Cito Eindtoets Basisonderwijs
De Cito Eindtoets Basisonderwijs, vaak afgekort tot Cito-toets, is een toets van Cito die leerlingen van het Nederlandse basisonderwijs in groep 8 afleggen zodat men een beeld kan krijgen wat het best passende vervolgonderwijs voor de deelnemende leerling zou kunnen zijn.
Inhoud |
[bewerken] Doel
De toets is een hulpmiddel bij de keuze voor het voortgezet onderwijs. Ook het advies van de basisschool, de mening van de leerling,[bron?] de ouders en de ontvangende school zijn van belang. De Cito-toets is geen examen waarvoor een leerling kan slagen of zakken. Een leerling wordt gedurende de gehele basisschool gevolgd, waardoor al bekend is wat de mogelijkheden zijn van de leerling. Ook spelen de sociaal-emotionele ontwikkeling en eventuele gedrags- of leerstoornissen een rol bij het bepalen van het meest geschikte vervolgonderwijs.
[bewerken] Opzet
De Cito Eindtoets Basisonderwijs bestaat uit meerkeuzevragen op het gebied van taal, rekenen, wiskunde, studievaardigheden en wereldoriëntatie. De toets wordt gespreid over drie ochtenden afgenomen. Het onderdeel wereldoriëntatie is een optioneel onderdeel, dus de school mag ervoor kiezen dit onderdeel niet af te nemen.
[bewerken] Overzicht onderdelen
Hieronder staat een overzicht van de onderdelen die voorkomen in de Cito Eindtoets (tussen haakjes staat het aantal opgaven).
| Taal (totaal 100) | Studievaardigheden (totaal 40) | Rekenen-Wiskunde (totaal 60) | Wereldoriëntatie (totaal 90) |
|---|---|---|---|
| Invullen van teksten (30) | Studieteksten (10) | Getallen en bewerkingen (25) | Aardrijkskunde (30) |
| Spelling (20) | Informatiebronnen (10) | Verhoudingen, breuken en procenten (20) | Geschiedenis (30) |
| Begrijpend lezen (30) | Lezen van schema’s, tabellen en grafieken (10) | Meten, meetkunde, tijd en geld (15) | Natuuronderwijs (30) |
| Woordenschat (20) | Kaartlezen (10) | Metrieke Stelsels | x |
[bewerken] Resultaten
De Cito-eindscore is een getransformeerde schaalscore.[1] De ruwe score, dus het aantal goede vragen, wordt omgezet naar een percentielscore. Percentiel 50 krijgt Cito-eindscore 535. De overige percentielscores worden soortgelijk voorzien van een eindscore. Het landelijk gemiddelde zal meestal iets afwijken van 535 omdat de populatie net iets anders is samengesteld dan de testgroep.
