Sinterklaasgedicht

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Een Sinterklaasgedicht is een gedicht dat voor het Sinterklaas-feest wordt geschreven en dat vaak hardop moet worden voorgelezen bij het uitpakken van een surprise of cadeau.

In een traditioneel Sinterklaasgedicht worden de minder gunstige eigenschappen van de aangesprokene op vriendelijke wijze gehekeld. Het Sinterklaasritueel heeft aldus elementen van catharsis.

De meeste Sinterklaasgedichten zijn tamelijk simpel van opzet. Ze bestaan voornamelijk uit eindrijm met rijmschema aa bb cc dd ee enz, De rijmwoorden liggen meestal zeer voor de hand, het zogenaamde kermisrijm. Zo beginnen veel Sinterklaasgedichtjes met zinnen als:

Sint heeft uren zitten denken
Wat hij Jantje toch zou schenken

Doordat de meeste sinterklaasgedichten eenvoudig van opzet zijn en veel mensen de inspiratie voor het schrijven van een rijm missen, bestaan er computerprogramma's en websites die dergelijke gedichten automatisch samenstellen.

Een klassiek Sinterklaasrsijm heeft schema aa bb cc enzovoorts. Er is echter geen reden om niet te variëren, door bijvoorbeeld onverwachte wendingen, zoals

Sint heeft uren zitten denken
Wat hij Jantje toch zou geven.

Limerick en acrostichon zijn ook bruikbaar. Te ingewikkelde schema's, bijvoorbeeld een sonnet, zullen vaak niet opgemerkt worden in het feestgedruis. Het sinterklaasgedicht zal wel in de regel lichtvoetig, ietwat ironisch moeten zijn.

Geschiedenis[bewerken]

1 Sinterklaasgedichten behoren tot de gelegenheidspoëzie. Al in de zeventiende eeuw was het in Nederland mode om bij bijzondere gelegenheden als huwelijk en verjaardag een gedicht te schrijven. Ook maakten volwassenen toen gedichten bij geschenken, maar niet met Sinterklaas, want aan dat feest deden ze vóór circa 1900 niet mee.

2 Eeuwenlang werd ons sinterklaasfeest namelijk alleen met kinderen tot circa twaalf jaar gevierd. Deze kregen lekkers en onverpakte geschenken zonder rijmpjes, getuige schilderijen en prenten (van bijvoorbeeld Jan Steen) en de literatuur (Bredero en anderen). Zolang het sinterklaasfeest een feest was voor kleine kinderen – die vaak nog niet kunnen lezen – lag het gebruik van gedichten ook niet erg voor de hand.

3 Het opsporen van sinterklaasgedichten is niet eenvoudig, omdat ze zelden worden bewaard of in druk verschijnen. We moeten het vooral hebben van egodocumenten en van mondelinge en gedrukte verhalen over het sinterklaasfeest. Het is daarom ook moeilijk vast te stellen, wanneer de traditie van het dichten ter gelegenheid van het sinterklaasfeest begint. Het eerste gedicht van ‘Sinterklaas’ dat bekend is, duikt op in het verhaal Sint Nikolaas uit 1810. Het gaat over een jongen die zijn zusje pest. Voor straf krijgt hij in zijn schoen een roe mét een gedichtje:

Sint Niklaas houdt goede wacht,

Wie zijn kinderpligt betracht,
Of verwaarloost: stoute blaagen
Kunnen nimmer hem behaagen;
Dezen brengt Hij, in den schoê,

Niets dan slechts een’ berken roe.

4 De gepaard rijmende tekst is nogal algemeen van inhoud. Sinterklaas begon vanaf deze tijd een ‘opvoedmiddel’ te worden; dat blijkt ook uit dit rijmpje. Nu zou men verwachten, dat vanaf 1810 meer sinterklaasgedichten (in druk) gaan verschijnen vanwege dat opvoedkundige aspect. Toch is dit vermoedelijk niet het geval. Er kwamen wel sinterklaasboekjes voor de jeugd, maar zonder gedichten van ‘Sinterklaas’ erin. Ook elders zijn deze vóór circa 1880 voor zover bekend niet gevonden.

