Dikstaartmuis

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Dikstaartmuis
IUCN-status: Niet bedreigd[1] (2008)
Жирнохвостая песчанка (Pachyuromys duprasi), Fettschwanz-Rennmaus, Fat-tailed gerbil, 06.03.2010.jpg
Taxonomische indeling
Rijk: Animalia (Dieren)
Stam: Chordata (Chordadieren)
Klasse: Mammalia (Zoogdieren)
Orde: Rodentia (Knaagdieren)
Familie: Muridae (Muisachtigen)
Onderfamilie: Gerbillinae
Geslachtengroep: Gerbillini
Subtribus: Pachyuromyina
Pavlinov, 1982
Geslacht: Pachyuromys
Lataste, 1880
Soort
Pachyuromys duprasi
Lataste, 1880
Portaal  Portaalicoon   Biologie
Zoogdieren

De dikstaartmuis (Pachyuromys duprasi), ook wel dikstaartgerbil genoemd, is een knaagdier uit de familie Muridae. De dikstaartmuis is een nog erg onbekende woestijnratsoort op de huisdierenmarkt. Het is de enige soort van het subtribus Pachyuromyina en het geslacht Pachyuromys.

Oorsprong[bewerken]

Dikstaartmuizen komen oorspronkelijk uit de noordelijke Sahara (noordwestelijk Egypte, Libië, Tunesië en Algerije). Daar leven ze in spaarzaam beplante zandvlakten of rotsachtige woestijnen.

In 1880 werd de dikstaartmuis ontdekt in Laghouat (Algerije) door de Franse zoöloog Fernand Lataste. Hij beschreef de soort voor het eerst uitvoerig in Le Naturaliste.

Er worden twee ondersoorten onderscheiden: Pachyuromys duprasi duprasi en de kleinere Pachyuromys duprasi natronensis (Noord-Egypte). Soms wordt er nog een derde ondersoort genoemd: Pachyuromys duprasi faroulti (West-Algerije). Maar deze ondersoort wordt meestal gezien als een synoniem van Pachyuromys duprasi duprasi.

Uiterlijk[bewerken]

De dikstaartmuis is een middelgrote woestijnrat met een lichaamslengte van ongeveer 10 cm en met een staart van ongeveer 5 cm lang. De veel bekendere Mongoolse renmuis (Meriones unguiculatus) weegt vaak tussen de 70 en 80 gram. Een dikstaartmuis daarentegen weegt gemiddeld maar ongeveer 40 gram. Toch lijken ze vaak veel dikker. Deze woestijnratsoort heeft een dikke, zachte, pluizige vacht. De haren op de rug zijn geel gekleurd met een donkergrijze basis en een kleine zwart puntje. De buik is helder wit. Hun lichaam is rond en wat afgeplat en heeft geen duidelijke nek. Dikstaartmuizen hebben een scherp gezicht met grote ovale ogen. De oren van deze soort zitten laag wat het dier een vosachtige kop geeft. De poten zijn kort voor een woestijnrat.

Dikstaartmuizen lijken wat op een hamster, maar anders dan een hamster heeft de dikstaartmuis een spitse snuit en een dikke, bijna kale, knuppelvormige staart. Aan deze ongewone en opvallende staart dankt dit dier ook zijn Nederlandse naam. Een gezonde dikstaartmuis is te herkennen aan een mooie ronde dikke staart. Dankzij hun staart zijn ze ook erg makkelijk te onderscheiden van andere woestijnratten.

Gedrag[bewerken]

In het wild leven dikstaartmuizen solitair (alleen) en soms in een kleine groep (moeder met jongen). In gevangenschap kunnen ze zowel solitair als met meerderen bij elkaar gehouden worden.

In het wild worden de dikstaartmuizen actief tijdens de schemering. In gevangenschap lijken de dikstaartmuizen dagdieren te zijn, hoewel ze heel veel slapen! Deze woestijnrat is korte perioden actief naast langere periodes van slaap, en ze zijn erg diepe slapers. Ze gaan soms in een stadium dat lijkt op een winterslaap, maar geen echte winterslaap is.

