Kasteel van Chantilly

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Het Kasteel van Chantilly

Het Kasteel van Chantilly (Frans: Château de Chantilly) bevindt zich in de vallei van de Nonette, een zijrivier van de Oise in het gelijknamige departement in Picardië, ongeveer 60 kilometer ten noorden van Parijs. Het kasteel staat op de plek van een middeleeuws fort en bestaat uit verschillende delen:

  • het Petit Château (ook het Kapiteinshuis), dat dateert uit de 16e eeuw en nog in oorspronkelijke staat is;
  • de Grote Stallen uit de 18e eeuw, tegenwoordig in gebruik als museum;
  • het Château Neuf, oorspronkelijk eveneens uit de 16e eeuw, verwoest gedurende de Franse Revolutie.

Het huidige bouwwerk is een 19e-eeuwse reconstructie in opdracht van Hendrik van Orléans (1822-1897), hertog van Aumale en jongste zoon van koning Lodewijk Filips. Deze bracht er zijn collectie schilderijen en antieke boeken onder en vermaakte het complex als Museum Condé aan het Institut de France. Het complex omvat voorts een parktuin van 115 hectare. Ook het Bos van Chantilly behoort tot het domein. Het stadje Chantilly is tijdens en na de Franse Revolutie ontstaan ten westen van het kasteel.

Geschiedenis[bewerken]

Chantilly vanaf de tuin, foto: Patik

Oorspronkelijk was het Kasteel van Chantilly een middeleeuws fort, met zeven torens en omgeven door een slotgracht, dat de route van Parijs naar Senlis controleerde. De burcht behoorde aanvankelijk toe aan Guy de Senlis, bottelier van koning Lodewijk VI aan het eind van de 11e eeuw. De familie nam de naam Bouteiller aan en beheerde het kasteel tot de 14e eeuw, tot het in 1358 werd geplunderd tijdens de Jacquerie. In 1386 wordt het verkocht aan Pierre d'Orgemont, voormalig kanselier van Karel V van Frankrijk. Deze laat het kasteel tussen 1386 en 1394 herbouwen. In 1484 laat de laatste d'Orgemont Chantilly na aan zijn neef Willem baron de Montmorency.

De periode-Montmorency[bewerken]

De rijke en machtige familie de Montmorency heeft het kasteel in bezit van de 15e tot de 17e eeuw en voert in die periode ingrijpende moderniseringen door. Het meest illustere lid van deze familie, Anne van Montmorency (1493-1567), oppermaarschalk en de eerste hertog, laat de burcht in 1528 renoveren. Het Petite Château wordt toegevoegd in 1551 door de architect Jean Bullant die ook al zijn kasteel van Ecouen had verbouwd. In 1538 laat hij het terras aanleggen met daarop een beeld van hemzelf te paard (omgesmolten tijdens de Franse Revolutie). Tevens worden er zeven kapellen gebouwd, waarvan er drie bewaard zijn gebleven. Hij is het ook die de eerste tuinen laat aanleggen.

Hendrik I van Montmorency laat in het hogere gedeelte van het park het Maison de Sylvie bouwen dat ook nu nog bestaat. Oorspronkelijk ontworpen om koning Hendrik IV van Frankrijk te ontvangen, werd het de schuilplaats van zijn eerste vrouw Antoinette, (bijnaam Sylvie) gedurende de Godsdienstoorlogen, tot haar dood.[1]

Hendrik II van Montmorency, een van de machtigste Franse edelen, revolteerde tegen de Franse koning en Richelieu en werd in 1632 in Toulouse ter dood gebracht. Zijn bezittingen werden door Lodewijk XIII verbeurd verklaard. Het merendeel ervan werd teruggegeven aan zijn zusters, maar Chantilly hield de koning zelf om te gebruiken als jachtslot. In 1643 gaf Anna van Oostenrijk, echtgenote van Lodewijk XIII en na diens dood regerend vorstin, het landgoed terug aan de jongste zuster van Hendrik II, Charlotte, vrouw van Hendrik II van Bourbon-Condé. Hiermee kwam het in bezit van het huis-Condé, jongere tak van het huis-Bourbon.

De periode-Condé[bewerken]

In de 17e en 18e eeuw is het landgoed Chantilly de voornaamste bezitting van de prinsen van Condé, die een grote rol spelen in de periode voor de Franse Revolutie. Lodewijk II van Bourbon-Condé, ook de Grote Condé genoemd, speelde als maarschalk een grote rol in de eindfase van de 30-jarige oorlog. In de burgeroorlog die volgde koos hij partij voor de Fronde tegen de koning en kardinaal Mazarin. In 1652 werd daarom zijn landgoed geconfisqueerd; hij kreeg het terug in 1659 bij de Vrede van de Pyreneeën.

Ver van Versailles richt hij nu al zijn aandacht op de verfraaiing van zijn landgoed. Het park laat hij ontwerpen door de beroemde landschapsarchitect André le Nôtre, die later ook Versailles zou ontwerpen. De Nonette wordt gekanaliseerd om de waterpartijen van het park te vullen, tezamen 25 hectare; kortom, het geheel wordt ingericht in een perspectief van grandeur zoals het nu nog bestaat.

