Hipposideros ater

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Hipposideros ater
IUCN-status: Niet bedreigd[1]
Taxonomische indeling
Rijk: Animalia (Dieren)
Stam: Chordata (Chordadieren)
Klasse: Mammalia (Zoogdieren)
Orde: Chiroptera (Vleermuizen)
Familie: Hipposideridae (Bladneusvleermuizen van de Oude Wereld)
Geslacht: Hipposideros
Soort
Hipposideros ater
Templeton, 1848
Portaal  Portaalicoon   Biologie
Zoogdieren

Hipposideros ater is een vleermuis uit het geslacht Hipposideros die voorkomt van India en Sri Lanka tot de Filipijnen, Nieuw-Guinea en Noord-Australië. Deze soort behoort tot de Hipposideros bicolor-groep en wordt in vroegere classificaties soms tot H. bicolor gerekend.[2]

De geslachtsnaam Hipposideros komt van de Griekse woorden voor "paard" (ἴππος) en "ijzer" (σίδηρος) en betekent "hoefijzer"; een verwijzing naar het ingewikkelde neusblad waar soorten van dit geslacht door gekenmerkt worden. De soortnaam ater is Latijn voor "zwart" en verwijst naar de relatief donkere vachtkleur van deze soort.[3]

Leefgebied en gedrag[bewerken]

Op de Filipijnen wordt deze soort gevonden in regenwoud van zeeniveau tot 1200 m hoogte. Het dier roest daar in grotten in zowel bossen als landbouwgebieden.[4] In Australië leeft de soort zowel in mangroves en regenwouden als in droge, open gebieden.[5][6] Zoals de meeste vleermuizen is H. ater 's nachts actief. In Australië slaapt hij overdag in grotten, mijngangen en soms boomholtes, liefst op donkere, warme, vochtige plaatsen. Het dier eet kleine vliegende insecten. Deze vleermuis vliegt langzaam, maar wendbaar.[5] De paartijd is in april; de jongen worden van oktober tot december geboren en worden gespeend in januari.[5][6]

Verspreiding[bewerken]

In Australië komt de soort voor in het uiterste noorden van West-Australië (Kimberley), de noordelijke helft van het Noordelijk Territorium en op Kaap York en omliggende gebieden (Queensland). De soort is enkele malen gevangen in Midden-Queensland en het zuiden van het Noordelijk Territorium, buiten de "normale" verspreiding.[5] Op Nieuw-Guinea is de soort slechts op drie plaatsen gevangen, alle drie gelegen in Papoea-Nieuw-Guinea.[6] In de omgeving van Nieuw-Guinea is de soort gevonden op Ambon, de Aru-eilanden, Biak en Supiori, Buru, Ceram, Halmahera, Japen, Kairiru, Morotai, Nieuw-Brittannië, Nieuw-Ierland en Woodlark. Mogelijk komt hij ook voor op de Sangihe- en Talaud-eilanden.[3] In de Filipijnen is de soort gevonden op Balabac, Bohol, Catanduanes, Leyte, Luzon, Marinduque, Maripipi, Mindanao, Negros en Palawan.[4]

Ondersoorten[bewerken]

Deze soort wordt in een aantal ondersoorten onderverdeeld: H. a. amboinensis (Peters, 1871) uit Ambon, H. a. antricola (Peters, 1861) uit de Filipijnen (inclusief Palawan), H. a. ater uit Sri Lanka en India, H. a. aruensis Gray, 1858 uit de Aru-eilanden en Nieuw-Guinea, H. a. gilberti uit Australië, H. a. nicobarulae uit de Nicobaren en H. a. saevus uit het gebied tussen Zuid-Thailand en de Molukken.[3][2][7] Exemplaren uit Borneo kunnen niet tot een bepaalde ondersoort worden gerekend; hoewel ze op H. a. antricola en H. a. saevus lijken hebben ze een iets langere schedel. Net als bij H. a. ater en H. a. antricola zijn sommige tanden gereduceerd. Er zijn overigens slechts vier exemplaren bekend uit Borneo, waarvan er slechts één onbeschadigd is.[7]