5 Wanneer is het schrijven van sinterklaasgedichten dan wel een algemeen gebruik geworden? Een klein notitieboekje uit 1880 werpt licht op deze kwestie. Het bevat een aantal geschreven gedichten, die voor jonge volwassenen zijn bestemd. Ze zijn niet door ‘Sinterklaas’ geschreven, maar door een geliefde of vriend en dienen om cadeaus aan te duiden, te instrueren en/of te behagen, zoals blijkt uit een rijmpje bij een beeldje van twee geliefden:

Dit is een minnend paar;

Als wij reeds 1 1/2 jaar,
Zet ze als een herinnering daaraan

Op d’ étagère als ’t kan gaan

Een rijmpje om te instrueren:

Waarschuwing!

Wilt gij Klaas ook vreugde doen,
Houdt U allen in fatsoen.
Eerst moet ’t eene pakje leêg,

Eer men weer een ander kreeg

6 Duidelijker bleek de behoefte aan sinterklaasrijmen in circa 1898. Toen verschenen er tweehonderd genummerde kaarten, verkrijgbaar in etui voor fl. 3,15 bij Erven B. van der Kamp te Groningen. Op elk van deze St. Nicolaaskaarten op briefkaartformaat staat een afbeelding met (vooral jonge) volwassenen en een sinterklaasrijm, geschikt voor elk geschenk. De teksten variëren van twee tot acht regels met gepaard eindrijm en zijn gemaakt namens een werkelijke schenker, die soms ‘Sinterklaas’ citeert. Ze zullen voor velen welkom zijn geweest, want daarmee kon men zich niet door zijn handschrift verraden en was er bovendien geen dichtprobleem!

7 Met enkele van deze kaarten kan men plagend kritiseren, wat hét kenmerk van dit soort gedichten is geworden, vooral vanwege de anonimiteit. Andere zijn bestemd voor verliefde mannen die hun aanbedene slechts via het sinterklaasfeest (dus ook anoniem) iets durven te geven. Een voorbeeld:

Die u dit pakje biedt,

Doet zelf de boodschap niet,
Heeft daartoe geen courage,
En stuurt daarom dit ding
Maar door bemiddeling

Van ’t goede Sinterklaasje.

8 Dit verschijnsel komt nog steeds voor en verwijst naar een zeventiende-eeuws gebruik bij verliefde jongeren om een (soms heimelijk) aanbeden meisje of jongeman met Sinterklaas een vrijer/vrijster van speculaas te geven als gebaar van grote genegenheid. Daaraan ontleent hij trouwens ook een van zijn namen, ‘goedheiligman’: ‘heilig’ komt van ‘hylik’, dat is ‘huwelijk’. De goedheiligman is dus een goede ‘huwelijksmakelaar’. De uitgever van deze kaarten speelde dus in op een nog bestaande traditie.

9 Vanaf circa 1890 (misschien wel eerder) krijgen en maken ook oudere kinderen sinterklaasgedichten. Dat blijkt bijvoorbeeld uit een brief uit 1891 van een toen zestienjarig kostschoolmeisje uit Beverwijk. En in het kinderboek Zus bij moes uit 1911 wordt verteld, hoe de juffrouw op school berijmde zoekbriefjes van Sint Nicolaas heeft gevonden. In feite zijn ze van juf zelf natuurlijk. Een voorbeeld:

Zoek jij maar in den turfbak, kindje,
Vertel ons gauw maar eens: wat vind je?

10 In de loop van de twintigste eeuw gingen steeds meer volwassenen aan het sinterklaasfeest deelnemen. Daarbij werden, vooral na 1945, gedichten met een zoekinstructie, een omschrijving van het geschenk of kritiek een algemeen verschijnsel. Hét grote verschil met de negentiende eeuw is, dat de verzen nu wél van ‘Sinterklaas’ (of ‘Zwarte Piet’) komen en soms meer centraal staan dan de cadeaus. Dat geldt met name die gedichten waarin men elkaar plagend de waarheid zegt.

11 Na circa 1940 verschijnen er handleidingen voor het dichten van sinterklaasrijmen (bijvoorbeeld door dichters als Han G. Hoekstra en Ernst van Altena), rijmwoordenboeken en boekjes met kant-en-klare gedichten, waarin gedichten staan om kritiek te leveren op vrijwel iedere karaktertrek. Ooit waren er in warenhuizen in sinterklaastijd behulpzame sneldichters aanwezig. Nu kan men snel via internet en computerprogramma’s aan sinterklaasgedichten komen. Uit dit alles blijkt hoe groot nog steeds de behoefte of zachte dwang is om voor Sinterklaas gedichten te maken. Velen verzinnen hun sinterklaasgedichten gelukkig nog zelf, vaak met diverse rijmschema’s.