Jaar zonder zomer

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Vergelijking van de temperaturen in Europa in de zomer van 1816 met die in de periode 1971-2000

Het jaar zonder zomer is een bijnaam voor het jaar 1816. Met name in Noord-Europa en in het noordoosten van de Verenigde Staten waren de zomermaanden van dat jaar ongebruikelijk koud. In juni en juli kende het noordoosten van de VS ieder etmaal nachtvorst. Zowel in Europa als in de VS kwam die zomer hevige sneeuwval voor. Vanaf augustus zette in Europa de nachtvorst in, met massale misoogsten als gevolg.

Oorzaken[bewerken]

De oorzaak van het jaar zonder zomer was lange tijd onbekend.

De klimatoloog William Humphreys stelde in 1920 dat de koude zomer kon zijn veroorzaakt door een vulkaanuitbarsting. Eind 1815 en begin 1816 was in Hongarije en Italië rode en bruine sneeuw gevallen (sneeuw verontreinigd met vulkanische as). In de Verenigde Staten was een 'droge nevel' waargenomen, die niet oploste door regen of wind, en de zon zodanig verduisterde dat de lucht rood kleurde en zonnevlekken met het blote oog zichtbaar werden.

Tegenwoordig wordt de uitbarsting van de vulkaan Tambora in 1815 als directe oorzaak van de koude zomer gezien. Daarbij viel het jaar 1816 in een periode van relatief lage zonneactiviteit: het Dalton-minimum.

Verloop[bewerken]

Tijdens het jaar zonder zomer bereikten de temperaturen weliswaar normale of zelfs bovennormale zomerse waarden, maar kwam het regelmatig voor dat het weer plotsklaps omsloeg en de temperatuur naar winterse waarden daalde, vergezeld van hevige regen- en onweersbuien, sneeuw, ijs en/of vorst. In mei 1816 teisterde ongewoon aanhoudende (nacht)vorst grote delen van de Verenigde Staten, waardoor de pas ingezaaide landbouwgewassen kapotvroren. Begin juni nam een koufront bezit van het noordoosten van Noord-Amerika, en veroorzaakte daar zomersneeuw en -vorst. In Albany en Dennysville sneeuwde het op 6 juni, terwijl in Quebec 30 cm sneeuw lag. In juli en augustus bevroren de meren en rivieren zelfs zo zuidelijk als Pennsylvania. Dit veroorzaakte een mislukte oogst, voedselschaarste en een stijging van voedselprijzen. Hoewel in sommige gebieden de oogst wel lukte, waren de transportmogelijkheden in de 19e eeuw beperkt, wat het voedselprobleem verergerde.

In Europa, dat al te lijden had gehad van de Napoleontische Oorlogen, was het weer weliswaar niet zo extreem als in de Verenigde Staten, maar was de zomer toch ongewoon koud en nat, met zware regen- en onweersbuien. In Zwitserland kwam zelfs in de zomer vanaf 800 m hoogte regelmatig sneeuwval voor, die een paar keer ook de diepere dalen bereikte. Ook hier was het slechte weer voldoende om de oogst te doen mislukken, met als gevolg hongersnoden. In Wales begonnen families van dorp naar dorp te trekken, smekend om eten. Ierland werd door de regenval en het voedselgebrek geteisterd door een tyfusepidemie. In Duitsland, Zwitserland en Oostenrijk, wellicht het hardst getroffen binnen Europa, deden zich hongeroproeren en plunderingen voor. In Zwitserland was de wanorde zo groot dat de noodtoestand werd uitgeroepen. Vanaf augustus dat jaar begon in het grootste deel van Europa de nachtvorst.

In India en China veroorzaakte de klimaatverstoring een zeer extreme zomermoesson die in de Jangtsekiang en Ganges grote overstromingen teweegbracht. In grote delen van China (niet slechts het noorden) mislukte de oogst, en kwamen bovendien grote hoeveelheden vee om van de kou. Tot in de Zuid-Chinese provincies Jiangxi, Anhui en Taiwan werden sneeuw en vorst gerapporteerd.

De zomer werd gevolgd door een extreem koude winter. In New York daalde de temperatuur begin 1817 tot -32 graden Celsius, waardoor de omliggende rivieren en zeearmen dichtvroren. De koude winter werd opnieuw gevolgd door een koele zomer. Dit veroorzaakte bij de Giétrogletsjer in Zwitserland een ijsdam, die het jaar erop, in de zomer van 1818, catastrofaal doorbrak.

Gevolgen[bewerken]

  • In Europa ontstond na de misoogst van 1816 een voedseltekort. In veel Europese steden ontstonden relletjes en plunderingen. In juni 1817 lag de gemiddelde prijs voor de meest geconsumeerde voedingswaren ongeveer op 2½ keer het niveau van 1815.
  • De hongersnood en overstromingen veroorzaakten tyfus- en cholera-epidemieën, in de hand gewerkt door verzwakte weerstand, onhygiënische omstandigheden, en het rondtrekken op zoek naar voedsel.
  • Men schat dat in Europa 200.000 personen aan de directe of indirecte gevolgen van het jaar zonder zomer omkwamen.
  • Veel Europeanen besloten naar de Verenigde Staten te emigreren.
  • In de Verenigde Staten hadden de weersomstandigheden een trek naar het westen tot gevolg.
  • Men kwam tot het besef dat een betere organisatiegraad vereist was om in de toekomst dit soort rampen het hoofd te bieden. Het gaf een impuls aan de ontwikkeling van economische principes.
  • Met name in Duitsland ontstonden stichtingen en fondsen waarvan de middelen konden worden aangewend ter bestrijding van de negatieve gevolgen van rampen. De in het kader van de Restauratie in hun macht herstelde vorsten zagen in dat de overheid toch een zekere verantwoordelijkheid had voor haar burgers.
  • De ontwikkeling van de fiets, aanvankelijk nog in de vorm van de draisine, kreeg een impuls omdat in 1816 en 1817 zeer veel paarden van de kou en honger waren gestorven.
  • Justus von Liebig maakte de hongersnood als kind mee en ging zich later als volwassene en chemicus toeleggen op planten. Hij leverde een grote bijdrage aan de organische chemie en ontwikkelde kunstmest.
  • Mary Shelley, John William Polidori en een paar vrienden verbleven in de zomer van 1816 bij Lord Byron in Zwitserland. Omdat ze de hele vakantie binnen moesten blijven vanwege het slechte weer begonnen ze duistere en griezelige verhalen te bedenken. Hieruit kwamen de klassiekers Frankenstein (Shelley), The Vampyre (Polidori), en Darkness (Byron) voort.