Door dit systeem is het effect van een afwijkende moeilijkheidsgraad weggenomen. Score 535 betekent bij een makkelijke toets precies hetzelfde als bij een moeilijke toets, namelijk percentiel 50. Het advies van de basisschool welk voortgezet onderwijs te volgen is een combinatie van professionele inschatting, lvs-scores door de jaren heen en de Cito-eindscore. Meest ideaal komt dat alles grotendeels overeen. De keuze voor de schaal 501-550 is op eerste gezicht een merkwaardige, immers vaak wordt score 100 gebruikt voor percentielscore 50. Denk met name aan een intelligentiemeting. Omdat de toets is bedoeld als hulpmiddel bij de doorverwijzing naar het voortgezet onderwijs, en niet als intelligentiemeting, heeft Cito de mogelijke associatie hiermee willen voorkomen. Dit door de keuze van de schaal 501-550. Bijvoorbeeld een kind dat een (standaard)score van 536 haalt, zal in een beroepsgerichte leerweg 99% leerlingen tegenkomen die hetzelfde of lager hebben gescoord dan hij of zij en 1% met een hogere score. In de categorie gemengd theoretische leerweg/havo is de verhouding dan 54% met hetzelfde of een lagere score tegen 46% met een hoger score. Op het vwo zal 99% van de medeleerlingen betere resultaten behaald hebben. Hieruit kan worden afgeleid dat het vmbo een goede keuze is en dat ook de havo te proberen valt. Plaatsing in een vmbo/havo-brugklas ligt dan voor de hand. Als een kind 536 haalt bij een rapport vol achten en negens, zal een vwo-advies toch eerder voor de hand liggen. De kans is echter groter dat een leerling met een lagere Citoscore meer problemen bij de opleiding ondervindt. In de praktijk willen de meeste scholen graag nieuwe leerlingen waardoor zij gevoelig zijn voor argumenten die suggereren dat de scholier toch voor het desbetreffende onderwijstype geschikt is. Weinig scholen hanteren de indicatienormen dan ook als een absoluut selectiecriterium. Het Cito zegt zelf: "De toets meet wat een kind in vergelijking met andere kinderen in acht jaar basisonderwijs geleerd heeft. Leervorderingen zeggen iets over de kansen op succes in de verschillende typen van het voortgezet onderwijs." De Cito Eindtoets zegt echter niet hoe groot de kans op succes echt is, terwijl het aannemelijk is dat het Cito dat op grond van ervaringscijfers wel weet.
[bewerken] Advies
Bij een bepaald resultaat hoort een bepaald advies;
- 501 - 522 - Basisberoepsgerichte leerweg
- 522 - 527 - Basis- en Kaderberoepsgerichte leerweg
- 524 - 528 - Kaderberoepsgerichte leerweg
- 528 - 532 - Kaderberoepsgerichte leerweg en gemengde/theoretische leerweg (de voormalige mavo)
- 530 - 535 - Gemengde/ theoretische leerweg
- 533 - 536 - Gemengde/theoretische leerweg en havo
- 537 - 540 - havo
- 540 - 545 - havo/vwo brugklas
- 545 - 550 - vwo (atheneum / gymnasium / technasium / tweetalig vwo)
Als het advies van de basisschool en de uitslag van de Cito Eindtoets niet overeenkomen, kan een alternatieve test worden afgenomen. Voor de zwak-scorende leerlingen kan nader onderzoek geadviseerd worden in functie van een eventuele vervolgopleiding in het speciaal onderwijs.
In Nederland gaat circa 60% van de kinderen naar het vmbo (4 niveaus) en 40% naar havo of vwo. De relatie met het leerlingvolgsysteem (lvs) is globaal als volgt: Met score E,D en C naar vmbo, groep B deels naar hoogste niveau vmbo en deels havo, en A verdeeld over havo en vwo.
[bewerken] Amsterdam
In Amsterdam is het openbaar onderwijs door de gemeente verplicht de Cito Eindtoets Basisonderwijs af te nemen, ondanks de kritiek dat een kind via de toets in korte tijd op slechts een paar gebieden een score produceert waaraan veel waarde wordt gehecht. Veel Amsterdamse scholen met veel allochtone leerlingen moesten echt overgehaald worden. Nog steeds proberen scholen hun gemiddelde score te verhogen door niet alle leerlingen aan de Cito Eindtoets Basisonderwijs deel te laten nemen. In Amsterdam doet gemiddeld een kwart van de leerlingen niet mee en dit percentage neemt jaarlijks toe. Reden daarvoor is dat ook zonder toets al bekend is dat deze leerlingen te laag zouden scoren. Dit worden lwoo-leerlingen. Een lage score haalt het gemiddelde van de school naar beneden en men denkt dat een lage score demotiverend werkt. Deelnamecijfers en gemiddelde scores worden niet door de onderwijsinspectie gerapporteerd. Redenen voor een lage score kunnen zijn: een te laag IQ, emotionele en gedragsproblemen, taalachterstanden en slecht onderwijs. In Geuzenveld deed in 2005 35% van de leerlingen niet mee. Op sommige scholen doet zelfs 50% niet mee.