De Grote Condé ontvangt op Chantilly schrijvers als La Fointaine, Jean de La Bruyère, Jacques-Bénigne Bossuet, Madame de La Fayette, Madame de Sévigné. Er worden fantastische feesten gegeven. Molière schrijft en speelt er stukken als Les Precieuses ridicules en Tartuffe. De keuken onder leiding van hofkok François Vatel is beroemd: in deze tijd wordt naar men zegt de slagroom (crème chantilly) uitgevonden.

In april 1671 bezegelt Louis II zijn verzoening met Lodewijk XIV met een ontvangst op het kasteel. Volgens Madame de Sévigné pleegde Vatel bij deze gelegenheid zelfmoord omdat het opdienen van het visgerecht te laat was; maar deze anekdote is nooit bevestigd.

De 18e eeuw[bewerken]

Foto: Patrick Giraud

Henri Jules, bijgenaamd de Zotte (1643-1709), laat het paleis verder uitbreiden door de architecten Jules Hardouin-Mansart en Jean Aubert. Deze laatste bouwt tussen 1723 en 1726 ook de Grote Stallen voor Lodewijk IV van Bourbon-Condé (1692-1740, ook Meneer de Hertog genoemd). Deze hertog, puissant rijk geworden door de invoering van het bankbiljet, was enkele jaren eerste minister van Lodewijk XV en bijzonder gehecht aan dit paleis (waar hij trouwens vanaf 1726 huisarrest kreeg). Hij liet de appartementen in het Petit Château decoreren en liet het eerste Franse porselein vervaardigen.

Meneer de hertog liet vanaf 1720 het oostelijke park inrichten, het parc de la Caboutière, genoemd naar een gebouw waar Hollandse tulpen werden gecultiveerd. Diverse paden in het park werden beschaduwd door priëlen als groene zalen, onderling verbonden. In het park verscheen een gigantisch levend ganzenbord, compleet met gevangenis en put, dat tussen 1730 en 1770 een van de voornaamste attracties werd. In het Parc de Sylvie werd een groot labyrint aangelegd. Van al deze attracties is heden ten dage niets overgebleven.

Ook zijn zoon, Lodewijk V Jozef van Bourbon-Condé, voegde ettelijke verfraaiingen toe, waaronder het Kasteel van Enghien, een langwerpig classicistisch bouwwerk en een Engels-Chinese tuin.

De Franse Revolutie en erna[bewerken]

Lodewijk V vlucht na de Franse Revolutie en Chantilly wordt in 1790 geconfisqueerd als Nationaal Erfgoed. In 1792 wordt het echter geplunderd en verwoest door de Nationale Garde, en daarna als gevangenis gebruikt. In 1799 wordt het voor ongeveer 100.000 franc in toenmalige aandelen verkocht. De kopers zijn ondernemers die het om de bouwmaterialen te doen is, maar het lukt ze niet om alles te slopen voor de bouwmarkt instort; de bijgebouwen blijven staan.

Het park ten westen van het kasteel, ontworpen door Le Nôtre met de beroemde waterwerken, wordt verkaveld. De hydraulische machine die het park van water moest voorzien bestaat nog. De Grote Stallen, eens ontvangstplaats voor koningen en heersers, werden bezet door het leger en daarom niet verwoest, en zijn nauwelijks beschadigd. Bij zijn terugkeer in 1815 doet Louis V de meest noodzakelijke reparaties, maar het park is niet in haar geheel te redden omdat er inmiddels een weg doorheen loopt. Zijn zoon laat daarom het westelijk deel omvormen tot een Engelse parktuin.

Interieur: trappenhuis; foto:ignis

Na de dood van Lodewijk VI, de laatste Condé, gaat het landgoed over op Hendrik van Orléans, de jongste zoon van Lodewijk Filips I van Frankrijk. Van het schitterende paleis van vroeger is echter ternauwernood de begane grond over. Ook Henri ziet tussen 1830 en 1848 geen kans het weer op te bouwen, en wanneer de revolutie uitbreekt vlucht hij naar Engeland, waar hij tot 1871 blijft, in Twickenham bij Londen. Zijn vrouw en twee zoons sterven er. Wel bouwt hij daar stukje bij beetje zijn kunstverzameling weer op. Terug in Frankrijk laat hij het paleis restaureren door de architect Honoré Daumet en brengt er zijn verzameling onder die geldt als de tweede grootste na die van het Louvre.

Hij schenkt per testament het kasteel en de verzameling kunstschatten en manuscripten in 1886 aan het Institut Français, met de bepaling dat geen van de manuscripten ooit het kasteel mag verlaten. In de Eerste Wereldoorlog werd het nog gebruikt als generaalskwartier. Sindsdien is het een museum, het Musée Condé. In dit museum zijn 800 schilderijen verzameld van Raphael, Jean Antoine Watteau, Ingres, Camille Corot en gravures van Albrecht Dürer, voorts 30.000 boeken waaronder de wereldberoemde Très Riches Heures du Duc de Berry van de Nijmeegse gebroeders Van Limburg (ca.1400).

De stallen zijn eveneens als museum in gebruik.

Het Kasteel van Chantilly heeft een zusterkasteel in Japan, Kasteel Himeji, een UNESCO Werelderfgoed.

Bronnen[bewerken]

  1. http://fr.wikipedia.org/wiki/Henri_Ier_de_Montmorency zie Henri I in fr:wp

Externe links[bewerken]