in een speciale regeling voor beslag op oogst.

Zie ook[bewerken]

Externe link[bewerken]