Dikstaartmuizen zijn erg handelbaar en zullen niet snel bijten. Volgens veel bronnen zouden gevangen wilde dikstaartmuizen met de blote hand uit de val gehaald kunnen worden zonder gebeten te worden (hoewel dat te betwijfelen valt). Dikstaartmuizen die niet gewend zijn aan mensen kunnen wel degelijk bijten, hoewel ze veel minder bijterig zijn dan bijvoorbeeld Mongoolse renmuizen en Syrische hamsters (Mesocricetus auratus). Deze vriendelijke dieren kunnen ook bijten als je ze wakker maakt terwijl ze liggen te slapen, net zoals de Syrische hamsters dat doen.

Anders dan de meeste andere woestijnratten, is het mogelijk om een dikstaartmuis op de palm van uw hand te zetten waar hij dan gewoon zal blijven zitten, zonder interesse in de omgeving en zonder poging om te ontsnappen. Ze lijken de nieuwsgierigheid zoals die van de Mongoolse renmuis niet te hebben, maar meer gedrag vertonen dat eerder vergelijkbaar is met die van een Syrische hamster dan met die van een woestijnrat.

Dikstaartmuizen zijn veel tijd bezig met het verzorgen van hun vacht en het wassen van hun gezicht. En ze vinden het heerlijk om een zandbad te nemen of om te rennen in een loopradje.

Vrouwtjes kunnen agressief zijn naar mannetjes. In groepen dikstaartmuizen zullen ze soms vechten of ruziën over een speeltje of iets anders in het verblijf, bijvoorbeeld wie er gebruik mag maken van het looprad. Als ze ruziën piepen ze erg luid en bijten ze elkaar. Ook kan het paringsritueel van de dikstaartmuis verward worden met vechten.

Mannelijke dikstaartmuizen hebben, net zoals de meeste andere knaagdieren, een geurklier op hun buik om hun territorium te markeren door zich uit te rekken en met hun buik over de grond en spullen in hun verblijf te schuren. Hun geurmerken zijn niet waarneembaar door mensen en er komt geen merkbare geur uit hun verblijf, zoals bij hamsters en muizen.

Voedsel[bewerken]

Dikstaartmuizen zijn, wat hun puntige snuit al doet vermoeden, in het wild vooral insecteneters, maar eten ook verschillende planten. Onderzoekers hebben dikstaartmuizen zien eten van de volgende planten: Anabasis articulata en Artemisia monosperma.

Doordat het echte insecteneters krijgen deze knagers in gevangenschap ook dierlijke eiwitten, zoals meelwormen, krekels, motten, en eigenlijk alle andere insecten, zelfs kevers. Ook worden soms honden- of kattenbrokken gegeven.

Vochtig voedsel (groente, fruit, etc.) dient met mate gegeven te worden: aangezien dikstaartmuizen uit droge gebieden komen is hun spijsverteringsstelsel niet gewend aan voedsel met een hoog vochtgehalte. Ze kunnen er diarree van krijgen als ze het te veel eten.

Takken en twijgen zijn rijk aan vitaminen en erg geschikt naast hun basisvoer, vooral in de winter. Daarnaast is het ook nog goed voor hun tanden, omdat deze tanden net zoals bij alle knaagdieren hun hele leven blijven groeien en door knagen houden ze hun tanden op de juiste lengte. Voorbeelden zijn takken van fruitbomen, wilg, hazelaar, berk en de esdoorn.

Dikstaartmuizen zijn echte woestijndieren en hebben leren leven in deze droge gebieden. De dikstaartmuis slaat voedsel (vet) en water op in zijn staart net zoals de kameel dat doet in zijn bulten. Toch moet een dikstaartmuis in gevangenschap altijd voer en vers water tot haar beschikking hebben.

Huisvesting[bewerken]

Dikstaartmuizen leven in het wild in simpele holen van ongeveer één meter diep in harde zandige grond. Ze kunnen ook holen van andere soorten bewonen. De beste manier om dikstaartmuizen in gevangenschap te huisvesten is in een glazen bak, zoals een aquarium of terrarium. De maten moeten minstens 60x40 cm zijn voor 2-4 dikstaartmuizen.

