Hooiwagens

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Hooiwagens
Hooiwagens
Taxonomische indeling
Rijk: Animalia (Dieren)
Stam: Arthropoda (Geleedpotigen)
Klasse: Arachnida (Spinachtigen)
Onderklasse: Dromopoda
Orde
Opiliones
Sundevall, 1833
Hooiwagens op Wikispecies Wikispecies
Portaal  Portaalicoon   Biologie

Hooiwagens (Opiliones; vroeger Phalangida genoemd) vormen een orde geleedpotige dieren binnen de spinachtigen. Er zijn meer dan zesduizend soorten,[1] waarvan er ongeveer 25 in noordwestelijk Europa voorkomen. In West-Europa komen vooral de gewone hooiwagen (Phalangium opilio) en de muurhooiwagen (Opilio parietinus) zeer algemeen voor.

Verschil met spinnen[bewerken]

Hooiwagens hebben net als spinnen acht poten, die bij hooiwagens vaak zeer lang zijn. Ze onderscheiden zich van de spinnen doordat beide delen van het lijf zozeer met elkaar vergroeid zijn dat ze een geheel lijken te vormen. Ze zijn dus niet ingesnoerd zoals bij spinnen, waar duidelijk een kopborststuk en een opisthosoma te onderscheiden zijn. Bovendien zijn hooiwagens niet in staat om spindraden te maken en hebben ze doorgaans maar één paar ogen. Ook hebben hooiwagens geen gifklieren.

Hooiwagens hebben geurklieren waarmee een helder vocht afgescheiden kan worden dat vermoedelijk dient als communicatiemiddel tussen soortgenoten. Ook kunnen ze bij schrik een melkachtig vocht afscheiden met een onaangename geur en smaak.

Hooiwagens worden wel eens verward met de trilspinnen, echte spinnen die vaak in huis voorkomen.

Autotomie[bewerken]

Indien een hooiwagen wordt aangevallen, kan deze een of meerdere poten laten vallen om zo te ontkomen. Ook andere spinachtigen hebben dit vermogen tot autotomie, maar hooiwagens laten de poten bij het minste of geringste vallen. Door een soort pacemakertje in het bovenste beensegment blijft zo'n losse poot nog enige tijd bewegen, een paar seconden tot een uur. Er wordt wel gesteld dat dit een aanvaller kan afleiden, zodat de hooiwagen meer kans heeft weg te vluchten.

Voeding[bewerken]

Een hooiwagen eet een staart van een skink.

De meeste hooiwagens zijn omnivoor in de ruimst mogelijke zin; ze eten zowel dode plantendelen als aas, en ook levende planten en levende prooien worden gegeten. Het belangrijkste voedsel bestaat uit insecten en andere kleine dieren, waarbij ook kannibalisme voorkomt. Er zijn echter ook strikt rovende soorten.

Voortplanting[bewerken]

De paring vindt na een niet of nauwelijks ontwikkelde balts plaats door directe sperma-overdracht, in tegenstelling tot spinnen die het sperma overdragen in speciale pakketjes, spermatoforen genaamd. De eieren worden met een legboor in de aarde gelegd.

Reuzenhooiwagens[bewerken]

Sinds zomer 2008 wordt er in Noordwest- en Centraal-Europa melding gemaakt van een sterke toename van zogenaamde reuzenhooiwagens, een nog niet geïdentificeerde soort uit het geslacht Leiobunum. De eerste meldingen van deze soort kwamen uit 2004, in de buurt van het Nederlandse Nijmegen.

Met poten tot negen centimeter lang is hij ongeveer een derde groter dan de inheemse hooiwagen en verder onderscheidt hij zich door een lichte, metallic groene glans. Ook heeft hij een sterkere sociale samenhang: overdag kruipen tientallen tot honderden hooiwagens samen om zich te beschermen tegen vijanden. 's Nachts gaan ze allemaal weer individueel op jacht.

Waarschijnlijk zijn de reuzenhooiwagens via internationale handel in Nederland terechtgekomen en hebben ze zich daarvandaan verspreid naar Duitsland, Oostenrijk en Zwitserland. Voor de mens is ook deze hooiwagensoort ongevaarlijk, maar andere dieren (zoals inheemse hooiwagens) kunnen verdrongen worden en uitsterven.[2]

Externe links[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties