Prijselasticiteit

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

De prijselasticiteit van de vraag geeft de relatieve (procentuele) verandering van de gevraagde hoeveelheid van een goed weer als gevolg van een relatieve (procentuele) prijsverandering van dat goed. Met deze uitkomst kan bijvoorbeeld een inschatting worden gemaakt of een prijsverandering via een verandering van de gevraagde hoeveelheid (de afzet) leidt tot een stijging van de omzet of juist tot een omzetdaling.

De aanbodelasticiteit geeft de relatieve (procentuele) verandering van de aangeboden hoeveelheid van een goed weer als gevolg van een relatieve (procentuele) prijsverandering van dat goed.

Berekening en betekenis[bewerken]

Het gaat hier om twee begrippen die in causaal verband tot elkaar staan. Wiskundig gebeurt dit door de begrippen te delen, waarbij het gevolg (de relatieve hoeveelheidsverandering) steeds boven de deelstreep en de oorzaak (relatieve prijsverandering) steeds onder de deelstreep staat. In formulevorm is dat:

\text{prijselasticiteit} = \frac{\text{procentuele verandering gevraagde hoeveelheid}}{\text{procentuele verandering prijs}}

Voorbeeld: Als de prijs van goed A stijgt van € 2,00 naar € 2,20, dan daalt de gevraagde hoeveelheid van 200 kg naar 150 kg. De prijselasticiteit is dan

\text{prijselasticiteit} = \frac{-25%}{+10%} =-2,\!5

Men kiest voor relatieve veranderingen om de uitkomst onafhankelijk te maken van de gekozen maat. Bij absolute veranderingen zal bij een keuze voor euro's en kilogrammen de uitkomst anders worden dan bij een keuze voor eurocenten en grammen. Kiest men voor relatieve veranderingen dan zal de uitkomst in het voorbeeld altijd -2,5 zijn.

Deze uitkomst van -2,5 betekent dat een prijsdaling van bijvoorbeeld 1% zal leiden tot een stijging van de gevraagde hoeveelheid met 2,5% (want -2,5 * -1% = 2,5%). Een prijsstijging van bijvoorbeeld 2% zal leiden tot een daling van de gevraagde hoeveelheid met 5% (want -2,5 * 2% = -5%).

Na de oliecrisis van 1973 daalde de vraag naar olie nauwelijks, maar dit trad wel op na de oliecrisis van 1979. In het eerste geval overheerste het inkomenseffect in de slutsky-vergelijking, in het tweede geval het substitutie-effect.

De formule voor prijselasticiteit kan worden opgedeeld in een inkomens- en substitutie-effect. Dit is de Slutsky-vergelijking. Hiermee kan bijvoorbeeld het verschil in vraag naar olie worden verklaard na de oliecrisis van 1973 en die van 1979. In 1973 was het inkomenseffect dominant. Olie was nog een primair goed, zodat men een groter deel van het inkomen daar aan moest besteden. Er bleef daardoor minder over om aan overige zaken te besteden, wat een wereldwijde recessie tot gevolg had. In 1979 was het echter technisch mogelijk voor elektriciteitscentrales om over te schakelen naar gas en steenkool. Dit had een scherpe daling van de vraag naar olie tot gevolg, een goed voorbeeld van het substitutie-effect.

Elastische of inelastische vraag[bewerken]

De gevraagde hoeveelheid reageert meestal tegengesteld op een verandering van de prijs. Als de prijs van een goed stijgt, daalt de gevraagde hoeveelheid, als de prijs daalt, stijgt de gevraagde hoeveelheid. Wiskundig wordt die tegengestelde reactie weergegeven door het min-teken in de elasticiteitsuitkomst.

Elastische vraag[bewerken]

Men spreekt van een elastische vraag als de prijselasticiteit meer negatief is dan -1, en dus in absolute waarde groter is dan 1. De relatieve verandering van de gevraagde hoeveelheid is dan groter dan de relatieve prijsverandering. De gevraagde hoeveelheid reageert sterk op de prijsverandering (bijvoorbeeld bij een prijselasticiteit van -2,5: een stijging van 10% in prijs leidt dan tot een daling van 25% in vraag.)

Inelastische vraag[bewerken]

Men spreekt van een inelastische vraag als de prijselasticiteit tussen 0 en -1 ligt. De relatieve verandering van de gevraagde hoeveelheid is dan kleiner dan de relatieve prijsverandering. De gevraagde hoeveelheid reageert niet sterk op de prijsverandering. Voorbeeld: bij een prijsdaling van 10% stijgt de gevraagde hoeveelheid met 5%, de waarde van de elasticiteit is dan 5/-10 = -0,5. De gevraagde hoeveelheid reageert prijsinelastisch op de prijsverandering.

Iso-elastische reactie[bewerken]

Men spreekt van een iso-elastische reactie als de relatieve verandering van de gevraagde hoeveelheid gelijk is aan de relatieve prijsverandering. De waarde van de elasticiteit is dan -1.

Relatie elasticiteit en omzet[bewerken]

Bij een elastische vraag zal een prijsstijging leiden tot een daling van de omzet. De stijging van de prijs wordt door de relatief sterkere daling van de hoeveelheid (afzet) meer dan tenietgedaan. In het voorbeeld was de oude omzet € 2,00 x 200 kg = € 400 en de nieuwe omzet € 2,20 x 150 kg = € 330. Bij een elastische vraag zal een daling van de prijs (bijvoorbeeld als speciale aanbieding) juist leiden tot een omzetstijging.

Bij een inelastische reactie is het effect op de omzet juist omgekeerd. Een prijsstijging leidt dan tot een omzetstijging, een prijsdaling tot een omzetdaling.

Overigens betekent meer omzet uiteraard niet automatisch meer winst.

Een positieve prijselasticiteit[bewerken]

De prijselasticiteit heeft een positieve waarde als een prijsverhoging leidt tot een stijging van de gevraagde hoeveelheid (of een daling bij een prijsverlaging). Deze uitzonderlijke situatie geldt voor twee soorten goederen:

  • Giffen-goederen met als historisch voorbeeld de vraag naar aardappels in het door hongersnood geteisterde Ierland rond 1850. Ondanks de prijsverhoging van aardappels steeg de vraag naar aardappels. Dit kwam doordat door een gelijktijdige prijsverhoging van andere levensmiddelen veel Ieren die goederen niet meer konden kopen en het daardoor niet benutte deel van hun inkomens gebruikten voor de aanschaf van meer aardappels. In 1999 heeft de Amerikaanse econoom Sherwin Rosen in zijn artikel Potato Paradoxes[1] overigens aangetoond dat de prijselasticiteit van aardappels tijdens de Ierse hongersnood negatief was, zodat zij niet konden worden beschouwd als Giffen-goederen.
  • Veblen-goederen of snobgoederen: goederen die door een zeer hoge prijs exclusief zijn waardoor het bezit als statusverhogend wordt beschouwd. Door een eventuele prijsverlaging zal voor sommige vragers het exclusieve karakter verloren gaan, terwijl er door de toch nog hoge prijs nauwelijks nieuwe vragers bijkomen.

Segmentelasticiteit en puntelasticiteit[bewerken]

In de economische werkelijkheid zijn veranderingen in prijs of hoeveelheid altijd meetbaar. Er is dan sprake van een niet-continu functioneel verband tussen prijs en hoeveelheid. Toch kan het in de economische theorie gewenst zijn de verbanden te beschouwen als een continue functie. De veranderingen dienen dan zo klein te worden gemaakt dat ze niet meer meetbaar zijn, oude en nieuwe prijs vallen samen, waardoor ook oude en nieuwe hoeveelheid samenvallen. Men kan dan niet meer spreken van een procentuele verandering. De hierboven gegeven formule van de elasticiteit voor meetbare veranderingen (segmentelasticiteit) zal moeten worden aangepast tot een formule voor niet-meetbare veranderingen, de puntelasticiteit:

E_v = \frac{\%\ \text{verandering vraag}}{\%\ \text{verandering prijs}} = \frac{\Delta Q_v/Q_v \times \ 100%}{\Delta P/P \times \ 100%} = \frac{\Delta Q_v}{\Delta P} \frac{P}{Q_v} gaat over in \frac{dQ_v}{dP} \frac{P}{Q_v}

Deze (afgeleide) formule luidt dus:

\text{prijselasticiteit} = \frac{dq}{dp} . \frac{\text{prijs}}{\text{gevraagde hoeveelheid}}

Hierbij staat (dq/dp) voor het differentiaalquotiënt van de verandering van de gevraagde hoeveelheid (q) als gevolg van de verandering van de prijs (p). Grafisch geeft dit quotiënt de helling weer van de vraagcurve ten opzichte van de verticale as (de prijs-as) en niet wat men zou verwachten bij de onafhankelijke variabele, de horizontale as. In de economie geldt immers de afspraak dat bij de grafische weergave van een vraagfunctie de prijs op de verticale as wordt uitgezet, ongeacht de aard (afhankelijk of onafhankelijk) van de variabele. Wiskundig is dit quotiënt de richtingscoëfficiënt ofwel de eerste afgeleide van de vraagfunctie. De functie moet dan wel expliciet in q staan (q is het gevolg van p, ofwel q moet links van het =-teken staan).

