Geschiedenis van Venezuela

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Dit artikel gaat over de geschiedenis van Venezuela.

Venezuela was de locatie van de vijfde permanente Portugese vestiging in Zuid-Amerika in 1513, om daarna deel te worden van de Spaanse onderkoninkrijken Peru en Nieuw-Spanje. Na 1717 waren Venezolaanse provincies onderdeel van het Onderkoninkrijk Nieuw-Granada, maar in 1777 scheidden die zich daarvan af als de Capitanía General de Venezuela. Na de Venezolaanse Onafhankelijkheidsoorlog, een periode van verschillende oproeren en twee tijdelijke republieken, werd het land in 1821 definitief onafhankelijk van Spanje onder leiding van Simón Bolívar, Venezuela's beroemdste zoon. Venezuela vormde met het huidige Colombia (inclusief Panama) en Ecuador de Republiek van Groot-Colombia (Gran Colombia). In 1830 werd Venezuela een onafhankelijke republiek.

Een groot deel van de negentiende en twintigste eeuw werden gekenmerkt door perioden van politieke instabiliteit, dictatoriaal bewind, en revolutionaire onrust. In 1914 werd aardolie gevonden, en in 1922 werd met de winning begonnen door buitenlandse maatschappijen. Deze lieten vanwege de politieke instabiliteit van Venezuela de raffinage meestal elders plaatsvinden. Zo bouwde Shell een raffinaderij voor Venezolaanse olie op Curaçao.

Nadat de militairen in 1958 hun actieve bemoeienis met de nationale politiek gestaakt hadden, begon een tot nu toe onafgebroken periode van democratisch civiel bestuur. Onder de presidenten Rómulo Betancourt en Raúl Leoni van de Accion Democrática verbrak Venezuela stelselmatig de betrekkingen met elk land in Latijns-Amerika waar een dictatuur heerste (Betancourt-doctrine). De christendemocraat Rafael Caldera (1969-1974) was pragmatischer en herstelde het contact met het Cuba van Fidel Castro. Ook de binnenlandse communisten werden gelegaliseerd.

Caldera zette in 1970 de eerste stap naar nationalisatie van de oliewinning. Zijn opvolger Carlos Andrés Pérez bekrachtigde in augustus 1975 een wet waarin de activiteiten van alle olieconcerns werden overgenomen door 'Petroleos de Venezuela' (Petroven). De olie zorgde voor welvaart, die echter beperkt bleef tot de bovenlaag en de geschoolde arbeiders die in de oliewinning of de daarvan afhankelijke bedrijvigheid werk vonden.

In 1992 vond er een mislukte staatsgreep plaats, die door Hugo Chávez georganiseerd was. Hij leidde een groep linkse officieren die gebruik maakte van een onvrede onder het volk over het bestuur door de AD en Copei. De afwisseling van deze partijen maakte voor de werkloze onderkant van de maatschappij geen enkel verschil. De staatsgreep mislukte, maar luidde wel het einde in van de door Bétancourt gestichte democratie. Carlos Andrés Pérez werd een jaar later door het Congres wegens verduistering van overheidsgeld en machtsmisbruik uit zijn ambt gezet. Rafael Caldera was van 1994 tot 1999 de laatste president in het oude bestel.

Hugo Chávez[bewerken]

Hugo Chavez, die van Caldera gratie had gekregen maar zijn militaire rang niet terug had gekregen, dong in 1998 naar het presidentschap en versloeg ex-president Lusinsci van de AD. In 1999 aanvaardde hij de regering. Onmiddellijk zette hij een team aan het werk om een nieuwe grondwet te schrijven. De 26e sinds de onafhankelijkheid, maar Chavez noemde zijn staatsmodel de "Vijfde Republiek". Deze werd gegrondvest op het "bolivarisme", een ideologie die trekken had van het Argentijnse peronisme.

