De achttien dooden
De achttien dooden is een gedicht van Jan Campert (1902-1943), dat hij schreef naar aanleiding van de executie van vijftien Geuzen (verzetsstrijders in de Tweede Wereldoorlog) en drie Februaristakers die op 13 maart 1941 plaatsvond op de Waalsdorpervlakte. De eerste strofe van dit gedicht is uitgehakt in een steen die zich op kamp Westerbork bevindt.
Inhoud |
[bewerken] De Bezige Bij
'De achttien dooden', vaak abusievelijk genoemd 'Het Lied der achttien dooden', werd voor het eerst gepubliceerd in het ondergrondse blad Vrij Nederland. Daarna werd het in maart of april 1943[1] als rijmprent, met een tekening van Fedde Weidema, pseudoniem Coen van Hart, door de Utrechtse student Geert Lubberhuizen uitgebracht en in ruime kring verspreid en verkocht - de schatting is dat er 15.000 exemplaren voor vijf gulden verkocht zijn. De met de prent gegenereerde gelden waren nodig voor het helpen onderduiken van Joodse kinderen via het Utrechts Kindercomité, waar Lubberhuizen en enkele medestudenten in betrokken waren geraakt. Met deze uitgave begon Lubberhuizen zijn werk als uitgever in wat later bekend zou worden als uitgeverij De Bezige Bij.
[bewerken] Geuzen
- Jan Wernard van den Bergh
- George den Boon
- Reijer Bastiaan van der Borden
- Nicolaas Arie van der Burg
- Jacob van der Ende
- Albertus Johannes de Haas
- Leendert Keesmaat
- Arij Kop
- Dirk Kouwenhoven
- Jan Kijne
- Leendert Langstraat
- Frans Rietveld
- Johannes Jacobus Smit
- Hendrik Wielenga
- Bernardus IJzerdraat
[bewerken] Februaristakers
[bewerken] "De achttien dooden" in populaire cultuur
- Het gedicht verschijnt (in ingekorte versie) op het scherm aan het einde van de videoclip bij het nummer "Ondergronds verzet" (1999) door Def P., Seda en Sores.
[bewerken] Externe link
| Referenties |