Voorbeeld: de vraagfunctie luidt q = -2p + 10, waarbij p de prijs in geldeenheden en q de gevraagde hoeveelheid van goed A in stuks. Uit de functie volgt dat als p = 3 dan q = 4. De prijselasticiteit van de vraag bij p = 3 is dan:

\text{prijselasticiteit} = -2 . \frac{3}{4} = -1,5

Bij een prijs van 3 zal de vraag naar dit goed elastisch reageren op een prijsverandering. Een prijsdaling van 1% zal leiden tot een hoeveelheidsstijging van 1,5% (en daarmee tot een omzetstijging van 0,485%, [99x101,5]/100=100,485).

Waarde van de elasticiteit[bewerken]

Bij een lineaire vraagcurve (een constante richtingscoëfficiënt) zal de waarde van de prijselasticiteit gaan van nul bij een prijs nul naar min oneindig bij de prijs waarbij de vraag nul is.

Bij een niet-lineaire vraagcurve is de waarde van de elasticiteit niet alleen afhankelijk van de prijs-hoeveelheidscombinatie, maar ook van de hellingshoek van de raaklijn van de vraagcurve ten opzichte van de verticale as (prijs-as). Hoe kleiner die hellingshoek hoe minder elastisch de waarde zal zijn.

De waarde van de elasticiteit is ook afhankelijk van de lengte van de tijdsperiode die wordt gebruikt bij de analyse. Hoe korter de periode, hoe minder mogelijkheden er zijn tot substitutie, dus hoe inelastischer de vraag op een prijsverandering zal reageren. Een verhoging van de benzineprijs zal niet onmiddellijk leiden tot een forse daling van de vraag naar benzine, omdat veel vervoer (goederentransport, forenzen) op korte termijn vastligt. Pas op langere termijn kan eventueel worden gekozen voor alternatieve transportmogelijkheden.

Geen uitspraak over luxe en noodzakelijke goederen[bewerken]

Vaak wordt gesteld dat goederen met een prijselastische vraag niet levensnoodzakelijke ('luxe') goederen zijn en dat goederen met een prijsinelastische vraag de voor het dagelijkse leven noodzakelijke goederen ('primaire levensbehoeften') zijn. Dit is formeel niet juist. Het onderscheid luxe of noodzakelijke goederen op basis van de uitkomst van de elasticiteit is een indeling die hoort bij de inkomenselasticiteit. Dit komt doordat binnen de micro-economie de vraag wordt geanalyseerd volgens het ceteris paribus-principe, waardoor bij de berekening van de prijselasticiteit andere vraagbepalende factoren dan de prijs constant worden verondersteld. Dit geldt ook voor het inkomen. Door deze strak gedefinieerde werkwijze kan men ten aanzien van de prijselasticiteit slechts constateren dat de vraag naar een goed bij een bepaalde prijs elastisch dan wel inelastisch reageert. Wel zal in de praktijk de concrete prijs-hoeveelheidscombinatie van veel luxe goederen zich bevinden in het elastische deel van de vraagcurve en de prijs-hoeveelheidscombinatie van noodzakelijke goederen in het inelastische deel. Dit is echter geen algemeen geldende uitspraak.

Aanbodelasticiteit[bewerken]

De aanbodelasticiteit geeft de relatieve (procentuele) verandering van de aangeboden hoeveelheid van een goed weer als gevolg van een relatieve (procentuele) prijsverandering van dat goed. Deze uitkomst zal altijd positief zijn. Bij een prijsverhoging wordt het immers ook voor bedrijven met een relatief hoge kostenstructuur winstgevend om te gaan produceren.

Noten[bewerken]

  1. Sherwin Rosen. Potato Paradoxes - The Journal of Political Economy, 1999, Vol. 107, No. 6, Part 2, blz. 294-313

Zie ook[bewerken]

Literatuur[bewerken]

Een zeer leesbare inleiding met betrekking tot prijselasticiteiten:

  • Dietz, F.J. (red.), W.J.M. Heijman, E.P. Kroese, Leerboek Algemene Economie. Micro-economie, Leiden 1990, ISBN 90-207-1990-4, pp. 103–115.