Op 11 april 2002 organiseerde de oppositie een protestmars om het aftreden van president Hugo Chávez te eisen. Het was het hoogtepunt van een staking annex uitsluiting, die twee dagen eerder was uitgeroepen door de nationale oliemaatschappij PDVSA. Deze protestmars, waaraan volgens de organisatoren bijna 1 miljoen, volgens onafhankelijke journalisten 100 tot 200.000 mensen deelnamen, werd omgeleid in de richting van het presidentiële paleis. Zo'n 15.000 aanhangers van Chávez verzamelden zich echter voor de deuren van het paleis om de regering te verdedigen. Na de confrontatie bij het paleis ontstonden er, aangesticht door sluipschutters, gewelddadigheden tussen de demonstranten en Chávez-aanhangers en de Nationale Garde, met 21 doden en ca. 150 gewonden tot gevolg. Over de aanstichters van deze confrontatie bestaat veel onduidelijkheid. Toen Chávez opdracht gaf om tanks in te zetten om de betoging neer te slaan, verloor hij het vertrouwen van een aantal hoge officieren, die niet konden accepteren dat gewapende troepen tegen de betogers zouden worden gebruikt.[1] Verscheidene uren later werd president Chávez aangehouden door rebellerende militairen, die hem dwongen om af te treden. Hij werd afgevoerd en meegenomen naar een militaire vliegbasis waar een vliegtuig klaarstond om hem af te voeren. De tijdelijke regering, die de macht de volgende dag overnam, maakte echter ernstige grondwettelijke fouten en verloor daardoor het vertrouwen van verschillende groeperingen, in het bijzonder veel van dezelfde generaals die eerder Chávez' aftreden hadden geëist. Enige tijd later was de interim-president Carmona genoodzaakt af te treden, en werd Chávez opnieuw in het ambt hersteld, dankzij de steun van een grote meerderheid van de bevolking. Zijn aanhangers omsingelden het paleis, waarna de Presidentiële Garde het gebouw overnam.

Verkiezingen[bewerken]

In opeenvolgende verkiezingen en referenda bleef de omstreden Hugo Chávez duidelijke overwinningen behalen. Zo werd in 2000 een nieuwe grondwet goedgekeurd waarbij de ambtstermijn van de president werd verlengd van vijf naar zes jaar. In 2005 boycotten de oppositiepartijen de parlementsverkiezingen, zodat het parlement van 2006 tot 2011 een applausmachine van Chavez was. In 2006 won Chavez een tweede termijn. Dat zou volgens de nieuwe constitutie ook zijn laatste zijn, maar Chavez begon een campagne om de limiet uit de grondwet te halen. Ook zou de president meer macht moeten krijgen. Op 2 december 2007 leed hij echter een nederlaag in een referendum, zijn eerste en voorlopig zijn laatste. Hij beschuldigde de onafhankelijke media ervan om een hetze tegen hem te hebben gevoerd. De regering ging allerlei eisen stellen aan de media, en trok bijvoorbeeld de zendmachtiging in van het populaire Radio Caracas Televisón (RCRT). De overgebleven zenders werden verplicht om de ellenlange redes van Chavez voortaan integraal uit te zenden.

Economische en buitenlandse politiek[bewerken]

In zijn tweede termijn ging Chavez een meer radicale economische politiek voeren. Vele bedrijven in de sectoren energie, voeding, telecommunicatie enz. werden genationaliseerd.

Ook ging hij de Venezolaanse olie inzetten in de buitenlandse politiek. Het programma Petrocaribe voorzag in de levering van olie aan bevriende landen in de regio, die de gestegen oliekosten niet konden betalen. Hij verwierf zo grote politieke invloed en aanhang. Met het Cuba van zijn vriend Fidel Castro, dat zelfs de gereduceerde tarieven niet kon opbrengen, kwam hij tot een soort ruilhandel: Cubaanse artsen en leraren betalen met hun arbeid in de volkswijken van Venezuela voor de olieleveranties.

Zie ook[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties
  1. Landeweer, ... (2002) 'Chavez zette tanks in tegen betogers'. ANP, 24 april