Beschrijving[bewerken]

Het is een zeer kleine bladneusvleermuis, maar met enorm grote, brede, ronde oren. De vacht is lang en zacht. De bovenkant is grijsbruin tot grijs, maar soms ook oranje. Het vierkante neusblad is relatief simpel van vorm.[5][3][6] De structuur van het neusblad lijkt op die van H. cineraceus, maar de kleur lijkt meer op die van H. pomona.[8] Exemplaren van deze soort uit zowel India als Catanduanes hebben een karyotype van 2n=32, FN=60, net als veel andere Hipposideros-soorten.[9]

In onderstaande tabel zijn de maten van H. ater uit verschillende gebieden opgenomen:

Maat Australië[5] Nieuw-Guinea[6] Supiori[3] Borneo[7] Palawan[10] Catanduanes[11]
Kop-romplengte (mm) 33-46 45,6 41,5-50,0 - - -
Staartlengte (mm) - 19,0 27,7-29,1 - - -
Voorarmlengte (mm) 34,5-40,5 40,0-42,8 40,6-42,5 40,4-40,7 39,4-40,4 40-43
Tibialengte (mm) - 16,9-19,6 16,7-18,5 - - -
Achtervoetlengte (mm) - 8-8,4 - - - -
Oorlengte (mm) - 19,7-20 16,8-18,2 - - -
Gewicht (g) 3,4-5,6 8,3 5,9-8,3 - - -
Bronnen, noten en/of referenties
  1. (en) Hipposideros ater op de IUCN Red List of Threatened Species.
  2. a b Simmons, N.B. 2005. Order Chiroptera. Pp. 312-529 in Wilson, D.E. & Reeder, D.M. (eds.). Mammal Species of the World: a taxonomic and geographic reference. 3rd ed. Baltimore: The Johns Hopkins University Press, 2 vols., 2142 pp. ISBN 0-8018-8221-4
  3. a b c d e Flannery, T.F. 1995. Mammals of the South-West Pacific & Moluccan Islands. Chatswood: Reed Books, 464 pp. ISBN 0-7301-0417-6
  4. a b Hipposideros ater of Philippine Mamillian Fauna
  5. a b c d e f Menkhorst, P. & Knight, F. 2001. A Field Guide to the Mammals of Australia. South Melbourne: Oxford University Press, x+269 pp. ISBN 0-19-550870-X
  6. a b c d e Flannery, T.F. 1995. Mammals of New Guinea. Chatswood: Reed Books, 568 pp. ISBN 0-7301-0411-7
  7. a b c Hill, J.E. & Francis, C.M. 1984. New bats (Mammalia: Chiroptera) and new records of bats from Borneo and Malaya. Bulletin of the British Museum (Natural History), Zoology Series 47(5):305-329.
  8. Borissenko, A.V. & Kruskop, S.V. 2003. Bats of Vietnam and adjacent territories. An identification manual. Moscow: Zoological Museum of Moscow M. V. Lomonosov State University, 212 pp.
  9. Rickart, E.A., Mercier, J.A. & Heaney, L.R. 1999. Cytogeography of Philippine bats (Mammalia: Chiroptera). Proceedings of the Biological Society of Washington 112(3):453-469.
  10. Esselstyn, J.A., Widman, P. & Heaney, L.R. 2004. The mammals of Palawan Island, Philippines. Proceedings of the Biological Society of Washington 117(3):271-302.
  11. Heaney, L.R., Gonzales, P.C, Utzurrum, R.C.B. & Rickart, E.A. 1991. The mammals of Catanduanes Island: implications for the biogeography of small land-bridge islands in the Philippines. Proceedings of the Biological Society of Washington 104(2):399-415.