Voor de bodembedekking wordt vooral houtschaafsel (houtkrullen) gebruikt, maar net als veel andere knaagdieren kunnen dikstaartmuizen ook allergisch reageren op naaldhout of ceder schaafsel. Dit kan ademhalingsproblemen veroorzaken. Dikstaartmuizen moeten ook regelmatig een zandbad nemen om hun vacht vetvrij te houden. Dikstaartmuizen maken altijd een nest en deze kan zowel ondergronds in hun hol zijn als op de oppervlakte van hun bodembedekking of in een huisje.

Het is mogelijk om een dikstaartmuis alleen te houden, zoals bij de Syrische hamster. Het houden van een fokpaartje kan wat moeilijk zijn.

Voortplanting[bewerken]

Dikstaartmuizen zijn geslachtsrijp als ze 2 maanden oud zijn, en in gevangenschap planten ze zich het gehele jaar voort. Het vrouwtje wordt maar eens in de 7 dagen bronstig. De draagtijd van de dikstaartmuis is 19-24 dagen. De gemiddelde nestgrootte is 3-5 jongen en de jongen stoppen met melk drinken op een leeftijd van ongeveer 29 dagen.

Net als bij de Syrische hamster kan het fokken van dikstaartmuizen in gevangenschap moeilijk zijn, doordat de vrouwtjes heel agressief kunnen zijn als ze drachtig zijn of jongen zogen. Ze zullen het mannetje aanvallen en kunnen hem zelfs doden als hij niet apart gehuisvest wordt nadat de paring plaats heeft gevonden. De kans dat een vrouwtje, dat gehuisvest is met een mannetje, zwanger raakt is ook veel kleiner dan bijvoorbeeld bij de Mongoolse renmuis. Als het vrouwtje zwanger raakt voordat ze 6 maanden oud is, is de kans klein dat ze ooit nog zwanger raakt als ze dat daarvoor niet geweest is.

Een bewezen methode om dikstaartmuizen te fokken is door een mannetje en een vrouwtje in een relatief kleine bak te plaatsen met niks anders erin dan de bodembedekking. Geen huisje, niks om mee te spelen, geen voerbakje. Op deze manier is er helemaal niks voor de dieren om voor te vechten of te ruziën. Ze kunnen niet territoriaal worden door de kleine ruimte en doordat er geen plekken zijn om te markeren.

Het paringsritueel van de dikstaartmuizen is enigszins ongewoon. Zowel het mannetje als het vrouwtje staan op hun achterpoten en worstelen en maken piepgeluidjes. Ze lijken elkaar nooit echt te bijten, maar het kan er wild aan toe gaan. Als het vrouwtje niet ontvankelijk is en het mannetje geeft niet op, dan zal het vrouwtje zich omkeren en de bodembedekking naar het mannetje schoppen. Vrouwelijke dikstaartmuizen zullen het nest maken als ze zullen gaan bevallen en zijn goede moeders. Het is het beste om het mannetje te verwijderen. Niet omdat het mannetje voor problemen zal gaan zorgen, maar omdat het vrouwtje gestrest raakt en het mannetje kan aanvallen. Ook als de jongen oud genoeg zijn om voor zichzelf te zorgen kun je ze beter bij de moeder weghalen, omdat de moeder haar jongen soms wel eens in de staart wil bijten.

Het beste is om minstens een maand (vanaf dat de jongen niet meer drinken bij de moeder) te wachten met het terugplaatsen van het mannetje bij het vrouwtje om opnieuw gedekt te worden. Dit om het vrouwtje wat rust te gunnen en te laten herstellen. De staart is een goede indicator of ze weer fit genoeg is om jongen te krijgen, ze moet weer een mooie dikke staart hebben

Geslachtsbepaling[bewerken]

Het verschil tussen een mannelijke en een vrouwelijke dikstaartmuizen is net zoals bij andere kleine knaagdieren te zien aan de afstand tussen de geslachtsopening en de anus. Bij het mannetje is deze afstand veel groter dan bij het vrouwtje. Daarnaast zijn bij het mannetje de teelballen te zien. Bij vrouwtjes zijn deze natuurlijk afwezig. Rond een leeftijd van 2 weken (dan beginnen de buikharen te groeien) zijn bij een vrouwtje kale plekjes op de buik zien, dit zijn de tepels. Bij mannetjes zijn deze plekjes niet te zien. Als de haren op de buik langer worden zijn deze plekjes niet meer te zien.

