Etnolect

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Een etnolect is een taalvariant (dialect) van een taal zoals die gesproken wordt door sprekers die behoren tot een bepaalde etnische groep binnen het betreffende taalgebied.

Een Nederlands etnolect is een overkoepelend begrip voor zowel het Nederlands dat gebruikt wordt door sprekers van het Nederlands van wie Nederlands niet de moedertaal is, en die het Nederlands pas op latere leeftijd hebben geleerd, als voor sprekers van het Nederlands van wie Nederlands wél de moedertaal is, maar de taalvariant duidelijke identificeerbare afwijkingen van het Standaardnederlands vertoont, die kenmerkend zijn voor de etnische achtergrond van de spreker. Een etnolect is een voorbeeld van een groepstaal, want de specifieke manier waarop iemand van Turkse, Indische of Marokkaanse afkomst Nederlands spreekt, is een wezenlijk kenmerk van zijn identiteit en van de manier waarop hij zich met zijn eigen etnische groep identificeert.

Etnolecten bestaan niet alleen in het Nederlands, ze bestaan in alle talen. Bekende voorbeelden in het Engels zijn bijvoorbeeld het Afro-Amerikaans dat je vaak in rapmuziek hoort, of het Italiaanse Amerikaans dat in maffiafilms te horen valt. De belangrijkste etnolecten in het Nederlands zijn het Turks-Nederlands, het Marokkaans-Nederlands, het Italiaans-Nederlands, het Indisch-Nederlands, het Grieks-Nederlands, het Iraans-Nederlands, het Baltisch-Nederlands, het Antilliaans-Nederlands, het Joegoslavisch-Nederlands, het Kaapverdisch-Nederlands en het Surinaams-Nederlands. Een voorbeeld van het Surinaams-Nederlands is het taalgebruik van Edgar Cairo. Dat een allochtoon van de eerste generatie moeilijkheden heeft bij het leren van het Nederlands, is vanzelfsprekend, en sporen van de moedertaal duiken in zulke gevallen onwillekeurig op in zijn Nederlands. Bij allochtonen van de tweede en derde generatie blijven bepaalde afwijkingen echter aanwezig in het Nederlands, zelfs al is Nederlands hun moedertaal. Wetenschappers gaan ervan uit dat deze afwijkingen dienen om het groepsgevoel van de etnische groep te versterken en de identiteit te benadrukken.

Ontstaan[bewerken]

De term werd in de jaren tachtig van de 20e eeuw geïntroduceerd door de linguïsten Carlock en Wölck in een spraakmakend artikel over het Engels dat gebruikt werd door de afstammelingen van Europese immigranten in de stad Buffalo in de Amerikaanse staat New York. Carlock en Wölck waren de eerste taalkundigen die opperden dat het feit dat bepaalde afwijkingen in de standaardtaal die door deze Europese Amerikanen werd gebruikt, niet de oorzaak waren van foutief taalgebruik, wat tot dan toe werd aangenomen, maar verklaard konden worden door de onbewuste drang van deze bevolkingsgroep om zich in hun taal te differentiëren van de andere bevolkingsgroepen in de stad.

Sommige taalkundigen hebben sindsdien geopperd dat etnolecten een van de belangrijkste drijfveren zijn achter taalverandering; de geschiedenis van de meeste talen, ook het Nederlands, is er een van constante migratie, contacten met andere talen en invloeden van andere etnische bevolkingsgroepen op de taal. Na de Tweede Wereldoorlog werd het Joods-Nederlandse etnolect bijvoorbeeld heel invloedrijk, waarvan woorden als "mazzel" (van "masal", geluk in het Jiddisch) en "jatten" (van "yad", hand in het Jiddisch) nog steeds in het huidige Nederlands terug te vinden zijn.

Kenmerken en verspreiding[bewerken]

De geschiedenis van de regiolecten in het Nederlandse taalgebied hangt samen met de groeiende industriële bedrijvigheid en de overgang naar de diensteneconomie, wat zorgde voor een grote migratiestroom van gastarbeiders naar de Lage Landen. Daarnaast kwamen inwoners van de voormalige koloniën naar West-Europa. Veel van deze allochtonen spreken nu een taalvariant die elementen bevat van de oorspronkelijke moedertaal (bv. het Turks of het Marokkaans-Arabisch) en verschijnselen die kenmerkend zijn voor tweedetaalverwerving, naast kenmerken van omringende dialecten van het Algemeen Nederlands.

De opvallendste kenmerken van de Nederlandse etnolecten liggen hoofdzakelijk op het gebied van de fonologie (zoals de typische Surinaamse 'oewee') en de grammatica (zoals het weglaten van lidwoorden en "er", en het afwijkende gebruik van het woordgeslacht ("de meisje", "lekkere vlees", "de boek die je nu leest"). De buitenwereld associeert etnolecten met sociale achterstand, maar voor veel sprekers ontwikkelen ze zich tot dragers van de etnische identiteiten. Bovendien genieten etnolecten onder jongeren groeiend prestige. Woorden uit etnolecten komen via de straatcultuur, muziek, tv-series en bekende figuren (Ali B in Nederland, Brahim in Vlaanderen) in de taal van jongeren terecht. Etnolecten ontwikkelen zich vooral in steden (43% van de bevolking van de grote steden in Nederland bestaat uit allochtonen).