[bewerken] Vergelijking van scholen
De uitslag van de Eindtoets Basisonderwijs wordt gepubliceerd en kan gebruikt worden om scholen met elkaar te vergelijken. Een hoge gemiddelde score voor een school kan verschillende oorzaken hebben:
- De school geeft goed onderwijs en haalt het beste uit ieder kind;
- De leerlingen hebben in aanleg veel potentie;
- De leerlingen worden in hun omgeving extra geprikkeld zodat ze zich ontwikkelen;
- De school neemt bij zwakke leerlingen de toets niet af;
- Er zijn leerlingen in lagere groepen blijven zitten, zodat ze langer basisonderwijs hebben gehad;
- De school bereidt leerlingen beter voor op de toets.
De gemiddelde score van een school moet dus kritisch en genuanceerd worden bekeken.
[bewerken] Aangepaste afname
Voor kinderen met dyslexie zijn boekjes van een groter formaat beschikbaar. De toets kan auditief ondersteund worden met behulp van een cd.
[bewerken] Kritiek
Er is ook kritiek op de Cito-eindtoets:
- De toets bevat teveel contextuele opgaven;
- De toets is een momentopname;
- De leerling wordt gedurende de gehele acht jaar op de basisschool reeds gevolgd, de uitslag is dus voorspelbaar;
- Er wordt veel waarde aan de toets gehecht waardoor de kinderen teveel onder druk gezet worden. Bovendien zou het ertoe leiden dat de toetsresultaten als een bindend schooladvies zouden worden beschouwd, iets wat de toets niet beoogt;
- De toets meet alleen de cognitie;
- De toets is talig, waardoor er een onbetrouwbare score is bij dyslectische kinderen en kinderen met een andere moedertaal;
- De toets is ongeschikt voor kinderen met een laag IQ of gedrags- en leerstoornissen.
Ondanks de kritiek wilde de minister van Onderwijs de toets vanaf 2008 verplicht maken voor elke school en voor elk basisschoolkind, maar in februari 2009 luidt het dat staatssecretaris Dijksma de Cito-toets ook in de toekomst niet verplicht wil stellen.[2] Men zou de Cito-toets eerder als een tweede kans kunnen zien.[3] Begin maart 2011 vindt het kabinet Rutte dat de eindtoets verplicht moet worden en tevens later in het jaar (rond April) moet worden georganiseerd.
[bewerken] KNAW-rapport
In 2009 presenteerde de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen het rapport Rekenonderwijs op de basisschool. Analyse en sleutels tot verbetering. Cito dient zijn toetsen zodanig in te richten dat er een balans is tussen opgaven met en zonder context, tussen inzicht en vaardigheid. In zowel het basis- als het vervolgonderwijs is het niet gewenst dat een bepaalde vaardigheid is gekoppeld aan één context.[4]
[bewerken] Alternatieven
Er zijn naast de Cito-toets meerdere toetsen die gebruikt kunnen worden als eindtoets voor het basisonderwijs:
- DLE-LVS, waarbij het DLE gebruikt wordt voor het advies voor het meest passende voortgezet onderwijs.
- Drempelonderzoek, didactische plaatsbepaling voor voortgezet onderwijs en praktijkonderwijs.
- Drempeltest, geeft een schooladvies op basis van de aanleg/potentie (taal/verbaal en wiskundig/praktisch) van de leerling en geeft aanvullend informatie over de leermotivatie (zelfvertrouwen, doorzettingsvermogen en dergelijke).
- Nederlandse Differentiatie Testserie, een intelligentietest voor 11 tot 15-jarige leerlingen die in aanmerking komen voor plaatsing in het vmbo.
- Nederlandse Intelligentietest voor Onderwijsniveau.