Kleurmutaties[bewerken]

Het lijkt erop dat in Japan en op andere plaatsen misschien de grijs- (g) of chinchilla- (cch) mutatie is opgetreden. Deze dikstaartmuis is grijzer van kleur. Maar niet iedereen denkt dat het een kleurmutatie is. Het is ook mogelijk dat deze grijze dikstaartmuizen de Egyptische ondersoort Pachyuromys duprasi natronensis zijn. De vacht van de jonge dieren van deze ondersoort zijn erg grijs, maar vervaagd als ze ouder worden naar een meer zandkleur. Sommige kruisingen van de Egyptische en de Algerijnse ondersoort hebben ook deze grijzige kleur, hoewel deze ook langzaam vervaagt, blijven ze wel wat grijzig.

Verkrijgbaarheid[bewerken]

Dikstaartmuizen zijn erg nieuw op de huisdierenmarkt en zijn daardoor nog niet op veel plaatsen verkrijgbaar. Heel soms worden ze in een dierenspeciaalzaak aangeboden, maar de meeste winkels hebben geen dikstaartmuizen. Soms is het mogelijk om dikstaartmuizen te vinden via advertenties op het internet en in kranten. Contact opnemen met verenigingen voor knaagdieren of exotische (zoog-)dieren is ook een mogelijkheid. Deze kunnen personen eventueel verwijzen naar een fokker. In Nederlands heeft dit huisdiertje veel aan populariteit gewonnen, waardoor er nu verschillende fokkers van dikstaartmuizen zijn. In België mogen dikstaartmuizen niet zomaar gehouden worden. België heeft in tegenstelling tot Nederland een Positieflijst. Deze lijst geeft aan welke diersoorten als huisdier gehouden mogen worden. In België mogen alleen woestijnratten van het geslacht Meriones en Gerbillus gehouden worden. Andere woestijnratten, waaronder de dikstaartmuis, mogen alleen gehouden worden na het verkrijgen van een vergunning.

Gezondheid[bewerken]

Een gezonde dikstaartmuis kijkt helder uit zijn ogen, is levendig, heeft een zachte vacht. Het achterste is droog en schoon. Een zieke dikstaartmuis zit vrijwel altijd in elkaar gedoken en is niet levendig.

Voorkomen is beter dan genezen, zeker voor kleine knaagdieren, zoals dikstaartmuizen. Het is namelijk niet altijd eenvoudig om een zieke dikstaartmuizen te genezen. Dikstaartmuizen zijn zo klein dat zelfs een dierenarts niet altijd weet hoe hij het diertje moet behandelen. De grootste gevaren die er voor uw dikstaartmuis op de loer liggen zijn dan ook tocht en vocht. Maar ook een te hoge temperatuur, verkeerd of bedorven voedsel en stress zijn leiden vaak tot problemen.

Bij dikstaartmuizen is nog niet veel bekend over de bij deze dieren voorkomende ziekten en gebreken. Dit komt doordat dit diertje nog niet zo heel lang en vaak als huisdier gehouden wordt. Maar bij kleine knaagdieren komen in het algemeen dezelfde ziekten en gebreken voor, dus daarom is het te verwachten dat bij dikstaartmuizen dezelfde ziekten en gebreken kunnen voorkomen als bij andere woestijnratten.

Een aandoening die men relatief vaak bij dikstaartmuizen ziet zijn bijtwonden in de staart. Vechtende dikstaartmuizen proberen elkaar namelijk in de staart te bijten.

Levensverwachting[bewerken]

Exemplaren in gevangenschap van de dikstaartmuis hebben een levensverwachting tussen 5 en 7 jaar. Het is waarschijnlijk dat wilde individuen niet zo lang leven. De leeftijd van Pachyuromys duprasi kan bepaald worden aan de hand van de slijtage van de kiezen en de sluiting van de schedelnaden.

Externe links[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties