Jasmijnrevolutie

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Jasmijnrevolutie
Caravane de la libération 5.jpg
Plaats Tunesië
Periode 18 december 2010 - 14 januari 2011
Aanleiding(en) Werkloosheid, voedselprijzen, corruptie, gebrek aan politieke vrijheid
(Directe aanleiding: zelfverbranding Mohammed Bouazizi)
Protesterende partij(en) Tunesische bevolking
Kenmerken Grootschalige protesten, stakingen, rellen
Resultaat Aftreden president Ben Ali, afkondiging noodtoestand
Doden 223[1]
Gewonden 94[2]

De Jasmijnrevolutie is de benaming voor de protesten van de Tunesische bevolking tegen de hoge (jeugd)werkloosheid, de corruptie, de censuur, de hoge voedselprijzen en de politiek van president Zine El Abidine Ben Ali, volgend op de zelfverbranding van Mohammed Bouazizi op 17 december 2010. De revolutie is vernoemd naar de jasmijn, die beschouwd wordt als de nationale bloem van Tunesië.

Aanleiding[bewerken]

Omdat Mohammed Bouazizi geen werk vond, ging hij groenten en fruit verkopen. Omdat hij hier geen vergunning voor had, werd zijn koopwaar in beslag genomen. Hierbij zou een politie-officier hem ook een klap in zijn gezicht hebben gegeven. Bouazizi diende vervolgens een klacht in, maar vond geen gehoor. De jongeman zag ten einde raad geen andere oplossing dan zichzelf op 17 december 2010 met benzine te overgieten en zichzelf in brand te steken.[3] Hij werd naar het ziekenhuis overgebracht om behandeld te worden op de afdeling intensieve zorg, maar overleefde het niet. Bouazizi wordt nu gezien als de nieuwe nationale held van Tunesië.

De demonstraties begonnen in Sidi Bouzid, Bouazizi's woonplaats. Hoewel de protesten in de door de staat gecontroleerde media weinig aandacht kregen, verspreidden ze zich over het land. Hierna braken in januari 2011 ook in buurland Algerije onlusten uit onder de bevolking vanwege stijgende voedselprijzen en grote werkloosheid, gevolgd door protesten in Egypte.

Politieke gevolgen[bewerken]

Op 14 januari 2011 ontbond Ben Ali de regering en kondigde hij de noodtoestand af. Daarop nam het protest nog toe, en Ben Ali verliet 14 januari Tunesië en vluchtte naar Saoedi-Arabië. Eerste minister Mohamed Ghannouchi legde de eed af als zijn opvolger, zich beroepend op artikel 56 van de Tunesische grondwet, dat stelt dat de president indien afwezig vervangen wordt door de eerste minister. Echter, artikel 57 zegt dat de voorzitter van het parlement de nieuwe president wordt indien de president het land ontvlucht. Daarom werd Fouad Mebazaa de nieuwe waarnemende president van Tunesië.

De grondwet schrijft ook voor dat er binnen 60 dagen nieuwe presidentsverkiezingen moeten worden gehouden. Ondertussen zijn reeds twee kandidaten voor het presidentschap bekend. [4]

Omdat Ghannouchi ook medeverantwoordelijk werd gezien voor Ben Ali's regime, eisten Tunesische burgers ook zijn aftreden, waaraan hij tenslotte op 27 februari toegaf; Beji Caid el Sebsi werd de nieuwe premier. Op 3 maart werd bekendgemaakt dat op 24 juli verkiezingen voor een grondwetgevende vergadering zouden worden gehouden, die echter op 8 juni naar 23 oktober werden verschoven.[5] Deze verkiezingen, waaraan 112 politieke partijen meededen, waren de eerste vrije verkiezingen die Tunesië ooit gekend heeft en (mogelijk) een eerste stap naar een democratie.

Zie ook[bewerken]

Externe links[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties