Nieuwe Haagse School (bouwstijl)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Zie het artikel Zie voor de naoorlogse kunststroming de Nieuwe Haagse School het artikel Nieuwe Haagse School (beeldende kunst)
W. Verschoor. Huize Boszicht, Benoordenhoutseweg, Den Haag. 1918-1920.

De Nieuwe Haagse School is een bouwstijl uit het interbellum, die zich onderscheidt van de Amsterdamse School door haar strakke vormgeving en van het Nieuwe Bouwen door haar luxueuze uitvoering.

Geschiedenis[bewerken]

De term Nieuwe Haagse School wordt voor het eerst gebruikt in 1920 door de Amsterdamse School-architect C.J. Blaauw in een niet al te positief artikel over de laatste ontwikkelingen in de moderne architectuur.[1] De bloeiperiode van de Nieuwe Haagse School ligt tussen 1925 en 1940. Door o.a. Jan Wils en W. Verschoor werd omstreeks 1920 een op Amerikaanse 'woonhotels' geïnspireerde woonvorm ontwikkeld, die vooral bij de welgestelde Hagenaars, die een modern, maar niet al te radicale woonomgeving wilden, zeer in de smaak viel. De Nieuwe Haagse school is dan ook een wat luxere variant van de Amsterdamse School die iets eerder ontstond. De Nieuwe Haagse School is tegelijkertijd een wat lossere variant dan de strakke Art Deco-stijl en kan getypeerd worden als een mix van het rationalisme van Berlage, de meer traditionele Arts-and-craftsbeweging en de avant-garde beweging De Stijl. Ondanks dat de stijl wat luxer was dan de Amsterdamse school en wat losser dan Art Deco, is de belijning vrij streng. De Nieuwe Haagse School is ook geïnspireerd door onder anderen Dudok en Van Loghem, waarvan ook elementen terug te vinden zijn. Ook de Amerikaanse architect Frank Lloyd Wright is een bron van inspiratie geweest.

J. Wils. Woningbouwcomplex Daal en Berg, Klimopstraat, Den Haag. 1919-1922.

Stijlkenmerken[bewerken]

De Nieuwe Haagse School is herkenbaar aan de overstekende daken en de rechte en kubistische vormen. Karakteristiek zijn de horizontale lijnen van gevelbanden boven kozijnen, erkers en balkons, de stedenbouwkundige samenhang en de symmetrie. Bijzonder was dat bij grote woningcomplexen van verschillende architecten, door de gemeente aangewezen architecten als Co Brandes uitsluitend de gevels ontwierpen. Hierdoor vormen grote woonblokken binnen de Haagse School vaak één geheel, wat leidde tot veel eenheid in het straatbeeld. Ook werd aandacht besteed aan de entree van de woningen door het toepassen van betegelde terrassen en gemetselde tuinmuurtjes.

De horizontaliteit komt tot uitdrukking door verdiepte voegen, doorlopende horizontale vensterstroken en brede dakkapellen op pannendaken. Andere veel toegepaste elementen zijn: luifels boven de voordeuren, brede erkers, loggia’s, smalle boeiborden en bovenlichten met glas-in-lood. Schoorstenen zorgden voor verticale accenten. Platte daken en met pannen gedekte hellende daken werden toegepast. De toegepaste kleuren en materialen zijn meestal traditioneel, veel groen met wit schilderwerk, met naturel geverniste voordeuren. De stijl komt in alle klassen van de woningbouw voor: in luxe woningen, het middensegment en in de goedkopere volkshuisvestingssfeer. Typische voorbeelden van deze bouw zijn o.a. te vinden in Marlot (Parkflat Marlot), het Zuiderpark en de Bomen- en Bloemenbuurt in Den Haag.

Bijzonder was de introductie van de Haagse portiekwoning. Bij woonblokken van drie bouwlagen hadden alle woningen de voordeur aan de straat, met dien verstande dat de voordeuren van de woningen op de verdiepingen aan een open portiek op de eerste verdieping lagen. De woningen op de begane grond hadden de entree op straatniveau. Dit woningtype is overigens ook in andere steden gerealiseerd. Ook was er de twee-onder-een-kap-woning: twee gelijke woningen onder één grote, overstekende kap.

Woonhotels[bewerken]

In de woonhotels waren er allerlei destijds moderne voorzieningen, die erop waren gericht dat de bewoners geen eigen inwonende dienstboden of ander personeel nodig hadden. Er was een restaurant aanwezig, maar de maaltijden konden ook aan huis geleverd worden. Buiten de eigen woning waren er logeerkamers voor algemeen gebruik. Er waren stortkokers voor het vuil, bedienden zorgden verder voor de vuilafvoer. De woningen binnen een complex waren van zeer uiteenlopende grootte.

Voornaamste vertegenwoordigers[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties
  1. C.J. Blaauw (januari 1920) 'Over moderne theorieën en bouwkunstbeoefening', Wendingen, 3e jaargang, nummer 1, pp. 13-18. Zie TU Delft scan 1, scan 2, scan 3 en scan4.