Simeï

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Simeï of Simi (Hebreeuws: שמעי; misschien een afkorting van Semaja, wat vertaald kan worden met 'Jahweh heeft geluisterd' [1]) is een naam uit de Hebreeuwse Bijbel en heeft betrekking op een groot aantal personen.[2]

Simeï, de zoon van Gera[bewerken]

Simeï bespot Koning David, gravure uit Schnorr von Carolsfeld Bibel in Bildern (1860)

De bekendste persoon met de naam Simeï was een zoon van de Benjaminiet Gera en familie van koning Saul. Deze Simeï woonde in Bahurim, een dorp ten oosten van Jeruzalem, langs de weg naar de Jordaanvallei.

Simeï vervloekt David[bewerken]

Nadat Saul gestorven was en het koningschap op de Judeeër David overging, was dit een motief voor Simeï om David te haten. Dit bleek uit de manier hoe Simeï David bejegende toen deze uit Jeruzalem moest vluchten wegens zijn zoon Absalom, die poogde om David te onttronen. Vlakbij de Olijfberg liep Simeï met de groep vluchtelingen mee. Het verslag in 2 Samuël hoofdstuk 16 vertelt:

6 Hij gooide stenen naar David en naar alle dienaren van koning David, hoewel al het volk en al de helden aan diens rechter- en aan diens linkerhand waren.
7 Dit zei Simeï terwijl hij hem vervloekte: Ga weg, ga weg, man van bloedvergieten, verdorven man.
8 De HEERE heeft op u al het bloed van het huis van Saul, in wiens plaats u geregeerd hebt, doen terugkomen. Nu heeft de HEERE het koninkrijk gegeven in de hand van Absalom, uw zoon. En zie u daar nu in uw ellende, omdat u een man van bloedvergieten bent.

Abisaï, die deel uitmaakte van David's lijfwacht, wilde hierop Simeï vermoorden, maar David stond hem niet toe.[3]

Simeï toont berouw[bewerken]

Nadat Absalom was gedood, keerde David terug naar Jeruzalem. Een groot aantal Benjaminieten wachtten David op om hem te verwelkomen, waaronder Simeï. Hij viel voor David neer en zei:

19 ..."Laat mijn heer mij mijn misdaad niet toerekenen, en niet denken aan hoe uw dienaar zich misdragen heeft op de dag waarop mijn heer de koning uit Jeruzalem vertrok. Laat de koning het niet ter harte nemen.
20 Want uw dienaar weet het zeker: ík heb gezondigd; maar zie, ik ben vandaag als eerste van het hele huis van Jozef gekomen om mijn heer de koning tegemoet te gaan."

Alweer wilde Abisaï Simeï vermoorden en ook deze keer stond David hem dit niet toe. Op de dag van zijn troonsbestijging was het volgens David geen dag om iemand te doden en hij zwoer Simeï daarop dat hij hem niet zou laten doden.[4]

Simeï's dood[bewerken]

Op David's sterfbed zei hij tot de kroonprins Salomo:

8 ..."En zie, bij jou is ook Simeï, de zoon van Gera, de Benjaminiet uit Bahurim. Hij vervloekte mij met een verschrikkelijke vloek, op de dag dat ik naar Mahanaïm ging. Hij kwam echter ook naar de Jordaan, mij tegemoet. Toen zwoer ik hem bij de HEERE: Ik zal u niet met het zwaard doden!
9 .Maar nu, houd hem niet voor onschuldig, want je bent een wijs man. Jij zult wel weten wat je met hem doen moet om zijn grijze haar met bloed in het graf te doen neerdalen."

Na David's dood liet Salomo Simeï halen en verplichtte hem om in Jeruzalem te wonen. Ook kreeg hij het verbod om Jeruzalem ooit nog te verlaten, op overtreding stond de doodstraf. Drie jaar lang bleef Simeï in Jeruzalem, maar toen twee van zijn slaven naar Gath in Filistea vluchtte, ging Simeï hen achterna om hen terug te brengen. Salomo liet hierop Simeï ter dood brengen door de legerofficier Benaja.[5]

Overige personen met de naam Simeï[bewerken]

Een aantal andere personen uit de Hebreeuwse bijbel met de naam Simeï:

  • Een zoon van Gersom en kleinzoon van Levi;[6]
  • Een Benjaminiet en vader of voorvader van negen hoofden van voorname families in Jeruzalem;[7]
  • Een van de personen die weigerden om aan te sluiten bij de opstand van Koning David's zoon Adonia;[8]
  • Een Leviet die meehielp met het beheer van de giften aan de tempel van Jeruzalem tijdens de regering van Koning Hizkia;[9]
  • Een voorvader van de Benjaminiet Mordechai;[10]
  • De broer van Zerubbabel, stadhouder van Jeruzalem na de terugkeer van de Israëlieten uit hun ballingschap in Babylon;[11]
  • een aantal Israëlieten die op last van Ezra hun buitenlandse vrouwen wegstuurden.[12]

Bronnen, noten en referenties

  1. Wachttorengenootschap. Inzicht in de Schrift, Deel 2, p. 866, 867: Simeï
  2. Het aantal verschilt per vertaling. De Herziene Statenvertaling noemt bijna twintig verschillende personen.
  3. 2 Samuël 16:5-13
  4. 2 Samuel 19:16-23
  5. 1 Koningen 2:1-9, 36-46
  6. Exodus 6:16, 17
  7. 1 Kronieken 8:1, 13, 19-21, 28
  8. 1 Koningen 1:8
  9. 2 Kronieken 31:11-13
  10. Esther 2:5
  11. 1 Kronieken 3:19
  12. Ezra 10